Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 28 januari 2026
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 29 september 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- De heer [persoon A] , wiens vordering in behandeling is bij Real Estate Service Nederland B.V. (hierna: [persoon A] );
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting, op 12 januari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Ter zitting van 20 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
Het verzoekschrift richt zich tegen Real Estate Service Nederland B.V.. Ter zitting heeft de heer [persoon A] verklaard dat hij de originele schuldeiser is en dat Real Estate Service Nederland B.V. zijn zaak behartigt. De heer [persoon A] heeft ter zitting aangegeven dat dit een kennelijke fout betreft, nu hij de verhuurder van de woning is. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het verzoekschrift aldus begrepen moet worden dat het zich richt tegen de heer [persoon A] in persoon. De heer [persoon A] heeft verklaard dat hij begrijpt dat het om hem gaat en voert tegen deze kennelijke fout geen verweer.
De rechtbank heeft na de zitting, op 22 januari 2026, van schuldhulpverlening aanvullende stukken ontvangen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift achttien schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser met één vordering en zeventien concurrente schuldeisers met achttien vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 34.541,45 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 1 mei 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij de aan de schuldeisers wordt verzocht de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij alleenstaande moeder is van drie minderjarige kinderen. Eén van haar kinderen heeft medische problemen en de volledige zorg rust op haar. Zij zijn daarnaast gestart met gezinstherapie. Gelet op de medische omstandigheden is het de vraag of de zoon van verzoekster naar de opvang kan. Verzoekster heeft verklaard zelf last te hebben van psychische problemen. Zij is doorverwezen door de huisarts naar een psycholoog en zal in maart starten met therapie. Schuldhulpverlening heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verzoekster niet in staat is om te werken en dat het aanbod dat thans is gedaan, het maximaal haalbare is. Het is niet de verwachting dat het inkomen van verzoekster op korte termijn zal toenemen. Verzoekster heeft namelijk geen relevante vooropleiding gevolgd en heeft beperkte ervaring op de arbeidsmarkt.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Zeventien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [persoon A] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 4.939,-- op verzoekster, welke 14,2% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
[persoon A] stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. [persoon A] heeft een vordering uit hoofde van een huurachterstand. [persoon A] heeft verklaard dat hij verzoekster meerdere kansen heeft gegeven. Er is een betalingsregeling getroffen met de Sociale Dienst die verzoekster niet is nagekomen. Aan [persoon A] is door de Sociale Dienst meerdere keren toegezegd dat er hulp zou komen, maar die is nooit gekomen. [persoon A] heeft verklaard het vervelend te vinden dat verzoekster in deze situatie zit, maar hij is door het niet ontvangen van de huurtermijnen zelf ook in de problemen gekomen. Daarnaast bleek bij de oplevering van de woning dat de woning erg vervuild was en er schade was die hij heeft moeten herstellen. [persoon A] heeft voorts verklaard dat hem door de Sociale Dienst is toegezegd dat de schadevordering door de gemeente zou worden betaald. Deze toezegging is niet nagekomen.
4. De beoordeling
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of [persoon A] in redelijkheid niet kon weigeren in te stemmen met de schuldregeling. Omdat er in dit geval een zogeheten nul-aanbod is gedaan, zal dat in beginsel niet snel het geval zijn. Als echter voldoende aannemelijk is dat [persoon A] in het alternatieve scenario (dat er geen dwangakkoord wordt opgelegd) ook geen enkele betaling op zijn vordering zal krijgen, kan er toch aanleiding zijn om het dwangakkoord toe te wijzen.
Van belang is dus, om vast te stellen wat in dit geval het alternatieve scenario is. In het geval van verzoekster is dat toelating tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (de Wsnp), zoals subsidiair ook verzocht. Voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker toegelaten zou kunnen worden tot de Wsnp.
Vervolgens is van belang of [persoon A] in dit alternatieve scenario (en dus: bij de afwikkeling van de Wsnp-regeling van verzoekster) een uitkering tegemoet kan zien. De rechtbank is van oordeel dat dit niet aannemelijk is geworden.
Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft last van psychische problemen en is door de huisarts doorverwezen naar een psycholoog waar zij in maart zal starten met therapie. Daarnaast heeft verzoekster de zorg voor haar drie minderjarige kinderen waarvan één medische problemen heeft. De uitkerende instantie heeft om die reden aan verzoekster een ontheffing van de sollicitatieplicht opgelegd. Het is aannemelijk dat verzoekster binnen de Wsnp-regeling (gedeeltelijk) zal worden vrijgesteld van de arbeidsverplichting gelet op haar psychische problemen. Voorts heeft verzoekster geen relevante vooropleiding en beperkte ervaring op de arbeidsmarkt. Voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verweven dat hoger is dan haar huidige inkomen Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd (die ook binnen de Wsnp-regeling wordt gehanteerd) waaruit blijkt dat verzoekster onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Dat dit binnen een termijn van anderhalf jaar zal wijzigen, is niet aannemelijk geworden. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster uit haar inkomen geen afloscapaciteit zal verkrijgen binnen de Wsnp. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster over andere vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers.
De wettelijke schuldsaneringsregeling brengt aanzienlijke kosten met zich mee, bestaande uit onder meer het salaris voor de bewindvoerder en het griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de Wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Uit het bovenstaande vloeit voort dat het voorstel aan de schuldeisers het maximaal haalbare is en dat er geen reëel perspectief is dat de schuldeisers een uitkering tegemoet zullen zien in de Wsnp-regeling.
De rechtbank stelt voorts vast dat de vordering van [persoon A] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 14,2%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zeventien van de achttien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is gedaan door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Sociale Dienst Drechtsteden. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat het belang van verzoekster die haar schuldenproblematiek wil oplossen, en het belang om geen onnodige kosten ten laste van de Staat te maken, zwaarder wegen dan het belang van [persoon A] bij zijn weigering, nu niet is vast komen te staan dat [persoon A] een financieel belang heeft bij die weigering.
Het verzoek om [persoon A] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[persoon A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Om die reden zal het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt [persoon A] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [persoon A] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.