Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-240216-25
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Datum zitting: 23 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] in [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. J. van Wingerden
Officier van justitie: mr. N.A. van Manen
Benadeelde partij: [benadeelde partij] (niet aanwezig op de zitting)
Advocaat van de benadeelde partij: mr. A. Bootsma
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van het verkrachten van de aangeefster. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van geweld of dwang. De verdachte wordt veroordeeld voor het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefster terwijl zij sliep en daarmee in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 61 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uur. De gevorderde schadevergoeding zal niet inhoudelijk worden beoordeeld omdat niet zonder meer is vast te stellen dat de schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde feit.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – de aangeefster, [aangeefster] (hierna ook genoemd: [aangeefster]), heeft verkracht, dan wel haar lichaam seksueel heeft binnengedrongen terwijl zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1. primair
hij op of omstreeks 16 juni 2024 te Zwijndrecht door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten- het (met kracht) duwen van zijn hand op de mond van [aangeefster],- het (vervolgens) brengen/duwen van een buisje met verdovende middelen althans een bedwelmende stof, in een van de neusgaten van die [aangeefster],- het met een onbekend voorwerp afknijpen van de luchtwegen althans keel van die [aangeefster], waardoor die [aangeefster] geen lucht kreeg en/of buiten bewustzijn is geraakt;die [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], te weten het brengen en/of bewegen van zijn penis in de vagina en/of anus van die [aangeefster];
1. subsidiair
hij omstreeks 16 juni 2024 te Zwijndrecht met [aangeefster], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], te weten het brengen en/of bewegen van zijn penis in de vagina en/of anus van die [aangeefster].
2. Beoordeling van de beschuldiging
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor feit 1 primair. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak (feit 1 primair)
Het primaire feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Bij het doen van haar aangifte heeft de aangeefster verklaard dat zij in de ochtend van 16 juni 2024 werd gedrogeerd door de verdachte en dat zij in de middag door hem werd verkracht en dat zij geen flauw idee heeft hoe laat dat was. Zij gokt dat zij rond een uur of 4:00 of 5:00 in de ochtend door de verdachte werd gedrogeerd en dat zij wakker werd om een uur of 14:00/14:30 met de verdachte die, zo begrijpt de rechtbank gegeven de context van deze verklaring, op dat moment seksueel bij haar was binnengedrongen. Het is op basis van de aangifte dus niet duidelijk hoeveel tijd er heeft gezeten tussen het toedienen van de ketamine in de ochtend en het seksueel binnendringen in de middag en het dossier geeft ook overigens geen informatie daarover. Het is een feit van algemene bekendheid dat ketamine een korte werkingsduur van een aantal uur heeft. Het is aldus zeer de vraag of de aangeefster ten tijde van het seksueel binnendringen door de verdachte nog zodanig onder invloed van de eerder toegediende ketamine was dat zij zich vanwege het toedienen daarvan niet heeft kunnen verzetten tegen of onttrekken aan het seksueel binnendringen door de verdachte. Aldus kan niet bewezen worden dat er sprake is geweest van dwang in de zin van artikel 242 Sr (oud) door het toedienen van ketamine door de verdachte.
Vast is komen te staan dat met wederzijds goedvinden de seksuele relatie tussen de verdachte en de aangeefster gepaard ging met een zekere mate van geweld (BDSM). Volgens de aangeefster was daarbij (onder meer) afgesproken dat, anders dan adembeperking, haar luchtweg niet dicht mocht en dat zij niet out mocht gaan en heeft zij, toen de verdachte eens een touw om haar nek deed, gelijk gezegd dat zij dat niet wilde.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niets weet van deze afspraken en dat hij de aangeefster vaker chookte met de hand of met een touw. Hij deed dan zijn hand op haar keel, bond haar handen op haar rug en deed een touw om haar nek. Volgens de verdachte had de aangeefster ook een halsband die zij veel gebruikten. De verdachte heeft verklaard niet te weten of de aangeefster dan out ging. De verklaring van de verdachte wordt op onderdelen ondersteund door de verklaring van [naam], met wie de verdachte en de aangeefster in de nacht van 15 op 16 juni 2024, direct voorafgaand aan de gebeurtenissen waarvan de verdachte wordt beschuldigd, een seksafspraak hadden. Uit de verklaring van [naam] volgt dat tijdens de seks tussen de verdachte en de aangeefster de verdachte de keel van de aangeefster dichtkneep en dat zij out ging en dat de aangeefster, nadat zij weer was bijgekomen, op de vraag van [naam] of het wel ging, zei: “nee, gaat helemaal goed'.
Eén en ander maakt dat niet is komen vast te staan dat door het met een voorwerp afknijpen van de luchtwegen of de keel van de aangeefster waardoor zij geen lucht kreeg en/of buiten bewustzijn raakt, buiten de grenzen werd getreden die binnen de relatie tussen de verdachte en de aangeefster van toepassing waren. Er is dus niet komen vast te staan dat de verdachte door zo te handelen de aangeefster met geweld heeft gedwongen tot de handelingen zoals bedoeld in artikel 242 Sr (oud).
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen (feit 1 subsidiair)
Bewezen is dat:
Feit 1 subsidiair
hij omstreeks 16 juni 2024 te Zwijndrecht met [aangeefster], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van, verminderd bewustzijn verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], te weten het brengen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster].
De bewezenverklaring van feit 1 subsidiair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik had een seksuele relatie met [aangeefster]. Dit was ook zo rond de periode van 15 en 16 juni 2024. In die nacht was ik ook in het huis van [aangeefster]. Het klopt dat de Whatsappgesprekken, opgenomen in het proces-verbaal op pagina 30 tot en met 65 van het dossier, gesprekken zijn tussen [aangeefster] en mij.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster]
A: Op 16 juni 2024 ben ik in de vroege ochtend gedrogeerd door [verdachte]. Ik werd wakker. Ik voelde druk op mijn rug, net of hij bovenop me lag of zat. Hij had zijn hand over mijn mond. Met zijn duim had hij mijn neusgat dichtgedrukt. Snuifbuisje in mijn andere neusgat. Hij had iets. Achteraf ben ik er achter gekomen dat het ketamine was. Hij zei: “snuiven nou, daar wordt je rustig van”. Ik kreeg geen adem. Ik kon niet anders. Ik moest wel, hij liet niet los. Toen ben ik gelijk naar boven gegaan. Toen ben ik gelijk in slaap gevallen op bed. Ik heb alleen maar liggen slapen die dag, ik was er gewoon niet. Toen ik in de middag op 16 juni 2024 in bed lag, werd ik ineens wakker. Hij zat in mij.
V: Je zegt hij zat in me, wat zat er in je?A: Met zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel.
3. Proces-verbaal van de politie
[aangeefster] gaf haar telefoon ter inbeslagname ter waarheidsvinding. [aangeefster] heeft screenshots gemaakt van gesprekken tussen haar en de [verdachte].
Uitgaand bericht: “En dan nog wat heeft dat te maken met wat jij zondag deed”
(…)
Uitgaand bericht: “En later in bed werd ik wakker met jou in mij.”
(…)
Uitgaand bericht: “Je hebt mij gedwongen tot drugs gebruik… Dat heeft alles veranderd”
(…)
Inkomend bericht: "Seksueel misbruik of verkrachting en ket laten snuiven toen je half aanwezig was (of helemaal weg was)"
(…)
Inkomend bericht: “Ik heb je geen drugs gegeven met het idee dat ik daarna met je aan de gang kon gaan of wat dan ook” “Ik dacht dat je je onrustig voelde oid zoals ik het me herinner. Angstig. Ik heb heel vaak in je slaap gemerkt dat je pijn hebt”
(…)
Inkomend bericht: “Het was overigens echt een nakkie niet veel (VERANDERT NIKS AAN HET FEIT, maar ik bedoel het was niet met de bedoeling je plat te leggen of wat dan ook. Ik wilde dat je geen pijn meer had want dat deed mij pijn)”
(…)
Inkomend bericht: “T idee dat je het lekker vond om zomaar genomen te worden in de nacht zat misschien in mn hoofd.”
Bewijsmotivering
De rechtbank is van oordeel dat de aangeefster op essentiële onderdelen van de tenlastelegging, te weten het seksueel binnendringen van haar lichaam door de verdachte, terwijl zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, concreet, gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Dat de aangeefster, zoals de verdediging stelt, ondergeschikte onderdelen (die niet zien op de kern van het verwijt) zich soms niet meer wist te herinneren, maakt dat niet anders. Daarbij speelt mee dat zij enige tijd na het ten laste gelegde is gehoord. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Het verweer van de verdediging wordt daarmee verworpen.
De aangifte van de aangeefster wordt in voldoende mate en op essentiële onderdelen van de tenlastelegging ondersteund door de verklaring van de verdachte en het contact op Whatsapp tussen de aangeefster en de verdachte (vlak) na het ten laste gelegde feit. Vaststaat dat de verdachte en de aangeefster een seksuele relatie hadden ten tijde van het ten laste gelegde feit. In de Whatsappgesprekken is te lezen dat de verdachte en de aangeefster kort na zondag 16 juni 2024 spreken over wat er die dag is gebeurd. Zij spreken onder meer over het hebben van seks en het gebruik van ketamine.
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 16 juni 2024 seksueel is binnengedrongen in het lichaam van de aangeefster door zijn penis in haar vagina te brengen. Dit heeft hij gedaan terwijl de aangeefster op dat moment sliep. Daarmee verkeerde de aangeefster in een staat van verminderd bewustzijn. De aangeefster is daardoor niet in staat geweest haar wil omtrent het seksueel binnendringen kenbaar te maken, dan wel hiertegen weerstand te bieden. De rechtbank sluit daarbij niet uit dat de aangeefster in een diepere slaap verkeerde dan normaal door de aan haar door de verdachte toegediende ketamine. Dat maakt ook dat, als de aangeefster het onder normale omstandigheden geen probleem zou vinden dat de verdachte tijdens haar slaap seks met haar zou starten, dat in dit geval anders zou kunnen zijn. De verdachte wist dat de aangeefster in een dergelijke toestand zou kunnen verkeren, nu hij haar ketamine had laten gebruiken. Het subsidiair ten laste gelegde feit zal daarom bewezen worden verklaard.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 subsidiair
met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor feit 1 primair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
Verzocht wordt om in geval van een veroordeling van de verdachte bij het bepalen van de straf rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefster terwijl zij sliep. In de ochtend hieraan voorafgaand heeft de verdachte de aangeefster gedwongen ketamine te snuiven. De verdachte heeft door zo te handelen ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens misbruik gemaakt van de onmachtige situatie waarin de aangeefster verkeerde. Daarbij komt dat haar dit is aangedaan door de persoon met wie zij in die tijd een seksuele relatie had en bij wie zij dus veilig had moeten zijn. De verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke, psychische en seksuele integriteit van de aangeefster.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 27 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 16 februari 2026 staat onder meer het volgende. De reclassering ziet mogelijke risicofactoren op het gebied van seksualiteit, middelengebruik en psychosociaal functioneren. Omdat de verdenking meer dan anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden, de verdachte en de aangeefster elkaar niet spreken, de verdachte first offender is en de problemen van de verdachte niet substantieel zijn, ziet de reclassering momenteel echter geen noodzaak tot het inzetten van interventies, gericht op het verminderen van het (beneden gemiddelde) recidiverisico. Daarnaast heeft de verdachte een nieuwe relatie, waarbij er zich geen problemen lijken voor te doen op het gebied van seksualiteit en het respecteren van grenzen. Bij een veroordeling wordt daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte is gestopt met het gebruik van verdovende middelen, werkt op een zorgboerderij, geeft huiswerkbegeleiding en heeft een Wajong-uitkering.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf en een taakstraf passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 61 dagen. Van deze gevangenisstraf worden 60 dagen voorwaardelijk opgelegd. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht de rechtbank een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf onwenselijk. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Daarnaast wordt een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uur opgelegd. Omdat de rechtbank niet het primaire feit maar het subsidiaire feit bewezen acht, wordt er een lagere straf opgelegd dan door de officier van justitie is geëist.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij € 16.167,64 als vergoeding voor materiële schade en € 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie merkt op dat de vordering van de benadeelde partij is onderbouwd met relevante stukken en refereert zich ten aanzien van die vordering aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij dient primair niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak voor het ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair dient de immateriële schade aanzienlijk te worden gematigd, omdat niet duidelijk is welke schadeposten het directe gevolg zijn van het ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de materiële schade refereert de verdediging zich voor wat betreft de reiskosten naar KJP Zorg aan het oordeel van de rechtbank. De reiskosten naar het Albert Schweitzer Ziekenhuis, de medische kosten en de overige kosten dienen te worden afgewezen, omdat er geen rechtstreeks verband is met het ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank onderkent dat de aangeefster kampt met ernstige en belastende lichamelijke en psychische klachten. Het is echter niet zonder meer vast te stellen dat en in hoeverre deze klachten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezen verklaarde strafbare feit. Uit de door de aangeefster overgelegde medische rapportages kan worden opgemaakt dat in ieder geval ook andere oorzaken aan het beschreven ziektebeeld hebben bijgedragen. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 243 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair, zoals omschreven in paragraaf 2.3.2, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 61 (éénenzestig) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 60 (zestig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. J.F. Koekebakker en M. Hulshof, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 9 maart 2026.