RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714812 / KG ZA 26-148
Vonnis in kort geding van 6 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te Amsterdam,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mrs. M. Hoogenboom en M.P.V. den Engelsman,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te Rotterdam,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. M.H.F. van Buuren,
2. [gedaagde 2] (verbonden aan [naam kantoor]),
te Waalre,
gedaagde,
hierna te noemen: de notaris,
advocaat: mr. S.F. Knijnenburg.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 februari 2026- de akte wijziging eis in conventie
- de akte overlegging producties A1 tot en met A6, B tot en met N van [eiseres]
- producties O tot en met S van [eiseres]
- de akte overlegging producties 1 tot en met 6, met reconventionele vorderingen van [gedaagde 1]- productie 7 van [gedaagde 1]
- de mondelinge behandeling van 25 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de pleitnota van [eiseres]- de pleitnota van [gedaagde 1]
- de ter zitting door [gedaagde 1] overgelegde specificatie van de vordering van 16 februari 2026
- de pleitnota van de notaris.
2. De feiten
[eiseres] en [gedaagde 1] hebben een affectieve relatie gehad die in 2018 is geëindigd. Gedurende deze relatie hebben [eiseres] en [gedaagde 1] ( [gedaagde 1] al dan niet via [naam bedrijf] , van welke vennootschap hij dga is), ieder voor de helft, vijftien onroerende zaken in Rotterdam in gezamenlijke eigendom verkregen. Die panden zijn bestemd voor de commerciële verhuur.
Over de verdeling van deze gemeenschappelijke eigendom zijn sinds 2020 verschillende bodem- en kort gedingprocedures bij verschillende rechterlijke instanties gevoerd die hebben geleid tot verschillende vonnissen en arresten.
In dit executie kort geding spelen de volgende uitspraken een rol:
het kortgedingarrest van 15 juli 2025 van hof Amsterdam (het Amsterdamse arrest).
In dit arrest heeft het hof [eiseres] veroordeeld om uit een door haar aangehouden depot een bedrag van € 144.244,00 aan [gedaagde 1] te voldoen. Daarnaast heeft het hof [eiseres] veroordeeld om nog een aanvullend bedrag van € 42.475,00 aan [gedaagde 1] te betalen. Deze bedragen hebben betrekking op huuropbrengsten waarop [gedaagde 1] volgens het hof aanspraak heeft. De vordering van [eiseres] om [gedaagde 1] te veroordelen mee te werken aan de levering aan haar van de vijftien onroerende zaken heeft het hof afgewezen.
Het Amsterdamse arrest is in kracht van gewijsde gegaan. Het is op 11 november 2025 aan [eiseres] betekend. [gedaagde 1] heeft in het kader van de tenuitvoerlegging van het Amsterdamse arrest executoriale beslagen doen leggen op een auto en onroerende zaken van [eiseres] . Daarnaast heeft hij aan de notaris opdracht gegeven om over te gaan tot executoriale verkoop van de woning aan de [adres] (waarin de dochter van [eiseres] woont met haar kinderen, waarvan er één minderjarig is). In dat verband is, in opdracht van [gedaagde 1] aan de notaris, een onlineveiling gepland op 19 maart 2026.
het arrest van 15 juli 2025 in de bodemprocedure van hof Den Haag (het Haagse arrest).
In dit arrest heeft het hof de vijftien onroerende zaken in Rotterdam aan [eiseres] toegedeeld en daarbij bepaald dat partijen gelijk gerechtigd zijn op de overwaarde. In het kader van die verdeling dient [eiseres] aan [gedaagde 1] € 1.048.705,00 te betalen. [gedaagde 1] is veroordeeld om aan [eiseres] in totaal € 890.592,00 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente over € 876.815,00 vanaf 22 mei 2019 en een gebruiksvergoeding voor een van de panden van € 356,50 per maand vanaf 1 januari 2019, beide tot aan het notariële transport. Bij wijze van executie van het Haagse arrest heeft [eiseres] ten laste van [gedaagde 1] executoriale beslagen gelegd. In de eerste plaats onder de deurwaarder op het door hem in depot gehouden bedrag, waaruit de deurwaarder ingevolge het arrest van het Amsterdamse hof op instructie van [eiseres] een bedrag van € 144.244,00 aan [gedaagde 1] moest voldoen. En in de tweede plaats onder zichzelf op het bedrag van € 42.475,00 dat zij ingevolge datzelfde arrest aan [gedaagde 1] moest betalen. Partijen hebben het hof verzocht het arrest te herstellen respectievelijk aan te vullen, welke verzoeken zijn afgewezen. Op nieuwe verzoeken tot herstel en/of aanvulling is nog niet beslist. [gedaagde 1] heeft tegen het Haagse arrest beroep in cassatie ingesteld. De cassatieprocedure loopt nog.
het kortgedingvonnis van 30 december 2025 van deze rechtbank (het Rotterdamse vonnis).
In het Rotterdamse vonnis zijn de vorderingen van [eiseres] in conventie tot schorsing van de executie van het Amsterdamse arrest afgewezen. In reconventie is: 1) het door [eiseres] op grond van het Haagse arrest gelegde eigenbeslag opgeheven en 2) het [eiseres] verboden het door haar op grond van het Haagse arrest gelegde aandelenbeslag op de door [gedaagde 1] gehouden aandelen in [naam bedrijf] op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom te vervolgen (zonder opheffing van het beslag). Voorts is [eiseres] , op straffe van verbeurte van een gemaximeerde dwangsom, veroordeeld om overzichten te verstrekken van huurinkomsten en exploitatielasten vanaf 1 juli 2025 van de vijftien panden. De proceskosten zijn in conventie en in reconventie gecompenseerd. Het Rotterdamse vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het is op 31 december 2025 aan [eiseres] betekend. [eiseres] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan en heeft op 27 januari 2026 de memorie van grieven, met gedeeltelijke eiswijziging, genomen. [gedaagde 1] heeft op 24 februari 2026 geconcludeerd voor antwoord. Het instellen van het hoger beroep heeft de tenuitvoerlegging van het Rotterdamse vonnis geschorst. Het door [eiseres] gelegde eigenbeslag geldt daardoor als niet opgeheven.
3. Het geschil in conventie
[eiseres] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, geheel uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde 1] te veroordelen tot het opheffen van al de door hem ten laste van [eiseres] gelegde executoriale beslagen op grond van het Amsterdamse arrest, nadat [eiseres] een totaalbedrag van € 44.623,70, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, heeft betaald om aan de betalingsverplichting van € 42.475,00 uit het Amsterdamse arrest, te vermeerderen met de op de wet gegronde executiekosten, te voldoen, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 50.000,00 aan [eiseres] en een dwangsom van
€ 5,000,00 voor iedere kalenderdag daarna, waarbij een gedeelte van een kalenderdag geldt als hele kalenderdag, zulks met een maximum van € 500.000,00;
2. [gedaagde 1] te verbieden, voor zover [eiseres] heeft voldaan aan haar betalingsverplichting als beschreven onder 1, om executiemaatregelen te treffen jegens [eiseres] op grond van het Amsterdamse arrest, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 500.000,00 aan [eiseres] ;
3. [gedaagde 1] te verbieden om het Rotterdamse vonnis jegens [eiseres] te (laten) executeren en te gebieden reeds gelegde executoriale beslagen op grond van dit vonnis op te heffen, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 500.000,00 aan [eiseres] ;
4. De notaris te veroordelen om de in opdracht van [gedaagde 1] ingezette executie van het Amsterdamse arrest te staken en gestaakt te houden, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 50.000,00 aan [eiseres] ;
5. [gedaagde 1] te veroordelen, tegen voldoende bewijs van kwijting, tot betaling van de proceskosten aan [eiseres] .
[gedaagde 1] voert verweer.
De notaris voert verweer tegen de door [eiseres] ten laste van hem gevorderde dwangsom en refereert zich voor het overige aan het oordeel van de voorzieningenrechter.
4. Het geschil in reconventie
[gedaagde 1] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat:
[eiseres] te veroordelen om binnen twee dagen na het ten deze te wijzen vonnis aan [gedaagde 1] te voldoen de somma van € 144.244,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 15 juli 2025 respectievelijk vanaf een in goede justitie te bepalen datum;
te bepalen dat het bedrag waartoe [eiseres] aldus wordt veroordeeld om aan [gedaagde 1] te voldoen onderdeel zal uitmaken van de reeds aangezegde executieveiling;
[eiseres] te veroordelen in de kosten van de procedure.
[eiseres] voert verweer.
5. De beoordeling
De aard van de vorderingen in conventie brengt mee dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat spoedeisend belang is ook niet betwist.
In het kader van de executie van het Amsterdamse arrest bestaat tussen partijen geschil over de betaling door verrekening door [eiseres] (en het in dat kader gelegde executoriale beslag) en over het antwoord op de vraag welke kosten [eiseres] aan [gedaagde 1] verschuldigd is. Het oordeel daarover is beslissend voor de beslissingen in conventie en in reconventie.
Over de eerste kwestie heeft de voorzieningenrechter zich in het Rotterdamse vonnis gebogen en geoordeeld dat het gerechtvaardigde belang van [gedaagde 1] meebrengt dat eerst duidelijkheid moet bestaan over de omvang van de vorderingen over en weer voordat [eiseres] eventuele vorderingen incasseert (door verrekening). In verband daarmee zijn de beslagen die [eiseres] heeft gelegd, opgeheven. Het vonnis is echter niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard en tenuitvoerlegging ervan is op dit moment niet mogelijk als gevolg van het daartegen ingestelde appel. Het gevolg daarvan is dat de feitelijke situatie nog niet in overeenstemming is, en kan zijn, met het oordeel van de voorzieningenrechter.
Voor de reconventionele vorderingen van [gedaagde 1] betekent wat in 5.2. is overwogen het volgende. Omdat het Rotterdamse vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, rust het eigenbeslag nog steeds vanwege de schorsende werking van het hoger beroep. [gedaagde 1] acht dit onwenselijk en tracht met de vordering onder 1 die juridische situatie te doorbreken. In feite komt de vordering van [gedaagde 1] neer op een verkapt appel tegen de niet uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het Rotterdamse vonnis. Daarvoor is dit executiegeschil (dat trekken heeft van een geldvordering in kort geding) niet bedoeld. Reeds daarom, en nog los van de discutabele aannemelijkheid van het door [gedaagde 1] beperkt gestelde en in het geheel niet onderbouwde en door [eiseres] bovendien betwiste spoedeisend belang, strandt de reconventionele vordering onder 1. In het verlengde daarvan wordt ook de reconventionele vordering onder 2 afgewezen. Deze is bovendien declaratoir is en daarom niet toewijsbaar in kort geding.
Tussen partijen staat vast dat [eiseres] op grond van het Amsterdamse arrest in elk geval (ook) een bedrag van € 42.475,00 (hoofdsom) aan [gedaagde 1] moet betalen. [eiseres] is niet tijdig tot betaling van dat bedrag aan [gedaagde 1] overgegaan. [gedaagde 1] kon en mocht daarom de met het Amsterdamse arrest door hem verkregen titel tenuitvoerleggen, meer specifiek door ten laste van [eiseres] executoriale beslagen te leggen en aan de notaris opdracht te geven om een online executieveiling van de woning aan [adres] te bewerkstelligen (zie productie R van [eiseres] ). Op het eerste gezicht is dan niet aannemelijk dat [gedaagde 1] met de tenuitvoerlegging misbruik van zijn bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 3:13 BW heeft gemaakt.
Over kosten die [eiseres] mogelijk extra aan [gedaagde 1] verschuldigd is, wordt het volgende overwogen. Vooropgesteld zij dat uit de wijziging van eis volgt dat [eiseres] zich op het standpunt stelt dat zij in ieder geval € 2.148,70 aan executiekosten moet betalen. [gedaagde 1] heeft ter zitting een door hemzelf opgestelde specificatie vordering en executiekosten van 16 februari 2026 overgelegd. Deze komt uit op een bedrag van € 73.913,02
(€ 125.538,06 -/- € 51.625,04 in depot). De notaris heeft de specificatie van [gedaagde 1] voor de door hem in het kader van de veiling opgestelde afrekening als leidraad genomen. [eiseres] had deze specificatie kennelijk nog niet ontvangen.
[eiseres] heeft de afzonderlijke posten in die specificatie voor een groot deel gemotiveerd betwist. Die betwisting ziet op rente, dwangsommen en (componenten van) executiekosten, (blijkbaar) met uitzondering van het hiervoor genoemde bedrag van € 2.148,70. [eiseres] heeft een bedrag van € 42.475,00 in depot bij de notaris gestort en daarnaast een bedrag van € 9.150,04 aan deurwaarderskosten. Dat is in totaal € 51.625,04. Uit de specificatie van [gedaagde 1] volgt dat hij ook met dat bedrag rekent, zodat partijen het daarover eens zijn. Ter zitting is gebleken dat zich daarnaast nog een bedrag van € 7.500,00 in depot onder de deurwaarder bevindt. In de visie van [eiseres] , zo begrijpt de voorzieningenrechter haar, is het totaal van de bedragen in de twee depots voldoende om tot opheffing van de gelegde beslagen over te gaan en de executieveiling te voorkomen.
Per saldo bestaat dus discussie over een kostenbedrag van € 64.264,32 (€ 73.913,02 -/- € 7.500,00 -/- € 2.148,70). Ten aanzien van de betwiste posten overweegt de voorzieningenrechter als volgt:
[gedaagde 1] heeft onvoldoende concreet en met stukken gesteld en onderbouwd dat en waarom hij op grond van het Amsterdamse arrest een titel heeft voor inning van de in de specificatie opgevoerde rente. [eiseres] heeft de verschuldigdheid bovendien betwist. De voorzieningenrechter houdt derhalve geen rekening met deze post;
Naar voorlopig oordeel heeft [eiseres] op grond van het Amsterdamse arrest voor hooguit een bedrag van € 1.000,00 – en dus geen € 44.500,00 – aan dwangsommen verbeurd. [gedaagde 1] heeft het Amsterdamse arrest op 11 november 2025 aan [eiseres] doen betekenen. Ingevolge het arrest moest [eiseres] binnen een week na betekening voldoen aan de veroordeling onder 7.2 in dat arrest door het verstrekken van een schriftelijke opdracht aan de deurwaarder Van Beest om huurpenningen aan [gedaagde 1] over te maken. Hoewel de wijze waarop niet de schoonheidsprijs verdient, heeft [eiseres] die opdracht in de laatste zin van een, ook aan de juiste deurwaarde gerichte, e-mail van 20 november 2025 van mr. Den Engelsman (cc. mr. Van Buuren), verstrekt, derhalve twee dagen te laat;
De stelling van [gedaagde 1] dat [eiseres] ook dwangsommen heeft verbeurd, omdat zij ter griffie een verzoek tot aanhouding van de behandeling van het artikel 474g Rv-verzoek heeft gedaan en aldus het in het Rotterdamse vonnis opgelegde verbod om het aandelenbeslag te vervolgen, heeft overtreden, volgt de voorzieningenrechter niet. Met [eiseres] is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde 1] op die grond ten onrechte aanspraak maakt op dwangsommen, die overigens niet zijn meegenomen in de hier bedoelde specificatie;
Dat [eiseres] op grond van 5.4 van het Rotterdamse vonnis dwangsommen heeft verbeurd, is, gelet op het beperkte partijdebat op dit punt, onvoldoende uit de verf gekomen. De voorzieningenrechter houdt ook hiermee in de berekening geen rekening. Overigens zijn deze dwangsommen evenmin meegenomen in de hier bedoelde specificatie.
Veilingkosten en kosten van de notaris zijn, evenals kadastrale kosten, gebruikelijke kosten in het kader van een executieveiling. Ten aanzien van de notariskosten wordt specifiek nog overwogen dat namens [eiseres] veelvuldig met de notaris is gecommuniceerd, wat bijdraagt aan oplopende kosten. De voorzieningenrechter houdt derhalve met die bedragen volledig rekening;
Partijen twisten over de verschuldigdheid van de executiekosten van deurwaarder [naam] . Vanwege de beperkte omvang daarvan – € 151,04 – en de omschrijving “aanwijzing notaris” houdt de voorzieningenrechter rekening met die kosten.
Er valt iets voor te zeggen dat in de gegeven omstandigheden (ondanks de kostencompensatie in de andere procedures) in elk geval een gedeelte van de executie- en advocaatkosten van Van Buuren voor rekening van [eiseres] moeten komen (productie 6 van [gedaagde 1] ). Niet uitgesloten is dat in een eventuele bodemprocedure een vordering tot betaling van deze kosten in ieder geval deels toewijsbaar is. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om op dit moment 50% van de opgevoerde kosten van € 13.552,00 als redelijk te achten bedrag in de berekening mee te nemen.
Het voorgaande leidt ertoe dat [eiseres] naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aan [gedaagde 1] – naast uitkering aan hem van de in depot bij de notaris en de deurwaarder gehouden bedragen van € 51.625,04 respectievelijk € 7.500,00 en het in de eiswijziging genoemde bedrag van € 2.148,70 – de volgende bedragen moet voldoen:
€ 1.000,00 aan verbeurde dwangsommen
€ 13.388,15 aan veilingkosten, notariskosten en kadastrale kosten
€ 151,04 aan executiekosten [naam]
€ 6.776,00 aan kosten Van Buuren
€ 21.315,19
Zoals hiervoor al is overwogen kon [gedaagde 1] vanwege het uitblijven van de tijdige betaling overgaan tot het treffen van executiemaatregelen. Een belangenafweging brengt echter mee dat, indien en zodra [eiseres] het bedrag van in totaal € 82.588,93 (€ 51.625,04 + € 7.500,00 + € 2.148,70 + € 21.315,19) aan [gedaagde 1] heeft doen betalen, [gedaagde 1] de op grond van het Amsterdamse arrest gelegde executoriale beslagen opheft en daarmee de executieveiling stopt. De vordering onder 1 wordt dus onder voorwaarde van betaling toegewezen. De voorzieningenrechter acht het, gelet op de actief bestaande procedeerbereidwilligheid van (in elk geval ook) [gedaagde 1] , redelijk om hieraan, anders dan is gevorderd, een eenmalige, gematigde, dwangsom te verbinden. Daarbij past verder dat [gedaagde 1] , na opheffing, ook direct tot doorhaling van de beslagen in het Kadaster overgaat. Het onder 2 gevorderde executieverbod van het onherroepelijke Amsterdamse arrest is te absoluut geformuleerd en wordt daarom afgewezen. Die vordering ligt, zo begrijpt de voorzieningenrechter, bovendien nog voor in het appel tegen het Rotterdamse vonnis en komt in zoverre neer op een verkapt appel waarvoor in dit kort geding, mede gelet op het prognoseverbod, geen plaats is.
Over vordering 3 van [eiseres] wordt het volgende overwogen. Voor die vordering geldt dat de executie van het Rotterdamse vonnis, dat niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard is, op grond van de wet geschorst is als gevolg van het ingestelde appel. Dat betekent dat er niets te executeren valt. Waarom er dan een executieverbod moet worden uitgesproken, is gesteld noch onderbouwd. Voor het overige verwijst de voorzieningenrechter naar wat hiervoor in 5.6. is overwogen (niet aannemelijk is dat het doen van het aanhoudingsverzoek in de artikel 474g Rv-procedure het verbeuren van dwangsommen tot gevolg heeft en vooralsnog is niet aannemelijk dat [eiseres] 5.4 van het Rotterdamse vonnis heeft overtreden. Ten overvloede wordt daaraan toegevoegd dat in dit kort geding de nodige stukken zijn overgelegd verband houdend met de veroordeling in 5.4. zodat in ieder geval niet zonder meer aannemelijk is dat dwangsommen verbeurd zijn). Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling van [eiseres] of [gedaagde 1] in de proceskosten in conventie. Gelet op de gewezen relatie tussen partijen en de proceshouding van beide partijen acht de voorzieningenrechter een compensatie van de proceskosten passend. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen.
De vordering van [eiseres] tegen de notaris
In de verwachting dat [eiseres] voldoet aan de aan haar opgelegde verplichting om tot betaling van € 82.588,93 aan [gedaagde 1] over te gaan, onmiddellijk waarna [gedaagde 1] verplicht is de uit hoofde van het Amsterdamse arrest gelegde executoriale beslagen op te heffen en de executieveiling te doen stoppen, wordt de eveneens voldoende spoedeisend geachte vordering van [eiseres] tegen de notaris toegewezen. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de positie van de notaris in het rechtsverkeer en zijn toezegging dat hij aan een veroordelend vonnis zal voldoen, geen noodzaak om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. Van de notaris is – terecht – geen proceskostenveroordeling gevraagd.
In reconventie
Op dezelfde grond als in 5.10 verwoord worden ook in reconventie de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
Tegen [gedaagde 1]
veroordeelt [gedaagde 1] om alle door hem ten laste van [eiseres] op grond van het Amsterdamse arrest gelegde executoriale beslagen volledig op te heffen en de executieveiling van 19 maart 2026 stop te zetten, onmiddellijk nadat [eiseres] een bedrag van in totaal € 82.588,93 aan [gedaagde 1] heeft doen overmaken, rechtstreeks dan wel (mede) vanuit het depot gehouden door de notaris en de deurwaarder,
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 150.000,00 ineens als hij niet aan de veroordeling onder 6.1. tot opheffing van de op grond van het Amsterdamse arrest ten laste van [eiseres] gelegde executoriale beslagen en het stopzetten van de executieveiling op 19 maart 2026 voldoet,
verklaart 6.1. en 6.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure in conventie, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af,
Tegen de notaris
veroordeelt de notaris om de in opdracht van [gedaagde 1] ingezette executie van het Amsterdamse arrest door middel van de online executieveiling van de woning aan [adres] te staken en gestaakt te houden, zodra hij van [eiseres] of haar advocaat bericht heeft ontvangen dat betaling van € 82.588,93 aan [gedaagde 1] heeft plaatsgevonden,
verklaart 6.6. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie: tegen [eiseres]
wijst de vorderingen af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026. 1734/2009