Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/307108-25
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Datum zitting: 17 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [plaatsnaam] ,
gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam.
Advocaat van de verdachte: mr. M. Sculic
Officier van justitie: mr. M. Groot
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich op 13 november 2025 – samen met zijn broer – schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 12 kilogram cocaïne en 82,80 kilogram lachgas. Ook hebben zij samen € 28.000,- witgewassen. Van het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie wordt de verdachte vrijgesproken. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met (een) ander(en) – samengevat – ongeveer 12 kilogram cocaïne (feit 1) en 82,80 kilogram lachgas (feit 2) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad (feit 3) en een bedrag van € 30.350,- heeft witgewassen (feit 4).
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1.
hij
op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 12 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaine, zijnde cocaine
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij
op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
opzettelijk aanwezig heeft gehad
82,80 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II;
3.
hij
op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III,
onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een omgebouwd gaspistool, naar een (kogelverschietend) pistool van het
merk: Zoraki, model: m906, kaliber: 7,65 millimeter
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en/of
(voor dit vuurwapen geschikte) munitie
in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet
wapens en munitie, te weten één of meer kogelpatronen van het kaliber 7,65
millimeter
voorhanden heeft gehad;
4.
hij
op of omstreeks 13 november 2025, te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen
(van) één of meer geldbedragen (totaalbedrag: 30.350,00 euro),
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) -
onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
2. Vrijspraak feit 3 / Bewijs feiten 1, 2 en 4
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 3, omdat de wetenschap van de cocaïne en het vuurwapen ontbreekt. Ten aanzien van feit 4 is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte hooguit een bedrag van € 13.000,- heeft witgewassen en dat hij ten aanzien van het overige deel van het geldbedrag moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 3
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde feit niet is bewezen, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie in de woning.
Ter terechtzitting heeft de verdachte elke betrokkenheid bij het vuurwapen ontkend. Hij heeft verklaard dat het klopt dat in zijn telefoon een foto is aangetroffen waarop te zien is dat hij met een vuurwapen poseert, maar naar zijn zeggen betreft dit een nepvuurwapen van een vriend van hem en niet het vuurwapen dat in de dakgoot van de woning is aangetroffen.
Dit alternatieve scenario kan op basis van de inhoud van het dossier niet worden weerlegd of als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Er is immers alleen DNA van de medeverdachte en niet van de verdachte op het vuurwapen aangetroffen.
De verdachte wordt gelet op het voorgaande vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feiten
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne (feit 1) en lachgas (feit 2) en het witwassen van een geldbedrag (feit 4). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.5.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Proces-verbaal van de politie
4. Proces-verbaal van de politie
De bewezenverklaring van de feiten 1 en 4 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
5. Verklaring van de verdachte De € 13.000,- die in de ladekast in de slaapkamer is aangetroffen is van mij. Het geld dat in de middenconsole van mijn auto lag, is ook van mij.
6. Deskundigenverslag
Zaaknummer 2025.11.18.063 (aanvraag 003)
7. DeskundigenverslagZaaknummer 2025.11.18.063 (aanvraag 002)
8. DeskundigenverslagZaaknummer 2025.11.18.063 (aanvraag 004)
9. DeskundigenverslagZaaknummer 2025.11.18.063 (aanvraag 001)
10. Proces-verbaal van de politieBlijkens de Basis Registratie Personen bleken er op het adres aan de [adres] ,
[postcode] te [plaatsnaam] , drie personen ingeschreven. Dit betroffen:
- [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1968;
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 3] 1998;
- [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2005.
Op 13 november 2025 werd de doorzoeking in persoon geopend door de rechter-commissaris. Tijdens de doorzoeking werden de volgende goederen aangetroffen en inbeslaggenomen in de volgende ruimtes:
Ruimte I: Slaapkamer 1
- Schoenendoos met daarin een totaal bedrag van: 16.600 euro in verschillende coupures. Goednummer: 7054297. Code doorzoeking: I1**.
Opmerking verbalisant: later, bij het afstorten op het politiebureau Zuidplein, bleek dit een totaalbedrag te zijn van: 17.600 euro. Hiervan werden in totaal 26 biljetten van 100 euro (2600 euro), niet geaccepteerd door de afstortzuil. In totaal is er dus op het politiebureau een bedrag van 15.000 euro afgestort.
- Plastic zak met geldbedrag in verschillende coupures aangetroffen in een ladekast.
Totaalbedrag: 13.000,- euro. Goednummer: 7054302. Code doorzoeking: I2;
- 12 x blokken vermoedelijk cocaïne, aangetroffen in een ladekast. Totaal
brutogewicht: 14,3 kilogram. Goednummer: 7054338. Code doorzoeking: I4;
Ruimte J: Slaapkamer 2
- Meerdere zogenaamde ponypacks met vermoedelijk verdovende middelen. In totaal 6
stuks met een totaal brutogewicht: 7,1 gram. Aangetroffen in een schoen in een
kledingkast. Goednummer: 7054353. Code doorzoeking: J2;
- 1 x zogenaamde ponypack in een tas in een kledingkast. Brutogewicht: 1,5 gram.
Goednummer: 7054351. Code doorzoeking: J3.
In de ladekast (ruimte I: slaapkamer 1 op de tweede woonlaag) waarin het geldbedrag van in totaal 13.000 euro alsmede de 12 blokken
vermoedelijk cocaïne (code I4) werden gevonden, werd het paspoort van verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2005, aangetroffen.
In ruimte J slaapkamer 2 op de tweede woonlaag werd het paspoort gevonden van: [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 3] 1998.
11. Proces-verbaal van de politie
Op 14 november 2025 doorzocht ik het voertuig van [verdachte] , een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] . In het voertuig trof ik 5 ponypacks met vermoedelijk cocaïne aan. Dit zat in een sok welke in de deur van de bestuurderskant lag. Deze zijn ter waarheidsvinding in beslaggenomen goednummer 7054354. Ook zag ik dat er briefgeld in het middenconsole lag.
12. Proces-verbaal van de politie
Op 18 november 2025 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek verricht aan aangeboden onderzoeksitems in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.
Onderzoek aan '5 wikkels met daarin wit poeder en brokjes' (AASZ6686NL)
SIN/UVN: AASZ6686NL
BVH Goednummer: 7054354
Nettogewicht: 3,3 gram
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6686NL
SIN/UVN: AATG8165NL
Object omschrijving: monster 1 van 1
Uitgevoerde testen bij monster (AATG8165NL)
Methode: Ruybal
Resultaat: positief voor cocaïne
Methode: GC-MS
Resultaat: identificatie cocaïne
Onderzoek aan '11 zip lock zakken met daarin totaal 12 blokken, elk verpakt in een vacuümzak en omwikkeld in plastic transparante tape met daarin wit samengeperst materiaal.' (AASZG685NL)
SIN/UVN: AASZ6685NL
BVH Goednummer: 7054338
Nettogewicht: 12652 gram
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8153NL
Object omschrijving: monster 1 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8154NL
Object omschrijving: Monster 2 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8155NL
Object omschrijving: Monster 3 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8156NL
Object omschrijving: Monster 4 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8157NL
Object omschrijving: Monster 5 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8158NL
Object omschrijving: Monster 6 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8159NL
Object omschrijving: Monster 7 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8160NL
Object omschrijving: Monster 8 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8161NL
Object omschrijving: Monster 9 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8162NL
Object omschrijving: Monster 10 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8163NL
Object omschrijving: Monster 11 van 12
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6685NL
SIN/UVN: AATG8164NL
Object omschrijving: Monster 12 van 12
Uitgevoerde testen bij monsters
Methode: Ruybal
Resultaat: positief voor cocaïne
Methode: GC-MS
Resultaat: identificatie cocaïne
Onderzoek aan '6 wikkels met daarin wit poeder en brokjes' (AASZ6687NL)
SIN/UVN: AASZ6687NL
BVH Goednummer: : 7054353
Nettogewicht: 3,1 gram
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6687NL
SIN/UVN: AATG8151NL
Object omschrijving: monster 1 van 1
Uitgevoerde testen bij monster (AATG8151NL)
Methode: Ruybal
Resultaat: positief voor cocaïne
Methode: GC-MS
Resultaat: identificatie Cocaïne
Onderzoek aan '1 wikkel met daarin wit poeder en brokjes' (AASZ6688NL)
SIN/UVN: AASZ6688NL
BVH Goednummer: 7054351
Object omschrijving: 1 wikkel met daarin wit poeder en brokjes
Nettogewicht: 0,9 gram
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ6688NL
SIN/UVN: AATG8152NL
Object omschrijving: monster 1 van 1
Uitgevoerde testen bij monster (AATG8152NL)
Methode; Ruybal
Resultaat: positief voor cocaïne
Methode: GC-MS
Resultaat: identificatie cocaïne
Bewijsmotivering feit 1
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de woning waar de verdachte en zijn broer, tevens medeverdachte, samen met hun moeder staan ingeschreven en woonachtig zijn, ongeveer 12 kilogram cocaïne is aangetroffen. De cocaïne lag zowel in de slaapkamer van de verdachte als in de slaapkamer van zijn broer.
De omstandigheid dat er in de woning van de verdachte cocaïne is aangetroffen, wijst er in beginsel op dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van die cocaïne. Het is vaste rechtspraak dat een bewoner bekend wordt verondersteld met de aanwezigheid van de in zijn woning aanwezige goederen. Dat kan anders zijn indien de verdachte daarvoor een andere, plausibele verklaring geeft. In onderhavige zaak heeft de verdachte dat niet gedaan.
Het overgrote deel van de aangetroffen cocaïne is aangetroffen in een ladekast in één van de slaapkamers. In diezelfde ladekast werd een geldbedrag van € 13.000,- aangetroffen, waarvan de verdachte heeft verklaard dat dit van hem is. Ook het paspoort van de verdachte lag in deze ladekast. Van de aanwezigheid van de cocaïne was hij naar eigen zeggen niet op de hoogte, omdat hij alleen het rechter gedeelte van de lade gebruikte en de cocaïne aan de linkerkant van de lade lag. De kast zou niet alleen door de verdachte worden gebruikt.
De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Daarbij betrekt de rechtbank dat ook in de auto die op naam van de verdachte staat, en bij hem in gebruik is, vijf ponypacks met cocaïne in een sok in de deur aan de bestuurderszijde zijn aangetroffen. In de middenconsole lagen meerdere bankbiljetten, waarover de verdachte heeft verklaard dat deze van hem zijn. De rechtbank wordt gesterkt in haar overtuiging door het feit dat de verdachte en de medeverdachte op heterdaad zijn betrapt toen zij, samen met een ander, tassen met lachgastanks uit diezelfde auto in hun woning aan het laden waren. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de cocaïne in de woning en in zijn auto. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
De rechtbank stelt voorts vast dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte en de medeverdachte hebben bevonden, nu deze in de woning lagen waar zij woonachtig zijn en in de auto waar zij gebruik van maken. De rechtbank acht ook het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Bewijsmotivering feit 4
Op 13 november 2025 zijn tijdens de doorzoeking van de woning diverse geldbedragen aangetroffen. In slaapkamer 1 is een schoenendoos met daarin een bedrag van € 15.000,- aangetroffen. In diezelfde kamer is in een ladekast – waarin tevens ongeveer 12 kilogram cocaïne en het paspoort van de verdachte lagen – een totaalbedrag van € 13.000,- aangetroffen.
De verdachte wordt – zoals ook hiervoor overwogen – als bewoner van de woning bekend verondersteld met de aanwezigheid van de in de woning aanwezige goederen.
Op grond van bovenstaande feiten (de grote sommen contante geldbedragen en de wijze waarop deze werden bewaard, in combinatie met het aantreffen van verdovende middelen in diezelfde woning) is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Het voorgaande betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de bedragen.
Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat het geldbedrag van € 15.000 niet van hem is en dat het bedrag van € 13.000 wel aan hem toebehoort. Hij heeft verklaard zijn hele leven lang al te sparen door telkens 50% van zijn salaris aan de kant te zetten. De verdachte heeft slechts over een deel van het geldbedrag verklaard en deze verklaring is in een zeer laat stadium afgelegd. Bovendien is deze verklaring op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. De verklaring is niet onderbouwd en dus niet concreet en evenmin verifieerbaar. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk en/of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren en dat de verdachte en zijn broer dit wisten.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht een onderscheid te maken tussen de aangetroffen bedragen, nu alleen de € 13.000,- aan de verdachte toebehoorde. Daar ziet de rechtbank geen aanleiding toe, nu het feit in vereniging is gepleegd met de medeverdachte.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij
op 13 november 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 12 kilogram, van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2
hij
op 13 november 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met (een) ander(en),
opzettelijk aanwezig heeft gehad
82,80 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II;
Feit 4
hij
op 13 november 2025, te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander
geldbedragen (totaalbedrag: 28.000 euro),
voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat die voorwerpen -
onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2 medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 4
medeplegen van witwassen.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de bewezen verklaarde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen van langere duur dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met zijn broer, medeverdachte in deze zaak, schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ongeveer 12 kilogram cocaïne en meer dan 82 kilogram lachgas. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat het gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving. De verspreiding van en handel in drugs gaan gepaard met vele andere vormen van (zware) criminaliteit. Het gebruik ervan gaat ook vaak gepaard met het plegen van strafbare feiten en overlast voor de samenleving. De verdachte heeft hier met zijn handelen aan bijgedragen en dat neemt de rechtbank hem kwalijk.
Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van een contant geldbedrag van in totaal € 28.000,-. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapport
In het rapport van Reclassering Nederland van 5 februari 2026 staat het volgende.
Er lijken geen noemenswaardige problemen op de leefgebieden te zijn. De verdachte is als het ware vanuit het niets verdachte van ernstige strafbare feiten. Dat is moeilijk te plaatsen voor de reclassering. Doordat de verdachte niet inhoudelijk over de verdenkingen wilde verklaren, heeft de reclassering het recidiverisico niet in kunnen schatten. Het goede contact met zijn moeder is een beschermende factor. Zijn sociaal netwerk en financiën worden als mogelijke risicofactoren gezien. Daarnaast is het zorgelijk dat de verdachte niet beschikt over een dagbesteding. De verdachte lijkt er zeker toe in staat om te werken of door te leren na zijn detentie en het is van groot belang dat hij dit oppakt. Het is positief dat de verdachte openstaat voor contact met de reclassering. Reclasseringstoezicht kan van belang zijn om beter zicht te krijgen op de leefsituatie van de verdachte.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, meewerken aan ambulante begeleiding, een contactverbod met A. Bamarni, inspannen voor dagbesteding en het geven van inzicht in zijn financiën en schulden.
Oplegging straf
Straf Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de verdachte van feit 3 wordt vrijgesproken. Daarnaast heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte meegewogen dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat het erop lijkt dat hij zich op sleeptouw heeft laten nemen door zijn broer, die emotioneel overwicht op hem lijkt te hebben. De rechtbank hoopt met de begeleiding van de reclassering en oplegging van de bijzondere voorwaarden de verdachte ervan te kunnen weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De bijzondere voorwaarden die aan de verdachte worden opgelegd zijn: een meldplicht, meewerken aan ambulante begeleiding, een contactverbod met A. Bamarni, inspannen voor dagbesteding en het geven van inzicht in zijn financiën en schulden.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feiten 1, 2 en 4, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 8 (acht) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door Coach E25, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zodra de reclassering dit nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding. De begeleiding is gericht op dagbesteding, financiën en sociaal netwerk;
3. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met medeverdachte [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 4] 1994;
4. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
5. de verdachte inzicht in zijn financiën en schulden geeft;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. M.I. Blagrove en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 maart 2026.
Mr. N.R. Rietveld is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.