ECLI:NL:RBROT:2026:2455

ECLI:NL:RBROT:2026:2455

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer C/10/703794 / FA RK 25-5622 en C/10/711407 / FA RK 25-9333
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Echtscheiding. Verdeling beperkte huwelijksgemeenschap. Rechtbank wijst verzoek over de bruidsgave af. Als de wens van partijen was geweest dat de bruidsgave van de man een privé verplichting zou zijn ten opzichte van de vrouw hadden partijen dit staande huwelijk met elkaar dienen overeen te komen bij huwelijkse voorwaarden. Nu zij dit niet hebben gedaan staat tegenover de mogelijke vordering van de vrouw een mogelijke verplichting van de man, deze vallen dus tegen elkaar weg (zie ook ECLI:NL:GHDHA:2025:2113).

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummers / rekestnummers: C/10/703794 / FA RK 25-5622 (echtscheiding) en C/10/711407 / FA RK 25-9333 (verdeling)

Beschikking van 3 februari 2026 over de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A. Kaynak te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. H. Durdu te Rotterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 juli 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 30 juli 2025;

het verweerschrift met bijlagen van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man, tevens inhoudende een aanvullend verzoek, ingekomen op 23 september 2025;

het bericht met bijlage van de vrouw van 16 oktober 2025;

het verweerschrift van de man tegen het aanvullend verzoek van de vrouw, tevens inhoudende een aanvullend verzoek, ingekomen op 21 oktober 2025;

het verweerschrift van de vrouw op het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 3 december 2025;

de berichten met bijlagen van de vrouw van 5 december 2025 en

12 december 2025;

- het bericht met bijlage van de man van 13 december 2025.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op

16 december 2025. Daarbij zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] .

Partijen hebben allebei de Nederlandse en Turkse nationaliteit.

3. De beoordeling

Scheiding

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet. De man verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek eveneens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

Verdeling en verzoeken op grond van artikel 827 lid 1 onder g Rv

De vrouw verzoekt:

partijen te bevelen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande beperkte huwelijksgemeenschap op de door haar voorgestelde wijze, dan wel de (wijze van) verdeling te gelasten op de door haar voorgestelde wijze;

te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag dient te betalen van 500 gram aan goud als bruidsschat/vaststellingsovereenkomst dan wel de waarde van minimaal € 32.500,- dient te voldoen binnen zeven dagen na afgifte van de beschikking;

en bij wijze van aanvullend verzoek te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag dient te betalen van € 15.000,- uit hoofde van verdeling van de bruidsschat, een en ander binnen zeven dagen na afgifte van de beschikking.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt:

de verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte huwelijksgemeenschap vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze;

de vrouw te veroordelen om aan de man uit hoofde van onverschuldigde betaling € 1.148,44 te vergoeden vermeerderd met de wettelijke rente;

en bij wijze van aanvullend verzoek te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de vader van de man ter hoogte van € 3.474,50.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

Omdat partijen ná 29 januari 2019 getrouwd zijn, moet de rechtbank voor het toepasselijk recht kijken naar de bepalingen in de Huwelijksvermogensrechtverordening.

In de eerste plaats moet de rechtbank beoordelen of sprake is van een rechtskeuze (artikel 22). Daar is hier geen sprake van. In dat geval is op het huwelijksvermogensstelsel het recht van toepassing van de staat waar de echtgenoten na de huwelijkssluiting hun eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats hadden (artikel 26 lid 1 sub a). Vast staat dat de eerste gewone verblijfplaats van partijen na de huwelijksvoltrekking in Nederland was. Dat leidt tot de conclusie dat het Nederlandse recht van toepassing is op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen.

Partijen zijn na 1 januari 2018 in het huwelijk getreden, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Verdeling beperkte huwelijksgemeenschap

Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.

Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW).

De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd: goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift, pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen, rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef en onder c BW.

Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.

Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op een bijzondere wijze verknocht zijn, vallen op grond van artikel 1:94 lid 5 BW slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW.

Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed op grond van artikel 1:94 lid 8 BW als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.

Wettelijke peildatum

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 22 juli 2025.

Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

De rechtbank bespreekt hierna de bestanddelen die volgens partijen, dan wel één van hen, tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren.

a. saldi op bankrekeningen

De gezamenlijke bankrekening van partijen bij de ING bank is inmiddels opgeheven en het saldo van circa € 90,- is overgeboekt naar de bankrekening van de vrouw. Partijen zijn het erover eens dat er ten aanzien van de gezamenlijke bankrekening geen beslissing van de rechtbank nodig is.

Ten aanzien van de privérekeningen zijn partijen het erover eens dat ieder zijn eigen bankrekening(en) houdt zonder verrekening van de saldi op de peildatum.

b. auto Nissan Pixo, kenteken [kenteken]

Tussen partijen is niet in geschil dat de auto in maart 2025, dus voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, is gekocht door de man en aan de man kan worden toegedeeld. Partijen zijn het echter niet eens over de waarde. De vrouw schat de waarde op € 2.000,-. De man betwist dit en stelt dat hij de auto heeft gekocht voor € 450,- en dat voor de waardering ook van dat bedrag uitgegaan kan worden. De man verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een taxatierapport van 7 augustus 2025. Hij heeft dit rapport niet overgelegd. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de man meer dan € 1.000,- contant geld mee had toen hij de auto ging kopen, dus dat het door de man gestelde bedrag van € 450,- niet kan kloppen.

Omdat partijen de waarde van de auto allebei niet met stukken hebben onderbouwd, zal de rechtbank de waarde van de auto vaststellen op het gemiddelde van € 450,- en € 1.000,-, ofwel € 725,-. De man moet de helft van dit bedrag, ofwel € 362,50, aan de vrouw vergoeden.

c. gouden sieraden

Partijen zijn het erover eens dat de gouden sieraden die zij ten tijde van hun Islamitische huwelijk hebben ontvangen, verdeeld moeten worden. Nu vaststaat dat de gouden sieraden verdeeld moeten worden ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld welke sieraden verdeeld moeten worden. Pas daarna komt de rechtbank toe aan de vraag bij wie zich deze gouden sieraden zouden bevinden en of het verzoek tot afgifte van de sieraden zoals door partijen verzocht, kan worden toegewezen.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting kan de rechtbank niet vaststellen welke sieraden partijen ten tijde van het Islamitisch huwelijk hebben gekregen. De bewijslast van de stelling om welke sieraden dit gaat, rust op de partij die verzoekt om afgifte van deze sieraden. De man heeft in dit kader slechts een lijst, niet in de Nederlandse taal, met de vermeende sieraden in het geding gebracht (productie 1). De vrouw heeft deze lijst gemotiveerd betwist. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen om welke sieraden het gaat en kan dus ook niet vaststellen welke sieraden verdeeld moeten worden.

Gelet op voorgaande kan de rechtbank slechts bepalen dat voor zover er sieraden aanwezig waren op de peildatum deze alsnog tussen partijen bij helfte verdeeld moeten worden.

d. contant geld

De vrouw stelt dat het contant geld dat partijen hebben ontvangen van de gasten tijdens het Islamitische huwelijk verdeeld moet worden. Dit geld ligt volgens de vrouw bij de familie van de man. De vrouw schat het contant geld op € 30.000,-. De man stelt dat partijen het contant geld hebben gebruikt voor het betalen van de zaalhuur en de overige kosten van het bruiloftsfeest. Van een resterend bedrag op de peildatum is geen sprake, aldus de man. De vrouw betwist dat het contant geld is gebruikt voor de door de man gestelde doelen.

Voor de rechtbank is niet komen vast te staan dat er op de peildatum nog contant geld dat partijen hebben ontvangen van de gasten tijdens het Islamitische huwelijk aanwezig was. Voor zover dit wel zo was, moet dit geld alsnog tussen partijen bij helfte verdeeld worden.

e. bruidsgave

De vrouw stelt dat partijen in verband met hun huwelijk een bruidsgave zijn overeengekomen. Ter onderbouwing daarvan heeft de vrouw als productie 10 een bewijsstuk van de bruidsgave overgelegd. De man betwist dat partijen een bruidsgave zijn overeengekomen. Dit volgt volgens hem uit het feit dat het door de vrouw overgelegde stuk niet is ondertekend. De vrouw betwist dat het ondertekenen van de overeenkomst een vormvereiste is en maakt aanspraak op de overeengekomen 500 gram goud, wat door de vrouw wordt gesteld op een waarde van € 15.000,-.

Partijen zijn voor de wet gehuwd op 11 november 2024. Het door de vrouw overgelegde stuk is niet vertaald, maar de datum daarvan is volgens de vrouw

6 december 2024. Dat betekent dat de bruidsgave, als die inderdaad is overeengekomen, ná het wettelijk huwelijk van partijen is afgesproken. Voor partijen geldt de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Als de wens van partijen was geweest dat de bruidsgave van de man een privé-verplichting zou zijn ten opzichte van de vrouw hadden partijen dit staande huwelijk met elkaar moeten overeenkomen bij huwelijkse voorwaarden (zie ook ECLI:NL:GHDHA:2025:2113). Nu zij dit niet hebben gedaan staat tegenover de mogelijke vordering van de vrouw een mogelijke verplichting van de man; deze vallen dus tegen elkaar weg (zie ook ECLI:NL:GHARL:2021:4341). Gezien het debat van partijen kwalificeert de rechtbank de mogelijke bruidsgave niet als een schenking maar als een religieus verankerde verplichting. Er is naar het oordeel van de rechtbank naar maatschappelijke normen bezien geen sprake van een verknochte vordering inzake de bruidsgave, dan wel van een verknochte schuld inzake de bruidsgave. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze de bruidsgave niet zo persoonlijk dat deze buiten de gemeenschap valt. Dit betekent dat zelfs als de vrouw wordt gevolgd in haar stelling dat zij en de man een bruidsgave overeengekomen zijn, dit er niet toe leidt dat de vrouw nog een bedrag tegoed heeft van de man.

Het overige wat partijen hebben aangevoerd met betrekking tot de bruidsgave behoeft geen verdere bespreking aangezien dit niet relevant is voor de beslissing. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.

f. krediet Lender en Spender

Tussen partijen is niet in geschil dat zij beiden gehouden zijn de helft van deze gemeenschapsschuld te dragen. Partijen hebben niet inzichtelijk gemaakt wie wat heeft afgelost. De rechtbank zal daarom beslissen dat ieder van hen de schuld op de peildatum voor de helft voor zijn/haar rekening moet nemen en als eigen schuld moet voldoen. Daarbij wordt opgemerkt dat deze beslissing niets afdoet aan de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van ieder van partijen jegens de schuldeiser.

g. lening vader van de man

De man stelt dat partijen € 3.474,50 hebben geleend van zijn vader voor de kosten van de huwelijksreis. De man verzoekt te bepalen dat ieder voor de helft draagplichtig is voor deze schuld. De vrouw betwist dat er sprake is van een lening. Het bedrag is voor het huwelijk, op 31 oktober 2024, overgeboekt en is een voorhuwelijkse privéschuld van de man, aldus de vrouw.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een lening van zijn vader die moet worden aangemerkt als een gemeenschapsschuld. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

h. inboedel

Partijen zijn het erover eens dat er geen sprake is van gezamenlijk aangeschafte inboedel die verdeeld moet worden.

Verzoeken op grond van artikel 827 lid 1 onder g Rv

Op grond van artikel 827 lid 1 onder g Rv kan de rechtbank op verzoek een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met f bij de echtscheiding treffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van onnodige vertraging, zodat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke behandeling van onderstaande verzoeken.

Revindicatie

De vrouw verzoekt – naar de rechtbank begrijpt – de man te veroordelen tot afgifte van haar privégoederen, waaronder de volledige uitzet van de voormalige echtelijke woning.

Op grond van artikel 5:2 BW is de eigenaar van een zaak bevoegd haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen. De eigenaar dient op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat hij een eigendomsrecht heeft.

Partijen hebben samengewoond in de woning van de man, die hij voor het huwelijk heeft gekocht. De man betwist niet dat de goederen (waaronder de volledige uitzet) behoren tot het privévermogen van de vrouw en dat zij daar recht op heeft, maar stelt dat de vrouw al haar privégoederen al terug heeft, met uitzondering van de Ikea Pax kast en dertien dozen met inhoud. Voor de rechtbank is het volstrekt onlogisch dat de vrouw een verzoek indient voor afgifte van haar privégoederen als zij die al in haar bezit zou hebben. Bovendien heeft de vrouw voor in ieder geval de Led-badkamerspiegel en de Intoled ledverlichting met stukken onderbouwd dat die zich nog in de woning bevinden. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verweer van de man dat de vrouw al haar privégoederen al terug heeft.

De vrouw heeft echter geen duidelijke lijst overgelegd van de spullen die behoren tot haar privévermogen. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het in ieder geval gaat om de volgende goederen:

LED-badkamerspiegel;

Emma matras;

Intoled ledverlichting

Luxaliving spiegel;

Leifheit droogrek.

De rechtbank zal de man veroordelen tot afgifte van bovengenoemde goederen en de Ikea Pax kast en de dertien dozen met inhoud. Het verzoek zal voor het overige worden afgewezen, omdat de vrouw de overige goederen die behoren tot de uitzet onvoldoende heeft gespecificeerd.

Overige verzoeken

De vrouw verzoekt een nominale vergoeding voor haar privé-investeringen in de woning van de man. De vrouw stelt dat zij voor een bedrag van € 7.060,98 heeft geïnvesteerd in deze woning en daarnaast een factuur van € 3.000,- heeft betaald van de elektricien die verbeteringen heeft aangebracht in deze woning.

De man erkent het nominale vergoedingsrecht van de vrouw tot een bedrag van € 5.151,56, maar stelt dat hij in augustus 2024 € 6.300,- onverschuldigd heeft betaald aan de vrouw, zodat de man nog € 1.148,44 van de vrouw dient te ontvangen.

Nominaal vergoedingsrecht

Het verschil tussen de door partijen gestelde bedragen ten aanzien van de privéinvesteringen is € 7.060,98 - € 5.151,56 = € 1.909,42. De rechtbank constateert dat dit bedrag is uitgegeven aan de Ikea Pax kast, welke de man aan de vrouw zal moeten afgeven. Deze uitgave moet dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als investering in de woning. Nu de man de privéinvesteringen van de vrouw tot een bedrag van € 5.151,56 niet betwist, zal de rechtbank bepalen dat hij dit bedrag aan de vrouw moet voldoen.

Factuur elektricien

De man betwist deze post. Uit de door de vrouw overgelegde productie 32 kan worden afgeleid dat de broer van de vrouw werkzaamheden heeft verricht in de woning, maar niet is gebleken dat de vrouw daarvoor een bedrag van € 3.000,- heeft betaald. De vrouw heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende onderbouwd dat zij € 3.000,- heeft voldaan zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Onverschuldigde betaling

De man heeft in augustus 2024 vier betalingen aan de vrouw verricht van in totaal € 6.300,-. De vrouw erkent dat de man deze betalingen heeft verricht, maar de titel die de man voor deze betalingen geeft wordt door de vrouw betwist. De man heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende onderbouwd dat hij recht heeft op teruggave van dit bedrag zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;

gelast de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap als volgt:

a. saldi op bankrekeningen

bepaalt dat ieder van partijen de op zijn/haar naam staande bankrekening(en) behoudt zonder nadere verrekening;

b. auto

deelt aan de man toe de Nissan Pixo met kenteken [kenteken] tegen een waarde van € 725,-, onder de verplichting de helft van die waarde, zijnde € 362,50, aan de vrouw te voldoen;

c. gouden sieraden

bepaalt dat, voor zover er gouden sieraden die partijen ten tijde van hun Islamitische huwelijk hebben ontvangen aanwezig waren op de peildatum, deze tussen partijen bij helfte verdeeld moeten worden;

d. contant geld

bepaalt dat, voor zover er contant geld dat partijen hebben ontvangen van de gasten tijdens het Islamitische huwelijk nog aanwezig was op de peildatum, dit tussen partijen bij helfte verdeeld moet worden;

f. krediet Lender en Spender

bepaalt dat partijen onderling ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het krediet bij Lender en Spender op de peildatum 22 juli 2025;

veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van:

LED-badkamerspiegel;

Emma matras;

Intoled ledverlichting

Luxaliving spiegel;

Leifheit droogrek;

Ikea pax kast;

dertien dozen met inhoud, bij de man bekend;

veroordeelt de man om binnen 7 dagen na datum van deze beschikking aan de vrouw te betalen een bedrag van € 5.151,56 wegens de door haar gedane investeringen in zijn woning;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C. Vogel, griffier, op 3 februari 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.C. Vogel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?