ECLI:NL:RBROT:2026:2348

ECLI:NL:RBROT:2026:2348

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer C/10/708630 / HA ZA 25-914
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vonnis in incident. Relatieve onbevoegdheid. Afwijzing. Geen sprake van een geschil betreffende een arbeidsovereenkomst. Artikel 108 lid 2 Rv.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/708630 / HA ZA 25-914

Vonnis in incident van 4 maart 2026

in de zaak van

CRAWFORD & COMPANY (NEDERLAND) B.V.,

statutaire vestigingsplaats: Rotterdam,

eiseres in conventie in de hoofdzaak, verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J.G.M. Roijers,

tegen

[eiser] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak, eiser in reconventie in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. P.A.L. de Jong.

Partijen worden hierna Crawford en [eiser] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 1 oktober 2025, met bijlagen 1 tot en met 14;

de conclusie van antwoord, tevens inhoudende (a) een incidentele vordering tot onbevoegdverklaring en verwijzing en (B) een eis in reconventie, met bijlagen 1 tot en met 9;

de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.

2. Het geschil in de hoofdzaak in conventie

In de hoofdzaak vordert Crawford betaling van een boete van € 65.567,96 (met rente). Daaraan legt Crawford – sterk samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Crawford heeft op 1 oktober 2021 de aandelen van BosBoon Expertise Group B.V. (‘BosBoon’) overgenomen via een aandelenoverdracht (‘de Koopovereenkomst’). Ten tijde van de overdracht was [eiser] middellijk aandeelhouder van BosBoon. Partijen hebben in de Koopovereenkomst diverse afspraken gemaakt over de aandelenoverdracht, waaronder de verplichting dat [eiser] gedurende een periode van vijf jaren vanaf de overdracht van de aandelen in dienst blijft bij Crawford. [eiser] heeft deze afspraak geschonden door de arbeidsovereenkomst vroegtijdig te beëindigen. Daarom is [eiser] de in de Koopovereenkomst vermelde boete verschuldigd geworden.

[eiser] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering van Crawford, dan wel tot matiging van de gevorderde boete.

3. De beoordeling in het incident

Het geschil in het incident

[eiser] vordert in het incident dat de sector civiel van de rechtbank Rotterdam zich bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, met veroordeling van Crawford in de proceskosten in het incident (met rente). [eiser] legt – kort gezegd – het volgende ten grondslag aan zijn incidentele vordering. De vordering die Crawford in de hoofdzaak instelt, betreft de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. De boete die Crawford vordert, is namelijk direct gekoppeld aan het feit dat [eiser] zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en daarmee volgens Crawford de tussen hen gemaakte afspraken zou overtreden. Er is dus een duidelijk en direct verband met de arbeidsovereenkomst. Verder woont [eiser] in [woonplaats] . Dit alles brengt mee dat de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam bevoegd is om van de vordering van Crawford in de hoofdzaak kennis te nemen. Crawford voert verweer tegen de incidentele vordering.

Er is geen sprake van een zaak betreffende een arbeidsovereenkomst

Op grond van artikel 93 Rv worden – onder meer – door de kantonrechter behandeld en beslist zaken betreffende een arbeidsovereenkomst. Er is dan sprake van een zogenoemde aardvordering. Aardvorderingen zijn vorderingen die gelet op hun aard door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Het woord ‘betreffende’ brengt mee dat niet alleen vorderingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst als aardvorderingen worden aangemerkt, maar ook vorderingen die verband houden met een arbeidsovereenkomst. Echter, als de achterliggende arbeidsovereenkomst te ver verwijderd is van de vordering om nog te kunnen spreken van een geschil betreffende de arbeidsovereenkomst, dan is geen sprake van een aardvordering.

[eiser] stelt dat de vordering van Crawford in de hoofdzaak een aardvordering betreft. Ter onderbouwing van dat standpunt wijst [eiser] op het boetebeding in artikel 14.6 van de Koopovereenkomst. Dat artikel luidt:

14.6 Provided an ultimate beneficiary owner of the Sellers, being (…) Mr. [eiser] , (i) is being dismissed as an employee of the Company within the period between 31 December 2023 and five years from Completion, and in case of Mr. [naam] within the period between 31 December 2023 and 31 December 2024, as a result of such employee being qualified as a Bad Leaver, or (ii) has resigned within the respective period other than on grounds set forth in clause 4.3, such employee immediately forfeits a penalty payable to the Purchaser for the amount equal to his gross wages, or equivalent contracting fees, paid or due in the six months prior to dismissal or resignation, as the case may be.”.

[eiser] stelt dat de boetebepaling, waarin op meerdere plekken wordt gesproken over “employee”, aantoont dat Crawford de boete direct in verband brengt met het werknemerschap van [eiser] . Volgens [eiser] wordt dit verband temeer onderstreept doordat de hoogte van de boete is gekoppeld aan het maandsalaris van [eiser] (een werknemer) en het feit dat Crawford de boete heeft verrekend met het aan [eiser] verschuldigde salaris. Volgens [eiser] is dan ook sprake van een aardvordering en brengt dit met zich dat de forumkeuze, zoals opgenomen in artikel 26.1 van de Koopovereenkomst, geen gelding heeft in dit specifieke geschil. Dit brengt volgens [eiser] met zich dat de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam op grond van artikel 93 sub c Rv in samenhang met de artikelen 99 lid 1 en 100 Rv bevoegd is om dit geschil te behandelen en te beslissen.

Crawford voert verweer tegen de incidentele vordering. Volgens Crawford zijn de vorderingen in de hoofdzaak gebaseerd op overtreding door [eiser] van artikel 14.6 van de Koopovereenkomst. Bij de overname door Crawford van de aandelen van [eiser] in BosBoon heeft [eiser] zich verbonden aan diverse ‘POST COMPLETION COVENANTS’. Eén van die verplichtingen was om gedurende een periode van vijf jaren na ‘Closing’ van de Koopovereenkomst als werknemer verbonden te blijven aan Crawford. De niet-nakoming van deze verplichting – die zijn basis vindt in de Koopovereenkomst – is de grondslag voor de vordering van Crawford in de hoofdzaak. Dit brengt mee dat het forumkeuzebeding in artikel 26.1 van de Koopovereenkomst in deze zaak geldt en dat Team handel en haven van de rechtbank Rotterdam bevoegd is om van de vordering van Crawford kennis te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering in de hoofdzaak in een te ver verwijderd verband staat tot de arbeidsovereenkomst van [eiser] om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van een vordering “betreffende” een arbeidsovereenkomst. In de hoofdzaak is niet de arbeidsovereenkomst in geschil, zoals Crawford terecht aanvoert, maar de afspraak die is neergelegd in artikel 14.6 van de Koopovereenkomst. In dat artikel wordt weliswaar verwezen naar de arbeidsovereenkomst voor wat betreft het moment waarop een boete verschuldigd raakt en de hoogte van die boete, maar dat is te weinig om tot de conclusie te komen dat de vordering van Crawford in de hoofdzaak die arbeidsovereenkomst betreft.

Omdat geen sprake is van een geschil betreffende een arbeidsovereenkomst, wordt het forumkeuzebeding in artikel 26.1 van de Koopovereenkomst niet geblokkeerd door artikel 108 lid 2 Rv. Dat forumkeuzebeding geldt dus in de hoofdzaak. Op grond daarvan is het Team handel en haven van de rechtbank Rotterdam bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak.

De conclusie

De conclusie is dan ook dat de incidentele vordering wordt afgewezen.

[eiser] moet de proceskosten betalen

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in het incident. De proceskosten in het incident van [eiser] worden begroot op:

- salaris advocaat € 653,00

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 842,00

Uitvoerbaarheid bij voorraad

De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4. De beslissing

De rechtbank:

in het incident

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten in het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan is [eiser] € 98,00 extra verschuldigd, plus de kosten van betekening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van 18 maart 2026 voor beraad rolrechter over het plannen van een mondelinge behandeling;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

[4041/3669]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rol

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0465 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0465
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand