Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 12 februari 2026
op het verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 14 juli 2025. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 28 januari 2026. Op de zitting is verschenen:
- mevrouw [verzoekster] , verzoekster.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet mevrouw [verzoekster] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens mevrouw [verzoekster] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de schuldenlast niet binnen afzienbare termijn in kaart kan worden gebracht. Het is schuldhulpverlening niet gelukt om de schuldenlast definitief vast te stellen, doordat er steeds schulden boven kwamen die nog niet eerder bekend waren.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. Mevrouw [verzoekster] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden op de lijst van mevrouw [verzoekster] die zien op overbesteding en die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. In het bijzonder vallen hierbij de schulden aan de Babysupershop en Elbuco op. Daarnaast is de fraudevordering aan de Sociale Dienst Drechtsteden eveneens niet te goeder trouw ontstaan. Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om mevrouw [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat mevrouw [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schulden, onder controle heeft gekregen. Mevrouw [verzoekster] maakt gebruik van budgetbeheer. De budgetbeheerder was niet ter zitting aanwezig, waarna de rechtbank om een aanvullende verklaring heeft verzocht. De budgetbeheerder heeft in haar e-mailbericht van 28 januari 2026 aan de rechtbank laten weten dat het budgetbeheer als zeer positief wordt ervaren. De inkomsten en uitgaven zijn in balans en er zijn tijdens de periode van budgetbeheer geen nieuwe schulden meer ontstaan. Mevrouw [verzoekster] heeft zich gedurende het hele traject constructief opgesteld. In het kader van de hardheidsclausule heeft de rechtbank ook gekeken naar de saneringsgezinde houding van mevrouw [verzoekster] . In eerste instantie was de rechtbank van deze houding niet overtuigd. Echter, gelet op de verklaring van mevrouw [verzoekster] ter zitting en de aanvullende verklaring van de budgetbeheerder, geeft de rechtbank mevrouw [verzoekster] het voordeel van de twijfel omtrent haar saneringsgezinde houding.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat mevrouw [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. De rechtbank heeft in het bijzonder gekeken naar de vraag of mevrouw [verzoekster] haar verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan kan nakomen. Gelet op de verklaring van de budgetbeheerder – dat tijdens budgetbeheer geen nieuwe schulden zijn ontstaan – heeft de rechtbank hier voldoende vertrouwen in. De rechtbank merkt nogmaals op dat mevrouw [verzoekster] zich goed doordrongen moet zijn van de verplichtingen uit de Wsnp en dat zij geen nieuwe schulden mag laten ontstaan. In dat kader heeft de rechtbank ter zitting met mevrouw [verzoekster] besproken dat zij beschermingsbewind aan haar adviseert. Mevrouw [verzoekster] heeft dit uitdrukkelijk geweigerd.
Mevrouw [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op achttien maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank kan niet vaststellen dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Niet alle onderliggende stukken bij het Vtlb zijn aangeleverd, waardoor niet is vast te stellen of het Vtlb juist is berekend. Daarnaast is het overgelegde Vtlb op een aantal punten (die wel te controleren zijn) onjuist. Voorts is onvoldoende inzichtelijk gemaakt welk bedrag onder beslag is afgedragen. Hierdoor is het voor de rechtbank niet vast te stellen of aan de afdrachtverplichting is voldaan.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] -1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder J.M. Hoogland,
gevestigd te Postbus 81145,
3009 GC Rotterdam;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met S.R.L.T. Peek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.