RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaak- en rolnummer: C/10/711217 / HA RK 25-1186
Beslissing van 13 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
woonplaats: De Meern,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. J.W. Langeler,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met zaak- en rolnummer C/10/708687 / KG ZA 25-1056 (‘de hoofdzaak’). De hoofdzaak betreft een familierechtelijke kort gedingprocedure tussen [naam] als verzoekende partij en verzoeker als gedaagde partij.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de e-mail van 4 december 2025 van verzoeker, waarin hij mededeelt dat hij de rechter wraakt;
de e-mail van 8 december 2025 van de algemeen secretaris van de wrakingskamer aan verzoeker, waarin verzoeker is medegedeeld dat uiterlijk op 22 december 2025 om 12:00 uur een advocaat zich namens hem moet stellen in de wrakingsprocedure;
de e-mails in de periode van 8 december 2025 tot en met 17 december 2025 tussen de algemeen secretaris van de wrakingskamer en verzoeker.
2. De ontvankelijkheid van het verzoek
In de wrakingsprocedure gelden dezelfde regels over (verplichte) procesvertegenwoordiging als in de (bodem)procedure waarin het wrakingsverzoek is gedaan. Verplichte procesvertegenwoordiging houdt onder andere in dat een partij zelf geen proceshandelingen kan verrichten, zoals het indienen van stukken of het doen van nieuwe, gewijzigde of aanvullende verzoeken, maar dat daarvoor de tussenkomst van een advocaat is vereist.
In artikel 79 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat dat een partij in alle zaken – behalve zaken bij de kantonrechter, maar daarvan is in het geval van de hoofdzaak geen sprake – moet worden bijgestaan door een advocaat. Dat heet verplichte procesvertegenwoordiging. In de hoofdzaak is sprake van verplichte
procesvertegenwoordiging voor een gedaagde partij (in dit geval: verzoeker) in het geval dat die partij proceshandelingen wil verrichten. Het indienen van een wrakingsverzoek is zo’n proceshandeling. Verzoeker kan dus niet zelf een wrakingsverzoek indienen; daarvoor heeft hij een advocaat nodig. De wet maakt geen uitzondering op die verplichte procesvertegenwoordiging voor het doen van een wrakingsverzoek in de hoofdzaak.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is in strijd met het voorgaande niet ingediend door een advocaat. Verzoeker is daarom overeenkomstig artikel 2 lid 2 van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank in een e-mail van 8 december 2025 in de gelegenheid gesteld om een advocaat te zoeken die hem wrakingsverzoek ondersteunt c.q. verzoeker bijstaat in de wrakingsprocedure. Verzoeker heeft hiervoor een termijn gekregen tot 22 december 2025 om 12:00 uur.
De wrakingskamer constateert dat zich tot op heden geen advocaat namens verzoeker heeft gesteld in deze wrakingsprocedure, terwijl de aan verzoeker verleende termijn om een advocaat te zoeken inmiddels is verstreken. Uit de laatste e-mails van verzoeker volgt dat het hem nog niet is gelukt om een advocaat te vinden die in de gelegenheid is om hem bij te staan in de wrakingsprocedure, maar dit is een omstandigheid die voor rekening en risico van verzoeker moet blijven. Verzoeker stelt dat de aan hem verleende termijn om een advocaat te vinden te kort is, maar uit een door verzoeker doorgestuurde e-mail van de Raad voor Rechtsbijstand van 17 december 2025 blijkt dat aangezochte advocaten hebben aangegeven verzoeker niet te kunnen bijstaan “omdat wraking niet wenselijk/mogelijk zou zijn”. De wrakingskamer verwerpt daarom het standpunt dat de verleende termijn van twee weken te kort is geweest.
Gelet op al het voorgaande is verzoeker niet-ontvankelijk in het door hem ingediende wrakingsverzoek. De wrakingskamer komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek. Gelet daarop kan een mondelinge behandeling van dat verzoek achterwege blijven.
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. K.A. Baggerman en mr. M.C. Franken, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.