RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714902 / KG ZA 26-153
Vonnis in kort geding van 6 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres] ,
te Amsterdam,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mrs. M. Hoogenboom en M.P.V. den Engelsman,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] ,
te Rotterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.H.F. van Buuren.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 februari 2026- de akte overlegging producties 1 tot en met 8 van [eiseres] - de mondelinge behandeling van 25 februari 2026, waarvan aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiseres]- de pleitnota van [gedaagde] .
De akte overlegging producties 1 tot en met 6 tevens houdende reconventionele vorderingen is in deze procedure op naam van [naam 1] ingediend. [naam 1] is geen partij in dit kort geding. Daarom wordt dit stuk met bijbehorende producties buiten beschouwing gelaten. Anders dan mr. Van Buuren beweert, blijkt uit het digitaal dossier van dit kort geding niet dat daarin enig stuk op naam van [gedaagde] is ingediend en evenmin van een bevestiging daarvan op 18 februari 2026. In het verlengde van het voorgaande wordt ook geen acht geslagen op de door [eiseres] ingediende conclusie van antwoord in reconventie. In de kop van het vonnis is dit verwerkt.
2. De feiten
[eiseres] en [naam 1] , de dga van [gedaagde] , hebben een affectieve relatie gehad die in 2018 is geëindigd. Gedurende deze relatie hebben [eiseres] en [naam 1] ( [naam 1] al dan niet via [gedaagde] ), ieder voor de helft, vijftien onroerende zaken in Rotterdam in gezamenlijke eigendom verkregen. Die panden zijn bestemd voor de commerciële verhuur.
Over de verdeling van deze gemeenschappelijke eigendom zijn sinds 2020 verschillende bodem- en kort gedingprocedures bij verschillende rechterlijke instanties gevoerd die hebben geleid tot verschillende vonnissen en arresten.
In dit kort geding gaat het om de executie van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bodemvonnis van 29 oktober 2025 van de rechtbank Amsterdam, waarbij [eiseres] is veroordeeld tot betaling van:
1) € 200.000,00 aan [gedaagde] , te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 2 december 2024 tot de dag van volledige betaling; en
2) de proceskosten van € 15.049,99 + € 92,00 en mogelijk bijkomende betekeningskosten.
Het vonnis is op 5 november 2025 aan [eiseres] betekend met bevel om uiterlijk binnen twee dagen daarna tot betaling over te gaan. [eiseres] heeft niet tijdig aan het betalingsbevel voldaan. [eiseres] is in hoger beroep gegaan.
Op 7 november 2025 heeft [gedaagde] uit kracht van het vonnis van 29 oktober 2025 ten laste van [eiseres] onder de ABN AMRO Bank N.V. executoriaal derdenbeslag laten leggen. Op 10 november 2025 zijn zeven aan [eiseres] in eigendom toebehorende onroerende goederen aan de PC Hooftstraat in Amsterdam in executoriaal beslag genomen en heeft [gedaagde] onder de ING Bank N.V. executoriaal derdenbeslag laten leggen. Ten slotte heeft [gedaagde] op 23 december 2025, eveneens uit kracht van het vonnis van 29 oktober 2025, ten laste van [eiseres] onder Gerechtsdeurwaarderskantoor Groot & Evers B.V. executoriaal derdenbeslag laten leggen.
Tussen partijen bestaat discussie over het door [eiseres] aan [gedaagde] op grond van het vonnis van 29 oktober 2025 verschuldigde totaalbedrag.
Volgens [eiseres] (en in eerste instantie ook [gedaagde] ) gaat het om een openstaand bedrag van € 236.616,30 (stand per 10 februari 2026). Volgens [gedaagde] gaat het inmiddels om een bedrag van (minimaal) € 243.597,02 (stand per 11 februari 2026). Partijen hebben getracht een regeling te bereiken, wat volgens [eiseres] niet en volgens [gedaagde] wel is gelukt.
3. Het geschil
[eiseres] vordert om bij vonnis, geheel uitvoerbaar bij voorraad:
alle door [gedaagde] gelegde executoriale beslagen die zij op grond van het vonnis van 29 oktober 2025 heeft gelegd ten laste van [eiseres] volledig op te heffen, onder de voorwaarde dat er een bedrag van in totaal € 236.616,30, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf de kwaliteitsrekening van gerechtsdeurwaarderskantoor Groot & Evers is overgeschreven op het namens [gedaagde] opgegeven bankrekeningnummer [rekeningnummer] , zulks met de bepaling dat de kosten die zijn verbonden aan het opheffen van de beslagen, zoals doorhalingskosten, door [gedaagde] aan [eiseres] vergoed moeten worden;
het [gedaagde] te verbieden om na de opheffing, zoals gevorderd onder sub 1, nadere beslag- en executiemaatregelen te treffen op grond van het vonnis van 29 oktober 2025, op straffe van het verbeuren van een dwangsom door [gedaagde] aan [eiseres] van in totaal € 500.000,00;
[gedaagde] te veroordelen, tegen voldoende bewijs van kwijting, tot betaling van de proceskosten aan [eiseres] .
[gedaagde] voert verweer.
4. De beoordeling
De aard van de vorderingen brengt mee dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat spoedeisend belang is ook niet betwist.
Vooropgesteld wordt dat tussen partijen vaststaat dat [eiseres] op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 29 oktober 2025 in elk geval een bedrag van € 236.616,30 aan [gedaagde] moet betalen. [eiseres] is niet tot tijdige betaling van dat bedrag aan [gedaagde] overgegaan. [gedaagde] kon en mocht daarom de bij het vonnis van 29 oktober 2025 door haar verkregen titel tenuitvoerleggen en meer specifiek ten laste van [eiseres] executoriale beslagen leggen en handhaven. Op het eerste gezicht is niet aannemelijk dat [gedaagde] daarmee misbruik van haar bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 3:13 BW heeft gemaakt.
In het kader van de executie van het vonnis van 29 oktober 2025 bestaat tussen partijen nog wel geschil over het antwoord op de vraag of [eiseres] ook nog een bedrag van € 6.980,72 is verschuldigd aan door [gedaagde] pas recent benoemde deurwaarders-kosten en kantoorkosten van zijn advocaat (en daarmee in totaal € 243.579,02).
De advocaat van [eiseres] heeft – kennelijk om de tussen partijen bestaande impasse te doorbreken – in zijn e-mail van 11 februari 2026 te 16:42 uur namens [eiseres] aan mr. Van Buuren, met de deurwaarder in de cc, een voorstel gedaan. Dat hield in dat [eiseres] bereid was het bedrag van € 243.579,02 aan [gedaagde] te betalen (voor het bedrag van € 6.980,72 onder protest van gehoudenheid daartoe), tegen onmiddellijke opheffing van alle uit hoofde van het vonnis van 29 oktober 2025 gelegde executoriale beslagen, waarbij de opheffingskosten voor rekening van [gedaagde] dienden te komen en het vonnis van 29 oktober 2025 na de betaling niet meer mocht worden geëxecuteerd.
Deurwaarder [naam 2] heeft namens [gedaagde] bij e-mail van 12 februari 2026 te 12:40 uur op dat voorstel gereageerd (met in de cc [naam 1] en mr. Van Buuren). [gedaagde] stelt zich in dit kort geding op het standpunt dat uit die e-mail blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de betaling van het bedrag van € 243.579,02 tegen opheffing van de uit hoofde van het vonnis van 29 oktober 2025 gelegde beslagen. [eiseres] betwist terecht dat op dat moment sprake was van overeenstemming. In de e-mail van 12 februari 2026 van de deurwaarder staat immers: “Zie bijlage. Dun geeft aan dat als hij over € 243.579,02 en mijn kosten ad € 1500,-- kan beschikken (rente pro memorie) hij de beslagen in dit dossier door mij zal laten opheffen”. Hieruit blijkt dat het aanbod van [eiseres] namens [gedaagde] niet zonder meer is aanvaard, maar dat daarop geantwoord is door het doen van een tegenvoorstel (‘akkoord onder de aanvullende voorwaarde van betaling van nog eens
€ 1.500,00 (extra)’). Dat tegenvoorstel heeft [eiseres] niet geaccepteerd. Dit blijkt o.a. uit de reactie van haar advocaat in de e-mail van 12 februari 2026 te 13:33 uur. Op de andere voorwaarden in het voorstel van [eiseres] is namens [gedaagde] niet instemmend of afwijzend gereageerd. Dat leidt tot het (voorlopige) oordeel dat van volledige en onvoorwaardelijke overeenstemming geen sprake was. Dat [gedaagde] achteraf stelt dat de woorden van de deurwaarder in de e-mail anders hadden moeten worden geïnterpreteerd, omdat het bedrag van € 1.500,00 al begrepen was in de betalingsspecificatie en niet apart verschuldigd was, maakt het voorgaande niet anders.
Bij het voorgaande komt nog dat [gedaagde] ook onvoldoende concreet en met stukken onderbouwd heeft doen blijken dat zij op grond van het vonnis van 29 oktober 2025 een titel heeft voor inning van het meerdere bedrag van € 6.980,72. Dat daarvoor een titel ontbreekt is namens [gedaagde] ter zitting uiteindelijk ook wel erkend.
De conclusie luidt dat [eiseres] op grond van het vonnis van 29 oktober 2025 aan [gedaagde] naar voorlopig oordeel alleen het bedrag van € 236.616,30 moet betalen. Zoals hiervoor al is overwogen kon [gedaagde] vanwege het uitblijven van de tijdige betaling van dat bedrag executoriale beslagen laten leggen. Echter, indien en zodra [eiseres] het bedrag van € 236.616,30 aan [gedaagde] heeft betaald, moet [gedaagde] de ten laste van [eiseres] gelegde executoriale beslagen opheffen. Rekening houdend met de belangen van beide partijen wordt de opheffingsvordering dus onder voorwaarde van betaling toegewezen. Daarbij past verder dat [gedaagde] , na opheffing, ook direct tot doorhaling van de beslagen in het Kadaster overgaat en dat de opheffingskosten, waaronder ook de kosten van doorhaling, voor haar rekening komen.
Omdat er een hoger beroep tegen het vonnis van 29 oktober 2025 loopt en dus het prognoseverbod geldt, wordt het onder 2 gevorderde beslagverbod, mede bezien in het licht van overweging 4.4, in zoverre toegewezen dat het [gedaagde] verboden wordt om uit hoofde van het vonnis van 29 oktober 2025 1) in de periode totdat eindarrest is gewezen in het hoger beroep of 2) totdat partijen een regeling hebben getroffen, ten laste van [eiseres] beslag te doen leggen. De voorzieningenrechter acht het, gelet op de actief bestaande procedeerbereidwilligheid van (in elk geval ook) [gedaagde] , redelijk om hieraan een eenmalige, gematigde, dwangsom te verbinden.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling van één van partijen in de proceskosten. Gelet op de gewezen relatie tussen partijen en de proceshouding van beide partijen acht de voorzieningenrechter een compensatie van de proceskosten passend. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om alle door haar ten laste van [eiseres] op grond van het vonnis van 29 oktober 2025 op 7 november, 10 november en 23 december 2025 gelegde executoriale beslagen volledig op te heffen, onmiddellijk nadat er een bedrag van in totaal
€ 236.616,30 vanaf de kwaliteitsrekening van gerechtsdeurwaarderskantoor Groot & Evers is overgeschreven op het namens [gedaagde] opgegeven bankrekeningnummer [rekeningnummer] van [gedaagde] , met de bepaling dat de kosten die zijn verbonden aan het opheffen van de beslagen, zoals doorhalingskosten, door [gedaagde] worden voldaan,
verbiedt [gedaagde] om na de opheffing onder 5.1 nadere beslag- en executiemaatregelen te treffen op grond van het vonnis van 29 oktober 2025 totdat eindarrest in het hoger beroep daartegen is gewezen of partijen over hun geschil in die zaak een regeling hebben getroffen,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 150.000,00 ineens als zij niet aan de veroordeling onder 5.2 voldoet,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026. 1734/2009