Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/029257-25
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Datum zitting: 13 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. M.L. van Gaalen
Officier van justitie: mr. P.J. Wijnands
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. A.Y. Bleeker
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging. Niet bewezen kan worden dat aangeefster zich in een staat van verminderd bewustzijn bevond ten tijde van het ten laste gelegde.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - op 14 oktober 2023 zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft gebracht, terwijl hij wist dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:
hij op 14 oktober 2023 te Rotterdam, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het binnen brengen en/of houden en/of bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer];
2. Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het feit. Zij heeft aangevoerd dat de aangifte betrouwbaar is, omdat aangeefster consistent en voldoende concreet heeft verklaard en haar verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Aangeefster heeft verklaard dat zij, terwijl zij met de verdachte in de hotelkamer was, telkens haar bewustzijn verloor en dat zij als een lappenpopje op bed lag. Uit de camerabeelden van het hotel blijkt bovendien dat het slachtoffer onvast ter been was op het moment dat zij samen met de verdachte naar de hotelkamer liep. [getuige] heeft verklaard dat aangeefster zich, nadat zij van het hotel was teruggekomen, heel moe was en met haar ogen draaide. Hiermee is wettig en overtuigend bewezen dat aangeefster zich in een staat van verminderd bewustzijn bevond. Dat verdachte dit wist, volgt uit het feit dat hij haar hand vasthield terwijl zij samen naar de hotelkamer liepen, en dat hij zelf niet gedronken had (en dus in staat was de situatie goed in te schatten).
Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu niet kan worden bewezen dat aangeefster zich in een staat van verminderd bewustzijn bevond. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat hij niet wist dat aangeefster zich in een staat van verminderd bewustzijn bevond.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Vast staat dat aangeefster en de verdachte seks hebben gehad op 14 oktober 2023. De rechtbank moet beoordelen of bewezen kan worden dat aangeefster, op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden, in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, en dat de verdachte dit wist. De verdachte heeft dit ontkend.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel ‘verminderd bewustzijn’ in artikel 243 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft beoogd strafbaar te stellen het plegen van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met iemand die verkeert tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van degene die verminderd bewust is in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Deze bepaling ziet op situaties waarbij de dader bewust seksueel misbruik maakt van de omstandigheid dat het slachtoffer in onvoldoende mate in staat is haar of zijn wil te bepalen omtrent het hebben van seks met een ander. Dit onvermogen vloeit voort uit een toestand van verminderd bewustzijn. Die toestand kan zijn oorzaak vinden in het gebruik van alcohol, drugs of bepaalde medicijnen. Ook andere factoren kunnen een eventueel slachtoffer in een toestand van verminderd bewustzijn brengen. Het hangt vervolgens van de concrete feiten en omstandigheden af of er sprake is van seksueel misbruik van een persoon in een toestand van verminderd bewustzijn (Gerechtshof Den Haag, 29-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:146).
De verklaringen van aangeefster en de verdachte over de staat waarin aangeefster zich ten tijde van het ten laste gelegde bevond, staan lijnrecht tegenover elkaar. De verdachte heeft verklaard dat hij en aangeefster op weg naar de hotelkamer een gesprek met elkaar voerden. Vervolgens hebben zij in de kamer seks gehad en tijdens de seks was aangeefster actief. Na de seks zijn zij samen teruggelopen naar [naam club]. Aangeefster heeft verklaard dat zij zich in de hotelkamer direct op het bed liet vallen en het zwart werd voor haar ogen. Tijdens de seks ging zij af en aan van ‘out’ naar weer wakker.
De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen, en heeft oog voor de wijze waarop zij de momenten in de hotelkamer zegt te hebben beleefd. Het dossier bevat echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat aangeefster in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, zoals bedoeld in artikel 243 Sr. Uit de camerabeelden van het hotel blijkt dat aangeefster tijdens het lopen onvast ter been was. Ze loopt wankel en loopt één keer zelfs tegen de muur aan. Daartegenover staat dat aangeefster en de verdachte de afstand van [naam club] naar het hotel en vice versa lopend hebben afgelegd, dat de verdachte aangeefster zoende in de lift en dat zij hem naar eigen zeggen terugzoende, dat op de camerabeelden te zien is dat aangeefster de verdachte de hotelkamer induwt, en dat zij bij het verlaten van het hotel met haar telefoon een filmpje maakt. Zowel voor als na het ten laste gelegde was er dus sprake van actief handelen door aangeefster dat enige coördinatie vergt, ondanks dat zij duidelijk niet nuchter was. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat aangeefster, ten tijde van de seksuele handelingen met de verdachte, zodanig onder invloed was dat zij verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn die aan haar vrije wilsvorming en -uiting in de weg stond.
Nu de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden bewezen dat aangeefster verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of de verdachte dit wist.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
2. Vordering van de [benadeelde partij]
De benadeelde partij zal in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
3. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
4. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. L. den Teuling en I.M. Braam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Yenice, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.
Mrs. L. den Teuling en I.M. Braam zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.