RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/706782 / HA ZA 25-813
Vonnis in incident van 7 januari 2026
in de zaak van
MAX CROWDFUND SECURITY TRUSTEE FOUNDATION,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak, verwerende partij in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. S.J. Mijdam,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Duisburg (Duitsland),
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak, eisende partij in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. D.G.A. Rossi.
Partijen worden hierna MCSTF en [gedaagde] genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 18 juni 2025, met bijlagen 1 tot en met 15;
de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie houdende de exceptie van het ontbreken van rechtsmacht ex artikel 11 Rv alsmede voorwaardelijke eis in reconventie, met bijlagen 1 tot en met 4;
de conclusie van antwoord in incident houdende de exceptie van het ontbreken van rechtsmacht ex artikel 11 Rv.
2. De beoordeling in het incident
Het geschil in de hoofdzaak
MCSTF vordert in de hoofdzaak betaling van € 462.800,00 (met rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten), met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten (met rente). MCSTF legt aan haar vorderingen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. MCSTF en de vennootschap van [gedaagde], [bedrijf] ([bedrijf]), hebben een geldleningsovereenkomst gesloten. MCSTF heeft de geldlening verstrekt aan [bedrijf] ten behoeve van de aankoop en ontwikkeling van een vastgoedobject in Duisburg (Duitsland). [gedaagde] heeft zich door het aangaan van een “Personal Guarantee Agreement” van 18 juli 2023 (de garantstellingsovereenkomst)
persoonlijk garant gesteld voor de terugbetaling van de geldlening tot een maximumbedrag van € 462.800,00. [bedrijf] is haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst niet nagekomen en verkeert in verzuim. Daardoor is de geldlening op grond van de overeengekomen voorwaarden volledig opeisbaar geworden, maar de geldlening is tot op de dag van vandaag niet terugbetaald. MCSTF spreekt [gedaagde] daarom aan op grond van de garantstellingsovereenkomst. MCSTF heeft gesteld dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is om van de vordering tegen [gedaagde] kennis te nemen, omdat in de garantstellingsovereenkomst een forumkeuze is opgenomen voor de rechtbank Rotterdam.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de vorderingen van MCSTF, met veroordeling van MCSTF in de proceskosten (met rente). Daarnaast vordert [gedaagde] in voorwaardelijke reconventie, indien de rechtbank enig deel van de vorderingen van MCSTF zou toewijzen, vernietiging van de tussen partijen gesloten (borgtocht)overeenkomst wegens dwaling en een verklaring voor recht dat de tussen partijen gesloten (borgtocht)overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd door de echtgenote van [gedaagde].
Het geschil in het incident
[gedaagde] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen, althans om MCSTF in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van MCSTF in de proceskosten (met rente). [gedaagde] legt aan zijn vordering – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. [gedaagde] kwalificeert ten aanzien van de tussen partijen gesloten overeenkomst als een consument. Op grond van artikel 18, lid 2, Brussel I bis moet een rechtsvordering tegen een consument worden ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de consument woont. [gedaagde] woont in Duitsland en daarom is de Duitse rechter bevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen.
In (een addendum bij) de geldleningsovereenkomst tussen MCSTF en [bedrijf] is een forumkeuzebeding opgenomen voor de “German Courts”. De omstandigheid dat de Duitse rechter op grond van een forumkeuzebeding bevoegd is om kennis te nemen van geschillen over de geldleningsovereenkomst tussen MCSTF en [bedrijf], maakt dat de Duitse rechter ook kennis moet nemen van de vorderingen tegen [gedaagde] in de hoofdzaak die zijn gegrond op de garantstellingsovereenkomst. In dit verband verwijst [gedaagde] naar artikel 30 Brussel I bis en stelt hij dat sprake is van connexiteit. Ook op die grond is de rechtbank onbevoegd, aldus [gedaagde].
MCSTF voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel tot afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten (met rente).
De vordering in het incident wordt afgewezen
[gedaagde] stelt in het incident de internationale bevoegdheid van deze rechtbank aan de orde. Die internationale bevoegdheid moet worden beoordeeld op grond van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (Brussel I bis). Die verordening is immers materieel, formeel en temporeel van toepassing.
[gedaagde] beroept zich in de eerste plaats op artikel 18 lid 2 Brussel I bis. Daarin staat het volgende:
“De rechtsvordering die tegen de consument wordt in gesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”.
Aan het begrip “consument” in het hiervoor geciteerde artikel moet met het oog op de eenvormige toepassing van Brussel I bis in alle lidstaten een autonome uitleg worden gegeven. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet voor het begrip “consument” aansluiting worden gezocht bij de positie van deze persoon in een bepaalde overeenkomst, rekening houdend met de aard en het doel daarvan, maar niet met de subjectieve situatie van die person. Onder de bijzondere regeling ter bescherming van de consument als zwakkere partij vallen overeenkomst die, los en onafhankelijk van enige beroepsmatige activiteit of doelstelling, uitsluitend worden gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier, terwijl deze bescherming in het geval van overeenkomsten met een beroepsmatig doel niet gerechtvaardigd is (zie HvJEU 20 januari 2005, ECLI:EU:C:2004:32).
De rechtbank is van oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij [gedaagde] zich garant heeft gesteld voor de door MCSTF een [bedrijf] verstrekte geldlening, niet kwalificeert als een overeenkomst die, los en onafhankelijk van enige beroepsmatige activiteit of doelstelling, uitsluitend is gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier, zoals hiervoor bedoeld. Deze overeenkomst heeft [gedaagde] immers niet gesloten om (uitsluitend) te voorzien in zijn consumptiebehoeften als particulier, maar om te bewerkstelligen dat MCSTF de onderneming van [gedaagde] ([bedrijf]) een geldlening zou verstrekken waarmee (de onderneming van) [gedaagde] een stuk grond wilde kopen om daar enkele woningen op te laten bouwen. Uit de stelling van [gedaagde] dat het de bedoeling was dat hij één van die woningen zelf zou gaan bewonen, leidt de rechtbank af dat het ook de bedoeling was om de andere woningen anderszins te gebruiken, bijvoorbeeld om te verkopen of te verhuren. Dit onderstreept dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet uitsluitend is gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van [gedaagde]. Het beroep van [gedaagde] op artikel 18 lid 2 Brussel I bis gaat dan ook niet op.
[gedaagde] beroept zich ook op artikel 30 Brussel I bis. Daarin staat het volgende:
“1. Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.
2. Indien de vordering bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht in eerste aanleg aanhangig is, kan elk ander gerecht, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de betreffende vorderingen kennis te nemen en zijn wetgeving de voeging ervan toestaat.
3. Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.”.
De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat omdat de Duitse rechter bevoegd is om kennis te nemen van geschillen over de tussen MCSTF en [bedrijf] gesloten geldleningsovereenkomst, de Duitse rechter ook (op grond van artikel 30 Brussel I bis) bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat artikel 30 Brussel I bis van toepassing is in het geval dat voor gerechten van verschillende lidstaten samenhangende vorderingen aanhangig zijn, terwijl [gedaagde] zelf stelt dat – voor zover bekend – geen vordering met betrekking tot de geldleningsovereenkomst aanhangig is gemaakt voor de Duitse rechter. Alleen al daarom mist artikel 30 Brussel I bis in deze zaak toepassing. Dat de Duitse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van geschillen over de tussen MCSTF en [bedrijf] gesloten geldleningsovereenkomst, doet er verder niet aan af dat de vorderingen in de hoofdzaak hun oorsprong vinden in de tussen partijen gesloten garantstellingsovereenkomst en dat deze rechtbank op grond van een forumkeuzebeding in die overeenkomst internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak (artikel 25 lid 1 Brussel I bis). Daarbij is niet relevant dat [gedaagde] in het kader van zijn verweer in de hoofdzaak betoogt dat de geldleningsovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, althans dat die overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Dat is immers geen criterium dat volgens Brussel I bis een rol speelt bij de vraag welke rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot de tussen partijen gesloten overeenkomst.
De conclusie is dat deze rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van [gedaagde] in het incident zal afwijzen.
De proceskosten in het incident
[gedaagde] is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten van MCSTF in het incident worden begroot op:
- salaris advocaat € 614,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De proceskostenveroordeling en de veroordeling om daar wettelijke rente over te betalen worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3. De beslissing
De rechtbank:
in het incident
wijst de vordering af;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart de veroordelingen in 3.2. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 21 januari 2026 voor beraad rolrechter over het plannen van een mondelinge behandeling;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.3349 / 3669