Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 29 januari 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoekster 1]
en
[verzoekster 2] ,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeksters.
1. De procedure
Verzoeksters hebben op 9 oktober 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een zes schuldeisers, te weten:
die weigeren mee te werken aan een door verzoeksters aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
IB Krediet heeft voorafgaande aan de zitting, bij e-mailbericht van 29 oktober 2025, aan schuldhulpverlening te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van IB Krediet wordt derhalve als ingetrokken beschouwd.
BouwBureau heeft voorafgaande aan de zitting, bij brief van 3 december 2025, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van BouwBureau wordt derhalve als ingetrokken beschouwd.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting, op 31 december 2025, van verzoeksters aanvullende stukken ontvangen.
De heer mr. T. de Roon heeft voorafgaand aan de zitting, op 8 januari 2026, namens [naam 1] een verweerschrift met dertien producties ingediend.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting, op 15 januari 2026, van schuldhulpverlening aanvullende stukken ontvangen.
Ter zitting van 20 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft na de zitting, op 22 januari 2026, van verzoeksters aanvullende stukken ontvangen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoeksters hebben volgens het ingediende verzoekschrift drieentwintig concurrente schuldeisers met vierentwintig vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 329.895,09 van verzoeksters te vorderen. Verzoeksters hebben bij brief van
24 juni 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 6,31% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeksters is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van hun beider IVA-uitkeringen en een pensioenuitkering van mevrouw [verzoekster 2] . Verzoeksters zijn allebei voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Tot februari 2024 heeft mevrouw [verzoekster 1] naast haar IVA-uitkering een eenmanszaak genaamd [naam 2] gehad. Mevrouw [verzoekster 1] heeft daarna mentale problemen ondervonden en heeft daarna een opleiding gevolgd bij [naam 3] als ervaringsdeskundige. Ter zitting heeft mevrouw [verzoekster 1] verklaard dat zij de opleiding heeft afgerond voor haar eigen herstel, maar het niet de bedoeling is dat zij aan het werk gaat als ervaringsdeskundige. Zij heeft verklaard dat zij in de toekomst, wanneer dit voor haar mogelijk is, op vrijwillige basis hulp te willen verlenen aan mensen met dezelfde (traumatische) ervaringen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het niet in de lijn der verwachting ligt dat verzoeksters in de toekomst aan het werk kunnen gaan.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeksters hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoeksters hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Negentien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B stemmen hier niet mee in. Zij hebben tezamen een vordering van € 159.553,63 op verzoeksters.
3. Het verweer
Verweerschrift DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij namens [naam 1]
heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. [naam 1] is met [naam 2] , de voormalige eenmanszaak van mevrouw [verzoekster 1] , meerdere overeenkomsten tot aanneming van werk aangegaan. De overeengekomen werkzaamheden zijn niet dan wel niet deugdelijk door mevrouw [verzoekster 1] uitgevoerd. [naam 1] heeft als gevolg hiervan aanzienlijke schade geleden en heeft derden moeten inschakelen om de resterende werkzaamheden aan de woning te laten uitvoeren. De schade bedraagt € 55.948,-- en kan mogelijk nog oplopen. In het verweerschrift heeft [naam 1] gesteld dat de schuld van verzoeksters niet te goeder trouw is ontstaan. In de visie van [naam 1] is mevrouw [verzoekster 1] de overeenkomsten aangegaan terwijl zij wist, althans behoorde te weten, dat zij haar verplichtingen niet kon nakomen.
Voorts heeft [naam 1] in het verweerschrift zich op het standpunt gesteld dat de aangeboden regeling niet goed is gedocumenteerd en dat deze onvoldoende financieel transparant is. Er zijn door verzoeksters geen bescheiden overgelegd waaruit blijkt wat het arbeidsongeschiktheidspercentage is. Ook zijn het vtlb en de vermogenspositie niet te verifiëren. In de visie van [naam 1] hebben verzoeksters voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een WIA-uitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoeksters de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. Dit klemt temeer nu uit het aanbod volgt dat mevrouw [verzoekster 1] een opleiding bij [naam 3] volgt met als doel om ervaringsdeskundige te worden. Er bestaat aldus een reële mogelijkheid dat mevrouw [verzoekster 1] dientengevolge in de (nabije) toekomst meer inkomsten zal kunnen generen.
Er wordt bovendien maar een klein percentage van de totale uitstaande vordering voldaan met het aanbod en een groot deel van de schuldeisers is daarmee niet akkoord gegaan.
Verweren ter zitting
Ter zitting is naar voren gebracht dat de vorderingen van [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B een zelfde achtergrond hebben. In alle gevallen is er een overeenkomst aangegaan met [naam 2] , de voormalige eenmanszaak van mevrouw [verzoekster 1] , ten behoeve van een verbouwing en zijn de werkzaamheden niet dan wel niet deugdelijk uitgevoerd.
[persoon A] heeft ter zitting verklaard het mevrouw [verzoekster 1] extra kwalijk te nemen dat zij hun dochter van (destijds) 1,5 jaar in gevaar heeft gebracht door de verbouwing te starten en niet af te maken en hen in een open huis achter te laten. Inmiddels is er een vonnis gewezen waarin is mevrouw [verzoekster 1] is veroordeeld tot het betalen van de schade ad € 48.282,47. Dat is meer dan de vordering die schuldhulpverlening tot uitgangspunt heeft genomen in het aanbod. Volgens [persoon A] is alleen de rente van dit bedrag al meer dan wat er is aangeboden door verzoeksters.
[persoon B] heeft verklaard dat hij het idee heeft dat mevrouw [verzoekster 1] hen heeft bestolen. Zij heeft een aantal maanden voordat de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd hen verzocht om een aanbetaling van € 22.000,-- te doen zodat er bouwmaterialen konden worden aangekocht. Hieraan heeft [persoon B] , in goed vertrouwen dat de werkzaamheden in september zouden gaan starten, gehoor gegeven. De werkzaamheden zijn echter nooit gestart en uitgevoerd. Vervolgens kwamen er alleen maar smoesjes waarom het niet kon beginnen. Hierdoor heeft [persoon B] zelf schulden moeten aangaan.
[naam 1] heeft ter zitting verklaard dat zij naast financiële schade ook pyschische schade hebben opgelopen door de handelswijze van mevrouw [verzoekster 1] . Zij hebben een periode uit hun huis gemoeten door de schade en hebben leningen moeten afsluiten om de schade te laten herstellen door derden die zij nog meerdere jaren moeten aflossen.
TT4B heeft bij het aangaan van de overeenkomst met mevrouw [verzoekster 1] nog expliciet aan haar gevraagd of zij zeker wist dat zij de klus kon aanemen. Mevrouw [verzoekster 1] heeft hierop aangegeven dat zij dit kon uitvoeren. Er is wel begonnen met sloopwerkzaamheden, maar daarna zijn de andere werkzaamheden niet uitgevoerd. TT4B stelt zich op het standpunt dat mevrouw [verzoekster 1] verwijtbaar schulden heeft gemaakt bij haar. Ook zij heeft een bedrag aanbetaald zodat er materialen aangekocht konden worden. Er zijn nooit bouwmaterialen van gekocht. Bij het aangaan van de overeenkomst wist mevrouw [verzoekster 1] al dat er problemen waren met de zelfstandig ondernemer die zij had ingeschakeld. Zij heeft gebrekkig management gevoerd. De totale vordering van TT4B is opgelopen tot een bedrag van € 36.539,90.
[persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B stellen zich dan ook op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen.
4. De beoordeling
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B in redelijkheid instemming met de schuldregeling hebben kunnen weigeren. De rechtbank kijkt daarbij naar de belangen van de schuldeisers bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeksters en de overige schuldeisers voor zover die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank betrekt hierbij ook de aard en achtergrond van de schulden. Het gaat in dit geval om aanzienlijke schulden aan natuurlijke personen. De schulden zijn ontstaan doordat mevrouw [verzoekster 1] met hen een overeenkomsten is aangegaan tot aanneming van werk. Ten tijde van het aangaan van de betreffende overeenkomsten verkeerde de onderneming van mevrouw [verzoekster 1] al in moeilijkheden doordat er problemen waren met de zelfstandig ondernemer die was aangetrokken om de werkzaamheden te verrichten. Desondanks is mevrouw [verzoekster 1] de overeenkomsten tot aanneming van werk aangegaan, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten begrijpen, dat zij niet in staat was de daaruit voortvloeiende verplichtingen behoorlijk en volledig na te komen. Zij heeft partijen ook aanbetalingen laten verrichten van tienduizenden euro’s. [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B hebben hierdoor aanzienlijke schade geleden. Door slecht ondernemerschap van mevrouw [verzoekster 1] zijn [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B zelf ook in de financiële problemen gekomen; zij hebben leningen moeten aangaan om de schade te kunnen herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze schulden niet te goeder trouw ontstaan.
Dit geeft aanleiding het aanbod kritisch te toetsen. Naar het oordeel van de rechtbank kan tegen bovengenoemde achtergrond van deze schuldeisers niet snel worden gevergd dat zij instemmen met een saneringsvoorstel op basis van een krediet, waarbij geen rekening wordt gehouden met eventuele positieve ontwikkelingen in de verdiencapaciteit van verzoeksters. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval bovendien niet gebleken dat het saneringsvoorstel het uiterste is waartoe verzoeksters in staat moet worden geacht. Het aanbod is gebaseerd op de IVA-uitkeringen van verzoeksters en een pensioenuitkering van mevrouw [verzoekster 2] . Het is echter niet onaannemelijk dat er op enig moment nog inkomsten naast die uitkeringen worden gegenereerd. Mevrouw [verzoekster 1] heeft in het verleden ook een onderneming gedreven naast de IVA-uitkering. Zij heeft bovendien recent een opleiding afgerond waarmee zij stelt onbezoldigde hulp te willen verlenen aan mensen met dezelfde (traumatische) ervaringen. Dat zij hiermee geen bezoldigd werk zou kunnen verrichten, is echter niet gebleken.
Gelet op het voorgaande, is niet voldoende aannemelijk dat het relevante alternatieve scenario (indien het dwangakkoord wordt afgewezen) de schuldeisers minder zou opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank is het relevante alternatieve scenario in dit geval dat de Wsnp op verzoeksters van toepassing wordt verklaard, met toepassing van de hardheidsclausule voor mevrouw [verzoekster 1] . Dit gelet op het tijdsverloop, het beëindigen van de onderneming, het nadeel dat verzoeksters zelf hebben ondervonden van de situatie, de spijt die mevrouw [verzoekster 1] heeft betuigd en het feit dat naast mevrouw [verzoekster 1] ook de overige gezinsleden te lijden hebben onder de zware schuldenlast van de slecht gevoerde eenmanszaak. Niet is gebleken dat verzoeksters zelf hebben geprofiteerd van de handelswijze van mevrouw [verzoekster 1] . In dit specifieke geval is er wel aanleiding om – gelet op de aard en achtergrond van de schuldenlast – de Wsnp-regeling van mevrouw [verzoekster 1] voor een langere termijn uit te spreken. Gelet op de huidige afloscapaciteit zal dit de schuldeisers meer opleveren dan het aanbod op basis van het saneringskrediet.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bezwaren van [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B voldoende gegrond zijn en dat in deze concrete omstandigheden geen sprake is van een onredelijke weigering van [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B.
Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de vorderingen van [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B een aanzienlijk aandeel vormen in de totale schuldenlast (te weten 48,36% daarvan), en dat de schuld aan [persoon A] nog hoger is gebleken dat in het aanbod tot uitgangspunt is genomen, zodat het ook onzeker is of het aanbod op basis van het saneringskrediet wel gestand kan worden gedaan.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om [persoon A] , [persoon B] , [naam 1] en TT4B te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.