ECLI:NL:RBROT:2026:2289

ECLI:NL:RBROT:2026:2289

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer C/10/713741 / JE RK 26-130
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/713741 / JE RK 26-130

Datum uitspraak: 30 januari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum 3] 2024 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.W. Gruijl, kantoorhoudende te Rotterdam,

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;

de beschikking van 23 januari 2026 van deze rechtbank, met zaaknummer C/10/713741 / JE RK 26-130

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader;

- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] .

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 2] , tolk in de Arabische taal.

Er is toegang tot de zitting verleend aan de pleegmoeder van [minderjarige 1] , [naam 3] . Ter zitting is zij gehoord als informant.

2. De feiten

De ouders hebben het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven alle drie in een crisispleeggezin.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juli 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 24 juli 2026.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 januari 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 februari 2026.

3. Het (aangehouden) verzoek

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier weken, en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg te verlenen de duur van één maand. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bij beschikking van 23 januari 2026 is de spoedmachtiging voor de duur van vier weken verleend. Over de periode van 20 februari 2026 tot 20 maart 2026 moet nog worden beslist.

4. De standpunten

De GI handhaaft het verzoek en licht dat als volgt toe. De spoeduithuisplaatsing is niet fijn verlopen en het gezin is behoorlijk van slag geraakt. De moeder is tijdens de spoeduithuisplaatsing in paniek geraakt en begon te schreeuwen, waardoor de politie moest worden ingeschakeld. De kinderen zijn vervolgens alle drie in een verschillend crisispleeggezin geplaatst. Het is voor de moeder niet mogelijk om terug te keren naar de vrouwenopvang. Wel kan zij daar nog terecht voor ambulante hulpverlening. Er wordt onderzocht of iemand uit het netwerk van de ouders bereid is om de kinderen op te vangen. De vader heeft dertien kinderen, waarvan de oudste drieënvijftig jaar oud is. De pleegmoeder van [minderjarige 1] , [naam 3] , is bij eerder overleg op 9 december 2025 als pleegouder aangewezen en er heeft bij haar een eerste screening plaatsgevonden. Het is voor nu belangrijk dat [minderjarige 1] bij [naam 3] wordt geplaatst. Het is nog onduidelijk of [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ook bij [naam 3] kunnen worden geplaatst. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn nog erg jong en beiden van slag geraakt door de spoeduithuisplaatsing. Ook wordt gezien dat [minderjarige 1] een moederrol op zich neemt richting haar broertje en zus. De situatie is nog kwetsbaar en er is daarom voldoende tijd nodig om te bepalen of een gezamenlijke plaatsing in het belang van de kinderen is.

Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder heeft de spoeduithuisplaatsing als traumatisch ervaren en begrijpt niet waarom dit haar is overkomen. De moeder verblijft momenteel weer bij de vader. Bij de vrouwenopvang verbleef het gezin gezamenlijk op één kamer, waardoor er weinig beweegruimte was en de kinderen niet konden spelen. De moeder ervaarde dat zij niks kon en mocht, waardoor de band tussen haar en de begeleiders van de vrouwenopvang verslechterde. Nadat de moeder hoorde dat een medebewoner van de opvang slecht over haar sprak, heeft zij dit aangegeven bij de begeleiding. Volgens de moeder heeft er verder geen conflict tussen haar en de medebewoner plaatsgevonden. De moeder zorgt goed voor de kinderen, meldt hun op tijd af voor school en verzorgt het eten. De kinderen missen hun vader, en de moeder wil graag samen met de kinderen weer bij de vader gaan wonen. Primair wordt daarom verzocht om het verzoek af te wijzen. Indien dit niet mogelijk is, wil de moeder dat de kinderen samen in een pleeggezin worden geplaatst. Subsidiair wordt verzocht om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij [naam 3] te plaatsen. [minderjarige 1] heeft veel verdriet en mist haar broertje en zusje, en [naam 3] is bereid om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op te vangen. Een nadere screening afwachten is niet wenselijk, omdat de kinderen dan voor lange tijd van elkaar gescheiden zijn. De moeder staat ervoor open om in de toekomst mee te werken aan een KSCD-onderzoek en een eventuele gezinsopname. Indien de verzoeken wel worden toegewezen, is het fijn als de stand van zaken snel besproken wordt, om zo op korte termijn te kijken of nader onderzoek nodig is.

Door de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Het gaat goed met de vader en hij wil graag dat de kinderen weer bij hem komen wonen. De moeder woont pas voor korte tijd in Nederland en heeft nog weinig begrip voor het systeem, waardoor zij gefrustreerd raakt en af en toe boos is. De vader heeft geen problemen met het gedrag van de moeder en geeft aan dat de kinderen bij hem veilig zijn. Als een terugplaatsing toch niet mogelijk is, wil de vader dat de kinderen gezamenlijk bij [naam 3] worden geplaatst.

5. De informatie

De pleegmoeder van [minderjarige 1] brengt ter zitting naar voren dat zij heel graag de zorg voor alle drie de kinderen op zich wil nemen en zij is ervan overtuigd dat de kinderen gezamenlijk bij haar kunnen worden geplaatst. Ook is het volgens haar belangrijk dat [minderjarige 1] traumatische hulpverlening ontvangt en weer naar school gaat. De pleegmoeder is bereid er alles aan te doen om de kinderen te helpen en er voor hen te zijn.

6. De beoordeling

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid BW).

Er bestaan ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De kinderen verbleven samen met de moeder gedurende elf maanden bij de vrouwenopvang. De moeder en de kinderen zijn bij de vrouwenopvang terecht gekomen nadat zij in de thuissituatie bij de vader zijn blootgesteld aan huiselijk geweld en onveiligheid. Gebleken is dat de moeder niet in staat is om de kinderen de zorg te bieden die nodig is en de afspraken van de vrouwenopvang na te komen. De moeder maakt niet op tijd medische afspraken voor de kinderen, waardoor zij voor lange tijd niet op tandartscontrole zijn geweest. [minderjarige 2] heeft een oogafwijking, waarvoor de moeder pas na strikte aanwijzing van de GI een afspraak bij het ziekenhuis heeft gemaakt. De kinderen zijn meermaals afwezig op school en worden door de moeder niet op tijd afgemeld. Er zijn zorgen dat [minderjarige 1] in een slecht milieu terecht komt. Er wordt gezien dat [minderjarige 1] een moederrol richting [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op zich neemt en belast wordt met volwassenzaken. De moeder gaat vaak met de kinderen op bezoek bij de vader, terwijl de afspraak is dat tussen hen alleen begeleid contact plaatsvindt. De moeder is door de begeleiding van de vrouwenopvang vaak aangesproken op haar gedrag, wat meermaals tot hevige discussie heeft geleid. Nadat de moeder in conflict is gekomen met een medebewoner, heeft de begeleiding besloten dat het verblijf van de moeder niet kan worden voortgezet. De kinderen zijn vervolgens op 23 januari 2026, middels een spoedmachtiging alle drie in een verschillend pleeggezin geplaatst. De spoeduithuisplaatsing was zeer traumatisch voor het gezin en de kinderen zijn van slag geraakt. De moeder kan niet terug naar de vrouwenopvang en verblijft momenteel weer bij de vader.

Gelet op de ernstige zorgen, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op dit moment niet thuis kunnen wonen. Er is de afgelopen tijd veel gebeurd en de situatie van de kinderen is onzeker en kwetsbaar. Het is voor de moeder en de kinderen niet mogelijk om terug te keren naar de vrouwenopvang. Aangezien het risico bestaat dat de kinderen in de thuissituatie bij de vader opnieuw worden blootgesteld aan huiselijk geweld en onveiligheid, is een terugplaatsing bij de vader, in ieder geval op dit moment, niet in het belang van de kinderen. Het is daarom van belang dat de kinderen voor nu ieder in het crisispleeggezin blijven en hun veiligheid wordt gewaarborgd. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat de kinderen samen willen zijn, is het op dit moment te snel om te bepalen dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ook bij [naam 3] worden geplaatst. De komende periode moet eerst duidelijk worden of een gezamenlijke plaatsing wenselijk is en of iemand uit het netwerk van de ouders bereid is om de kinderen op te vangen. Ook moet voorkomen worden dat de kinderen in korte tijd bij meerdere pleeggezinnen verblijven. De GI heeft de komende weken nodig om onderzoek te doen en te bepalen wat in het belang van de kinderen is en welke woonplek daarbij passend is. De kinderrechter acht een tussentijds toetsingsmoment daarom niet reëel en vindt het nodig dat het verzoek voor de gehele duur moet worden toegewezen. De kinderrechter hoopt dat er voor de kinderen zo snel mogelijk duidelijkheid komt.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7. De beslissing

De kinderrechter:

houdt de beschikking van 23 januari 2026 in stand;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 20 februari 2026 tot 20 maart 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van R.J.S. Mulder als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?