ECLI:NL:RBROT:2026:2397

ECLI:NL:RBROT:2026:2397

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer 10/091490-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewezen is dat de verdachte in de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met aangeefster, terwijl zij verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn. Daarnaast is bewezen dat de verdachte aangeefster in de nacht van 24 op 25 augustus 2024 en omstreeks 14 september 2024 heeft verkracht door meerdere vingers in haar vagina te brengen. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-. In de vordering tot vergoeding van materiële schade wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Zie ook: ECLI:NL:RBROT:2026:2398

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/091490-25

Datum uitspraak: 27 februari 2026

Datum zitting: 13 februari 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam].

Advocaat van de verdachte: mr. T. Sönmez

Officier van justitie: mr. M.L. Goudzwaard

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. P.R. Hogerbrugge

Kern van het vonnis

Bewezen is dat de verdachte in de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangeefster], terwijl zij verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn. Terwijl aangeefster sliep heeft de verdachte zijn penis tussen haar dijen bewogen en is hij tussen haar dijen klaargekomen. Daarnaast is bewezen dat de verdachte aangeefster in de nacht van 24 op 25 augustus 2024 en omstreeks 14 september 2024 heeft verkracht door meerdere vingers in haar vagina te brengen. De verklaringen van aangeefster zijn betrouwbaar en worden voldoende ondersteund door een ander bewijsmiddel. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-. In de vordering tot vergoeding van materiële schade wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van het plegen van ontuchtige handelingen met aangeefster terwijl zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en van het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster terwijl hij wist dat bij haar de wil daartoe ontbrak.

De volledige tenlastelegging houdt in dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024 op Rhodos te Griekenland, met [aangeefster], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat vanbewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dat die [aangeefster] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis tussen de dijen van die [aangeefster] en/of (vervolgens) klaarkomen tussen de dijen van die [aangeefster];

2. hij in of omstreeks de periode van 24 augustus 2024 tot en met 25 augustus 2024 en/of op 14 september 2024 te Rotterdam en/of Schiedam met een persoon, te weten [aangeefster]een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van één of meerdere vingers in de vagina van die [aangeefster], terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak;

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 en 2.

Conclusie van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu er onvoldoende bewijs is dat de seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster waren. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen steunbewijs is voor de verklaringen van aangeefster. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte de twee feiten heeft begaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Proces-verbaal van de politie informatief gesprek zeden

Op vakantie op Rhodos in juni 2024 werd ik wakker omdat ik hem tegen mij aan voelde stoten. Hij lag tegen mijn rug aan, zoals je ligt als je lepeltje lepeltje ligt. Ik voelde zijn penis tussen mijn bovenbenen ter hoogte van mijn vagina. Ik denk dat hij misschien wel gedacht heeft dat hij in mijn vagina zat met zijn penis. Toen ik wakker werd en bewoog kwam hij klaar op mijn bovenbeen. Ik was toen zo boos. Ik zei op dat moment maar ook de andere keren dat dit echt niet kon! Ik slaap dan. Ik kan niet aangeven wat ik wil.

2. Proces-verbaal van bevindingen van de politie, [verbalisant]

Ik zag dat er een vrouw naar mij stond te wenken. Ik zag dat de vrouw in de deuropening van een woning stond te bellen. Op het moment dat ik stopte zag ik dat [aangeefster] al bellend in mijn richting kwam lopen. Nadat ik het raam van mijn dienstvoertuig had geopend zag en hoorde ik dat zij haar telefoon op luidspreker zette en dat [aangeefster] mij mee liet luisteren met een telefoongesprek tussen haar en [verdachte].

Ik hoorde dat [aangeefster] het volgende zei:“Wat ik nog erger vond was in Rhodos, toen wij samen als vrienden op vakantie waren. Toen heb ik ook tegen je gezegd dat ik geen seks met je wilde. Toch word ik vervolgens wakker omdat jij met je penis tussen mijn benen aan het wrijven bent. Op het moment dat ik wakker werd kwam jij klaar. Dat is toch niet normaal. Dit is gewoon aanranding."

Ik hoorde dat [verdachte] hier als volgt op reageerde:“Ik ben toen toch niet in je geweest. Dus dat is geen aanranding."

De bewezenverklaring van feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster]

Ik ben op vrijdag 13 september 2024 naar [verdachte] toegegaan. In de nacht van zaterdag 14 september 2024 heeft hij mij de laatste keer verkracht. Ik ben toen naar bed gegaan. Even later kwam [verdachte] ook. Ik zei dat hij gisteren seks had gehad en dat ik het nu echt niet wilde. Ik had geen zin, mijn hoofd stond er niet naar, ik had het zwaar omdat ik die ochtend EMDR had gehad. Ik ben gaan slapen en werd die nacht wakker omdat er twee vingers in mijn vagina zaten. Ik voelde dat het zijn hand was. Ik dacht: Godverdomme! Ik lag op dat moment op mijn rechterkant. Hij lag achter mij aan de rechterkant van het bed. Ik ben gelijk omgedraaid. Ik heb tegen [verdachte] gezegd: "Godverdomme, nou doe je het weer!".

De laatste keer dat hij in mijn vagina ging was op 14 september 2024. Maar ik weet dat hij het ook in de nacht van 24 op 25 augustus 2024 heeft gedaan. Toen werd ik ook wakker met zijn vingers in mijn vagina. Ik lag toen op mijn rechterzij. Doordat ik mijn lijf bewoog gingen zijn vingers uit mijn vagina. Ik ben die middag naar mijn eigen huis gegaan.

4. Proces-verbaal van bevindingen van de politie, [verbalisant]

Ik, verbalisant, hoorde dat [aangeefster] het volgende tegen [verdachte] zei:

“Het is toch niet normaal dat ik weer wakker ben geworden met twee vingers in mijn muts? Ik ben er klaar mee. Ik geef aan dat ik geen seks met je wil en vervolgens word ik weer wakker met twee vingers in mijn muts. Dat is toch niet normaal, of is dit niet gebeurd volgens jou?”

Ik hoorde dat [verdachte] hier als volgt op reageerde:

“Ja dit is gebeurd. Ik bedoelde er alleen echt niks mee.”

Ik hoorde dat [aangeefster] het volgende zei: “Het maakt allemaal niet meer uit. Ik ben wel vaker wakker geworden met je vingers of je penis tussen mijn benen of in mijn muts. Ik ben er helemaal klaar mee. Ik ga aangifte tegen jou doen. Ik wil dat andere vrouwen tegen jou worden beschermd. Het is klaar, ik wil geen contact meer met jou."

Ik hoorde dat [verdachte] als volgt reageerde: "Ik snap dat je boos bent. Het is ook niet normaal."

Bewijsmotivering

Feit 1

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster dat de seksuele handelingen op Rhodos tegen haar wil waren. Voor een bewezenverklaring is dat echter niet relevant. Uit het feit dat aangeefster sliep op het moment dat de verdachte met zijn penis tussen haar benen bewoog, dat zij wakker werd omdat zij hem tegen zich aan voelde stoten en dat hij op dat moment klaarkwam op haar bovenbeen, concludeert de rechtbank dat aangeefster ten tijde van de seksuele handelingen in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, en niet in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken, en dat de verdachte dit wist. Met betrekking tot het door de verbalisant beluisterde en opgetekende telefoongesprek heeft de verdachte ter zitting verklaard dat het zou kunnen dat hij dat inderdaad zo heeft gezegd, maar dat wat hij zei niet klopte en dat hij het alleen maar zei om van haar gedram af te zijn. Die verklaring schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. De rechtbank is daarom van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 2

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Uit de chatgeschiedenis tussen de verdachte en aangeefster komt volgens de verdediging een heel ander beeld naar voren, namelijk van liefdevolle communicatie en affectieve uitingen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het feit dat aangeefster de verdachte in de bedoelde chatberichten geen verwijt maakt ten aanzien van de incidenten waarvan de verdachte wordt beschuldigd, en dat aanwijzingen van boosheid of afstand als gevolg van deze incidenten ontbreken, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn. Wat het steunbewijs betreft geldt ook hier dat de rechtbank de verklaring van de verdachte dat zijn uitlatingen in het door de verbalisant beluisterde en opgetekende telefoongesprek niet klopten en dat hij deze alleen maar deed om van het gedram van aangeefster af te zijn, als ongeloofwaardig terzijde schuift. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook feit 2 wettig en overtuigend is bewezen.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1:

hij in de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024 op Rhodos te Griekenland, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, dat die [slachtoffer] niet in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het bewegen van zijn, verdachtes, penis tussen de dijen van die [slachtoffer] en vervolgens klaarkomen tussen de dijen van die [slachtoffer];

Feit 2:

hij in de periode van 24 augustus 2024 tot en met 25 augustus 2024 en omstreeks 14 september 2024 te Schiedam met een persoon, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van meerdere vingers in de vagina van die [slachtoffer], terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1; met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert ontuchtige handelingen plegen;

Feit 2; opzetverkrachting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf en maatregel

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname.

Standpunt van de verdediging

Voor zover de rechtbank tot enige bewezenverklaring zou komen, heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met, en verkrachtingen van aangeefster, terwijl zij sliep. Dit zijn zeer ernstige strafbare feiten die de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer aantasten. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten hiervan vaak langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden. Uit de toelichting ter terechtzitting op het verzoek tot schadevergoeding blijkt ook hoe groot de gevolgen voor aangeefster zijn geweest en dat zij hiervan nog steeds last heeft. De verdachte heeft zich puur laten leiden door zijn eigen lusten en behoeften en zijn handelen getuigt van een gebrek aan respect voor de seksuele autonomie van aangeefster.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van reclassering Nederland van 25 juni 2025 staat het volgende.

Omdat de verdachte zwijgt over het ten laste gelegde, ontbreekt het zicht op meerdere (mogelijk) relevante gebieden zoals, naast de beschuldiging zelf, zijn voormalige relatie met aangeefster en zijn beleving van seksualiteit in algemene zin. De reclassering acht het, indien verdachte schuldig wordt bevonden, van belang dat er alsnog zicht komt op het gedrag van de verdachte, de redenen hierachter en de mogelijk hiermee samenhangende risico's. Geadviseerd wordt de verdachte in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering op te leggen en om verdachte een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) te laten ondergaan.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 4 maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden. Deze bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.

De bijzondere voorwaarden zijn:

een meldplicht bij Reclassering Nederland;

ambulante behandeling bij Fivoor of De Waag (het innemen van medicatie of een mogelijkheid tot kortdurende klinische opname valt hier niet onder).

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij voor beide feiten € 2.500,- als vergoeding van (nader te onderbouwen) materiële schade, en € 7.500,- als vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie concludeert daarnaast tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot vergoeding van materiële schade.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vorderingen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Meer subsidiair moet de benadeelde partij in haar vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard omdat het causaal verband tussen de ten laste gelegde feiten en de schade ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de vordering niet is onderbouwd.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 1 en 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte kampt met psychische klachten. De verdediging heeft de schade niet betwist.

De rechtbank zal de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op € 5.000,-.

Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van de aan de verdachte gemaakte verwijten. De rechtbank heeft als vertrekpunt genomen de ‘Rotterdamse Schaal’(categorie 15.1 onder c met een bandbreedte van € 2.500,- tot € 7.500,-), een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering tot immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren.

Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 14 september 2024.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heeft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 247 (oud) en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in paragraaf 2.3.3 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in paragraaf 3.1 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregel

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

Vordering [benadeelde partij]

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij] (feit 1 en 2) te betalen een bedrag van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 14 september 2024 tot de dag van volledige betaling.

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering tot vergoeding van immateriële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro), te betalen, en de wettelijke rente vanaf 14 september 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.S. Flikweert, voorzitter,

en mrs. L. den Teuling en I.M. Braam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Yenice, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.

Mrs. L. den Teuling en I.M. Braam zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.S. Flikweert

Griffier

  • mr. D. Yenice

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?