Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/012553-25
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Datum zitting: 13 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2003 in [geboorteplaats 1],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. R. Moghni
Officier van justitie: mr. P.J. Wijnands
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte in de nacht van 28 op 29 februari 2024 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met het destijds dertienjarige slachtoffer, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Het beroep van de verdediging op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 121 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast wordt aan hem een taakstraf voor de duur van 240 uur opgelegd.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat -
op 28 februari 2024 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met het destijds dertienjarige slachtoffer, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 28 februari 2024 te Rotterdam, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2010, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten- het likken van de vulva van die [slachtoffer],- het brengen en/of bewegen van zijn vinger in de vagina en/of anus van die [slachtoffer],- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of- het brengen en/of bewegen van zijn penis in de vagina en/of anus, althans tussende schaamlippen van die [slachtoffer].
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het feit bij gebrek aan bewijs. De verklaringen van het slachtoffer zijn ongeloofwaardig en onbetrouwbaar en komen niet overeen met die van de verdachte. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met het slachtoffer, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting
Ik heb in de nacht van 28 op 29 februari 2024 seks gehad met [slachtoffer]. Ik heb haar vulva gelikt en mijn vinger bewogen in haar vagina. Ik heb mij door haar laten aftrekken en ik heb ook mijn eikel in haar vagina gestopt. Ik ben niet in haar anus geweest.
2. Proces-verbaal van aangifte [aangever] namens slachtoffer
Ik doe aangifte namens [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats 2].
De seks tussen verdachte en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden in de nacht van 28 op 29 februari 2024. Moeder vroeg aan [slachtoffer] of de verdachte bij haar naar binnen was geweest. [slachtoffer] zei “ja” en "ik zei nog nee."
3. Proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor Ik was weggelopen. Ik ging naar een goede vriend van mij in Rotterdam.
Samengevat verklaarde [slachtoffer] verder het volgende:
[slachtoffer] lag in het 1-persoons stapelbed op haar linkerschouder en ze keek naar de muur. Ze voelde dingen achter zich. Hij maakte rare bewegingen en ze had pijn bij haar bil. Ze keek naar achter en toen zag ze dat hij achter haar lag en dat hij naakt was. Hij had zijn arm om haar heen. Hij ging verder met die rare bewegingen. Later omschreef [slachtoffer] deze bewegingen als seksbewegingen waarbij hij heen en weer bewoog met zijn lichaam tegen haar lichaam aan. Zijn piemel is in haar geweest. Het deed pijn want ze was ook nog maagd. Ze weet niet hoever zijn piemel erin zat.
Bewijsmotivering
Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan de verdediging heeft bepleit, wel voldaan aan het bewijsminimum. De verdachte heeft de ontuchtige handelingen waarvan hij wordt beschuldigd bekend. Dat deed hij gelijk na het incident, en deed hij ter zitting opnieuw. Deze bekennende verklaringen van de verdachte worden in voldoende mate ondersteund door de verklaringen van het slachtoffer. Haar verklaringen over de ontuchtige handelingen komen niet 1 op 1 overeen met de verklaringen van de verdachte, hetgeen mogelijk het gevolg is van het feit dat zij, zoals uit het dossier blijkt, feitelijk over ontuchtige handelingen moest verklaren terwijl zij destijds 13 jaar oud was, met een IQ van ongeveer 68, en haar sociaal-emotionele ontwikkeling vergelijkbaar was met die van een kind van tussen de 3 en 7 jaar oud. Dat betekent echter niet dat haar verklaringen in hun geheel onbetrouwbaar zijn en niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Duidelijk wordt uit haar verklaringen in ieder geval dat de verdachte in de nacht van 28 op 29 februari ontuchtige handelingen met het slachtoffer heeft gepleegd. Over welke handelingen dat precies zijn heeft de verdachte zelf, zoals aangegeven, consistent en uitgebreid verklaard. Dat maakt dat de ontuchtige handelingen zoals deze ten laste zijn gelegd, wettig en overtuigend zijn bewezen.
Conclusie
Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij omstreeks 28 februari 2024 te Rotterdam, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2010, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die[slachtoffer], te weten- het likken van de vulva van die [slachtoffer],- het brengen en bewegen van zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer],- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer].
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld. Hiervan zou sprake zijn, omdat het slachtoffer in gesprekken met de verdachte op social media zou hebben aangegeven dat zij 17 of 18 jaar oud was. Verder zou het slachtoffer op 28 februari 2024 veel make-up en een outfit met panterprint hebben gedragen. Bovendien beschikte zij over twee mobiele telefoons, waarbij verdachte ervan uitging dat dit haar werktelefoon en een privé-telefoon betroffen. Ook hadden verdachte en het slachtoffer een gemeenschappelijke, meerderjarige vriendin, waardoor de verdachte ervan mocht uitgaan dat het slachtoffer ongeveer dezelfde leeftijd als die vriendin zou hebben.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de leeftijd in de delictsomschrijving van art. 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) is geobjectiveerd en dat niet is gebleken van aanknopingspunten waaruit volgt dat de verdachte ervan mocht uitgaan dat het slachtoffer ouder was dan zij daadwerkelijk was ten tijde van het strafbare feit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het beroep van de verdediging op afwezigheid van alle schuld als een beroep op feitelijke dwaling omtrent de leeftijd van het slachtoffer. De wetgever heeft de leeftijdsgrens van zestien jaren in artikel 245 (oud) Sr mede opgenomen ter bescherming van de lichamelijke en seksuele integriteit van deze groep van jonge mensen, die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien, en heeft met het oog daarop de leeftijd in deze delictsomschrijving geobjectiveerd. Artikel 245 (oud) Sr. beschermt deze jeugdige personen ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan. De strekking van de regeling leidt ertoe dat de ruimte voor een beroep op afwezigheid van alle schuld zeer beperkt is (HR 20 januari 1959, NJ 1959, 102 en 103) en slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gehonoreerd.
De ratio van art. 245 (oud) Sr maakt dat verdachte een zeer vergaande onderzoeksplicht had om de werkelijke leeftijd van het slachtoffer te achterhalen. Als het slachtoffer over haar leeftijd zou hebben gelogen ontslaat dit de verdachte niet van zijn eigen onderzoeksplicht. Het afgaan door verdachte op het uiterlijk van het slachtoffer en het trekken van conclusies over haar leeftijd op basis van zijn eigen interpretatie van de omstandigheden dat zij twee telefoons en een meerderjarige vriendin had, is hiervoor volstrekt onvoldoende. Het had op de weg van de verdachte gelegen om meer onderzoek te verrichten naar de werkelijke leeftijd van het slachtoffer. Het verweer dat sprake is van een verschoonbare dwaling omtrent de leeftijd van de slachtoffers wordt daarom verworpen.
Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met het destijds dertienjarige slachtoffer. Daarmee heeft hij inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de kwetsbare positie van het slachtoffer, en heeft zich slechts laten leiden door de bevrediging van zijn eigen seksuele behoefte. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheden dat de verdachte gelijk na het incident openheid van zaken heeft gegeven, dat hij met haar in zijn ouderlijk huis was waar zijn ouders en zijn broertje ook waren, dat hij zelf nog jong is en oprecht lijkt te hebben gedacht dat het slachtoffer 16 à 17 jaar oud was, en dat gebleken is dat het slachtoffer zich via social media ook wel voordeed als 17 à 18 jaar oud. Dat doet geenszins af aan de strafbaarheid van het feit, maar heeft wel een zeker strafmatigend effect.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het – weliswaar verouderde – rapport van Reclassering Nederland van 29 april 2025 staat het volgende.
De reclassering schat het risico op zedendelicten bij een veroordeling in als gemiddeld en ziet daarom meerwaarde in een begeleidingstraject door de reclassering en ambulante behandeling. Op de verschillende levensgebieden zijn verder geen opvallende factoren aanwezig. De verdachte werkt als teamleider bij een supermarkt, is niet verslaafd aan alcohol of drugs en lijkt zijn leven verder op orde te hebben.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een (voorwaardelijke) gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van alleen een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van 121 dagen opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 120 dagen voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 240 uur opleggen, te vervangen door 120 uur hechtenis indien de taakstraf niet (goed) wordt uitgevoerd.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van de ambulante behandeling omdat de rechtbank hiervoor onvoldoende aanleiding ziet. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn:
De verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK Rotterdam. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
De verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met het [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2010), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a 14b, 14c, 22c, 22d en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in paragraaf 2.3.3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het in paragraaf 3.1 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 121 (honderdeenentwintig) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat van deze gevangenisstraf 120 (honderdtwintig) dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK Rotterdam. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met het [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2010), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. L. den Teuling en I.M. Braam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Yenice, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.
Mrs. L. den Teuling en I.M. Braam zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.