ECLI:NL:RBROT:2026:2457

ECLI:NL:RBROT:2026:2457

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer C/10/686363 / FA RK 24-7040 en C/10/692117 / FA RK 25-92
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Echtscheiding. Verdeling beperkte huwelijksgemeenschap. Rechtbank wijst verzoek over de bruidsgave naar Iraans recht toe; de rechtbank verklaart voor recht dat de man aan de vrouw een bruidsgave verschuldigd is van het equivalent van 327 gouden Bahar Azadi munten in euro’s. Aangesloten wordt bij de mondiale goudprijs op de datum waarop het verzoek is ingediend (zie ook ECLI:NL:GHDHA:2025:1999).

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummers / rekestnummers: C/10/686363 / FA RK 24-7040 (echtscheiding) en C/10/692117 / FA RK 25-92 (verdeling)

Beschikking van 13 februari 2026 over de echtscheiding

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. M.M. Dezfouli te Den Haag.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlage van de man, ingekomen op 23 september 2024;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 januari 2025;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlage van de man, ingekomen op 4 februari 2025;

de berichten van de man van 18 februari 2025 (met bijlage), 20 februari 2025 (met bijlage) en 5 januari 2026 (met bijlagen);

het aanvullende verzoek van de man van 7 januari 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam 1] , op [datum] .

Het minderjarige kind van partijen is:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .

Partijen hebben allebei de Iraanse nationaliteit. De man heeft daarnaast sinds

9 oktober 2020 de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft sinds april 2025 de Nederlandse nationaliteit.

De man staat vanaf 6 september 2011 ingeschreven in Nederland. De vrouw vanaf 22 mei 2012.

3. De beoordeling

Ingetrokken verzoeken

De man heeft zijn verzoeken ten aanzien van het opnemen van het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant in de beschikking ingetrokken. De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van het opnemen van het ouderschapsplan in de beschikking ingetrokken. De rechtbank hoeft dus niet meer te beslissen op die verzoeken.

Scheiding

De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De vrouw betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek eveneens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Ouderschapsplan

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd. Omdat partijen voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.

Hoofdverblijfplaats

De man verzoekt het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem te bepalen.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.

De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 HKV 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.

De minderjarige is in het kader van de procedure voorlopige voorzieningen voorlopig aan de man toevertrouwd. De man heeft op dit moment ook het grootste aandeel in de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Hij kan vanuit huis werken waardoor hij de zorg voor de minderjarige beter met zijn werk kan combineren dan de vrouw, die op wisselende dagen in een kledingwinkel werkt. De vrouw woont bovendien op dit moment in een huurwoning in Rotterdam, terwijl de minderjarige in [plaatsnaam 2] op school zit, wat aan de zijde van de vrouw ook zorgt voor praktische problemen.

Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het partijen niet lukt om afspraken te maken over onderwerpen met betrekking tot de minderjarige, omdat er met name veel onzekerheid is over de bruidsgave en daarmee samenhangend de verkoop dan wel toedeling van de echtelijke woning aan de [adres] (hierna ook: de woning). De rechtbank zal hierna een beslissing nemen over de bruidsgave, maar dan is nog niet duidelijk wat er gaat gebeuren met de woning. Mocht de vrouw recht hebben op de bruidsgave, dan wil zij proberen om met dat geld de woning over te nemen. De man wil de woning verkopen en moet dus sowieso op zoek naar andere woonruimte.

De man heeft nog geen alternatieve woonruimte op het oog. Zolang er sprake is van deze onzekerheid, is niet duidelijk waar de minderjarige het beste zijn hoofdverblijf kan hebben. Gelet hierop zal de rechtbank voorlopig aansluiten bij de huidige situatie, zodat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige voorlopig bij de man wordt bepaald. De definitieve beslissing zal worden aangehouden op de wijze zoals hierna in het dictum vermeld.

De rechtbank geeft partijen mee dat zij in de tussentijd hun verzoeken kunnen aanvullen dan wel wijzigen, zoals ook tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

Voortgezet gebruik woning

De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning tot het moment van verkoop daarvan aan haar toe te wijzen.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt het voortgezet gebruik van de woning aan hem toe te wijzen totdat de woning is verkocht.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning.

De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

De rechter kan bepalen dat één van de echtgenoten tot zes maanden na de echtscheiding (oftewel, inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand) het voortgezet gebruik van de woning zal hebben (artikel 827 lid 1 sub d Rv en artikel 1:165 BW). Het voortgezet gebruik is te zien als een overgangsmaatregel, een voortzetting van de procedure voorlopige voorzieningen. De voorwaarde dat de betreffende echtgenoot er woont houdt hier verband mee.

De rechtbank constateert dat het uitsluitend gebruik van de woning in de procedure voorlopige voorzieningen aan de man is toegekend. Omdat de vrouw niet voldoet aan het vereiste dat zij de woning op dit moment bewoont, zal haar verzoek worden afgewezen.

De man bewoont de woning wel en draagt daar het grootste deel van de zorg voor de minderjarige, wat hij ook voorlopig zal blijven doen. Dit betekent dat de man belang heeft bij het voortgezet gebruik. Het verzoek van de man zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn op grond van de wet maximaal zes maanden na de echtscheiding bedraagt. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Onderhoudsbijdragen

De vrouw verzoekt:

een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 377,- per maand;

en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.460,- per maand vast te stellen.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek te bepalen dat de vrouw aan de man een kinderbijdrage van € 25,- per maand moet betalen.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage en partnerbijdrage.

Op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage en partnerbijdrage zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Kinderbijdrage

Voor de situatie waarin de minderjarige zijn voorlopige hoofdverblijfplaats heeft bij de man heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met een kinderbijdrage van € 25,- per maand, door haar aan de man te voldoen. De rechtbank zal deze voorlopige kinderbijdrage met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen. De definitieve beslissing over de kinderbijdrage zal worden aanhouden op de wijze zoals hierna in het dictum vermeld.

Partnerbijdrage

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partnerbijdrage in geschil. De rechtbank zal de partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie.

Behoefte

Omdat de man de stelling van de vrouw inhoudende dat voor de berekening van haar behoefte de ‘hofnorm’ als uitgangspunt moet gelden niet althans onvoldoende heeft weersproken, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.

De vrouw heeft onbetwist gesteld dat partijen tijdens het huwelijk de beschikking hadden over een besteedbaar gezinsinkomen van € 5.100,- netto per maand en dat haar behoefte 60% van dit bedrag bedraagt, zijnde € 3.060,- per maand. De rechtbank stelt de behoefte van de vrouw daarom vast op dit bedrag.

Behoeftigheid

De man voert aan dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw stelt in haar verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, dat haar netto besteedbaar inkomen € 1.600,- per maand bedroeg in 2025. Volgens de door de vrouw als bijlage 3 bij het verweerschrift overgelegde berekening bedroeg haar netto besteedbaar inkomen echter € 1.783,- per maand in 2025. De aanvullende behoefte van de vrouw zou, uitgaande van laatstgenoemd bedrag, € 3.060,- - € 1.783,- = € 1.267,- netto per maand bedragen in 2025 (geïndexeerd naar 2026 € 1.325,- netto per maand).

De man betwist echter het door de vrouw gestelde inkomen waarmee zij gerekend heeft. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de vrouw gelegen om haar aanvullende behoefte te onderbouwen door het overleggen van financiële stukken. Zij heeft dat nagelaten. Al om die reden zal haar verzoek worden afgewezen. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de draagkracht van de man.

Afwikkeling huwelijksvermogensregime

De vrouw verzoekt te bepalen dat de boedelverdeling zal plaatsvinden conform nog te maken afspraken.

De man voert geen verweer.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels).

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de nationaliteit van Iran gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat (Iran) gevestigd. De gemeenschappelijke nationaliteit van partijen is die van een zogenaamd nationaliteitsland. Het land van de gemeenschappelijke nationaliteit is geen verdragsland. Het land van de eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking is geen verdragsland en het beschouwt zich als een nationaliteitsland.

Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 2 aanhef en onder b. van het Verdrag werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van Iran, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.

Gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, lid 2 van het Verdrag, waardoor na voornoemd recht met ingang van 22 mei 2022 het recht van Nederland van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime.

Het Nederlands recht kende op 22 mei 2022 als wettelijk huwelijksvermogensstelsel de beperkte gemeenschap van goederen. Gesteld noch gebleken is dat partijen bij huwelijkse voorwaarden een daarvan afwijkend huwelijksvermogensregime zijn overeengekomen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat er tussen partijen sprake is van een beperkte gemeenschap van goederen. De beperkte huwelijksgemeenschap naar Nederlands recht omvat slechts de activa die zijn verworven en de schulden die zijn aangegaan vanaf het moment dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime.

Inhoudelijk

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man abusievelijk zijn verzoek ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime niet heeft ingediend bij de rechtbank. De vrouw heeft wel een verzoek op dat punt gedaan, maar dat is onbepaald, zodat het niet voldoet aan de voorwaarden voor toewijzing.

De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen hun verzoek over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime alsnog in te dienen dan wel te concretiseren en aan te vullen.

De beslissing over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime zal worden aangehouden op de wijze zoals hierna in het dictum vermeld.

Overige nevenvoorzieningen

De man verzoekt:

te verklaren voor recht dat een verzoek van de vrouw tot nakoming van de bruidsgave naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

te verklaren voor recht dat de man reeds aan zijn verplichtingen uit hoofde van de bruidsgave heeft voldaan.

te bepalen dat de vrouw de helft van het bedrag van € 65.000,-, zijnde € 32.500,-, dat de man heeft betaald aan maandelijkse hypothecaire leningen voor de woning, aan hem moet voldoen.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

De vrouw verzoekt zelfstandig – na wijziging – te verklaren voor recht dat de man aan de vrouw een bruidsgave verschuldigd is van het equivalent van 327 Bahar Azadi gouden munten in euro’s, zijnde € 234.720,60.

Op grond van artikel 827 lid 1 onder g Rv kan de rechtbank op verzoek een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met f bij de echtscheiding treffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.

De rechtbank vindt dat aan deze voorwaarden is voldaan, zodat de rechtbank overgaat tot een beoordeling van de verzoeken van partijen.

Rechtsmacht

Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter ook rechtsmacht ten aanzien van de verzoeken van partijen (artikel 4 lid 3 Rv jo artikel 827 lid 1 onder g Rv).

Bruidsgave

De bruidsgave is een rechtsfiguur uit het Iraanse recht. Zij houdt een toezegging in van de man aan de vrouw tot betaling van geld of goederen ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. Op grond van artikel 1082 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek (IBW) wordt de vrouw bij de huwelijkssluiting eigenaar van de bruidsgave en kan zij daarover in beginsel vrij beschikken. Naar Iraans recht behouden echtgenoten ieder hun eigen vermogen. Omdat de vrouw na de ontbinding van het huwelijk in beginsel geen aanspraak kan maken op het vermogen van de man, vervult de bruidsgave de functie van financiële zekerheid voor de vrouw in geval van echtscheiding.

De rechtbank is van oordeel dat de bruidsgave naar Iraans recht niet met een Nederlandse rechtsfiguur is te vergelijken. Zij heeft een eigen, van het Nederlandse recht afwijkend karakter en is niet gelijk te stellen met een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak of een onderhoudsverplichting. In lijn met eerdere rechtspraak oordeelt de rechtbank dat de bruidsgave moet worden aangemerkt als een rechtsfiguur sui generis.

Toepasselijk recht

Zoals hiervoor is overwogen, vloeit de bruidsgave voort uit een rechtsverhouding sui generis, waarvoor geen specifieke conflictregels bestaan. De rechtbank moet daarom beoordelen bij welke verwijzingscategorie het onderhavige verzoek het meest aansluit.

De vrouw heeft zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over het toepasselijk recht.

De man heeft zich tijdens de mondelinge behandeling primair op het standpunt gesteld dat Iraans recht van toepassing is. Subsidiair heeft de man met een beroep op Hof Den Haag 10 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1067 betoogd dat op grond van artikel 10:8 BW de bruidsgave niet door Iraans recht maar door Nederlands recht wordt beheerst.

De rechtbank moet het toepasselijk recht ambtshalve vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank is het aangewezen het bestaan en de omvang van de aanspraak te beoordelen naar het recht waaruit die aanspraak is ontstaan, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bedoeling van partijen. Nu de bruidsgave voortvloeit uit het door partijen naar Iraans recht gesloten huwelijk, moet het recht van de vrouw op de bruidsgave worden beoordeeld naar Iraans recht.

Inhoudelijk

Tussen partijen is niet in geschil dat in hun huwelijksakte een bruidsgave is overeengekomen van 327 gouden Bahar Azadi munten. Partijen verschillen van mening of de vrouw aanspraak kan maken op die bruidsgave.

Heeft de vrouw afstand gedaan van de bruidsgave?

De man voert aan dat de vrouw naar Iraans recht geacht wordt afstand te hebben gedaan van de bruidsgave, nu zij in de onderhavige procedure om de echtscheiding heeft verzocht. Volgens de man kan de vrouw namelijk alleen om – een khul – echtscheiding vragen als zij afstand doet van de bruidsgave.

Het verweer van de man treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. In de huwelijksakte zijn geen voorwaarden vermeld met betrekking tot de verschuldigdheid van de afgesproken bruidsgave. Op grond van de huwelijksakte heeft de vrouw recht op de bruidsgave zonder dat dit recht is beperkt.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien toegelicht dat zij slechts zelfstandig om de echtscheiding heeft verzocht, omdat zij instemt met het verzoek van de man. De man is deze procedure gestart en heeft bij zijn inleidend verzoekschrift om de echtscheiding verzocht. Dit maakt dat als de rechtbank zou toekomen aan de vraag of er sprake is van een khul echtscheiding, die vraag ontkennend beantwoord zou worden.

Misbruik van recht?

De man voert verder aan dat er sprake is van rechtsverwerking. De man stelt dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw haar vorderingsrecht niet geldend zou maken, omdat de vrouw meermalen heeft gezegd dat de bruidsgave in haar optiek alleen symbolisch bedoeld is. De man verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de door hem bij zijn bericht van 5 januari 2026 overgelegde schriftelijke getuigenverklaring.

De vrouw betwist dat zij de uitspraken waarnaar de man verwijst heeft gedaan.

De rechtbank begrijpt dat de man zich beroept op het ‘verbod van misbruik van recht’ dat volgens het Iraanse recht de uitoefening van rechten beperkt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man, zelfs als de vrouw de door hem gestelde uitspraken gedaan heeft, onvoldoende concrete gronden aangevoerd om een beroep op misbruik van recht te rechtvaardigen. Uit de overgelegde getuigenverklaring blijkt dat de vrouw die uitspraken gedaan zou hebben in april 2024, dat wil zeggen in de beginfase van het uiteengaan van partijen waarin ze nog probeerden om in onderling overleg de echtscheiding af te wikkelen. Toen duidelijk werd dat dit niet ging lukken, had de man er niet zonder meer op mogen vertrouwen dat de vrouw nog steeds hetzelfde dacht over de verschuldigdheid van de bruidsgave. De situatie was veranderd en daarmee mogelijk ook haar standpunt. Het recht van de vrouw op de bruidsgave is dan ook niet op grond van misbruik van recht beperkt. De vrouw heeft dus in beginsel recht op de overeengekomen bruidsgave.

Vordering in euro’s en, zo ja, wat is de hoogte van de vordering?

De man voert aan dat de bruidsgave niet kan worden voldaan in gouden Bahar Azadi munten, maar de vrouw heeft op de mondelinge behandeling haar verzoek op dat punt gewijzigd en aangegeven dat ze de bruidsgave wenst te ontvangen in euro’s. De man heeft dus geen belang meer bij dit verweer.

Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of naar Iraans recht een in de huwelijksakte afgesproken bruidsgave in de vorm van goudeenheden kan worden voldaan in geld en zo ja, hoe die geldsom moet worden berekend.

Voor de beantwoording van die vragen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van Hof Den Haag van 12 februari 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1999). Uit deze uitspraak volgt – samengevat – het volgende:

Naar Iraans recht kan een in de huwelijksakte afgesproken bruidsgave in de vorm van goudeenheden worden voldaan in geld. De vrouw mag bepalen of zij de als bruidsgave overeengekomen gouden munten dan wel de waarde daarvan in geld wenst te ontvangen.

Ter berekening van de waarde van de als bruidsgave overeengekomen goudeenheden kan aangesloten worden bij de mondiale goudprijs, waaraan ook de goudprijzen in Iran zijn gekoppeld. Ten aanzien van de peildatum wordt aangesloten bij de datum waarop de vrouw de bruidsgave voor het eerst in rechte heeft gevorderd, in deze zaak is dat 6 januari 2025.

De man beroept zich op een wetsvoorstel dat in Iran aanhangig is, wat de opeisbaarheid van de bruidsgave beperkt tot veertien gouden Bahar Azadi munten.

De rechtbank volgt de vrouw in haar standpunt dat geen rekening moet worden gehouden met dit wetsvoorstel, omdat het nog geen rechtskracht heeft in Iran.

Verder stelt de man dat het naar Iraans recht niet mogelijk is om het recht van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave te verrekenen met de verplichting van de vrouw om – in de situatie dat de vrouw de woning overneemt – de man uit hoofde van overbedeling van de woning een geldbedrag te betalen. Volgens Iraans recht kan de man niet worden gedwongen zijn woning te verkopen om de bruidsgave te voldoen, aldus de man.

De rechtbank stelt vast dat de man de woning sowieso wil verkopen, zodat hij recht heeft op de helft van de overwaarde. Van een gedwongen verkoop om de bruidsgave te voldoen is dus geen sprake. Al om die reden gaat de rechtbank aan dit verweer van de man voorbij.

Tussen partijen is niet in geschil dat naar Iraans recht de betaling van een bruidsgave die 110 Bahar Azadi gouden munten te boven gaat, afhankelijk is van de financiële omstandigheden en de draagkracht van de man. De bewijslast van het ontbreken van draagkracht rust daarbij op de man. De man heeft in deze procedure niet expliciet aangevoerd dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bruidsgave te betalen. Bovendien staat tussen partijen vast dat er sprake is van een overwaarde van de woning, waartoe de man voor de helft gerechtigd is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de man geen draagkracht heeft om de bruidsgave van meer dan 110 Bahar Azadi gouden munten te betalen.

De conclusie is dat de vrouw recht heeft op de waarde van 327 Bahar Azadi gouden munten ten tijde van haar verzoek, te weten 6 januari 2025. Op die datum bedroeg de mondiale goudprijs € 81,557 per gram. Het gewicht aan puur goud van één Bahar Azadi munt bedraagt blijkens productie 2 van de vrouw 7,317 gram. De man heeft aangevoerd dat de rechtbank niet kan uitgaan van dit gewicht, omdat het gaat om informatie van een webshop die niet betrouwbaar genoeg is. De man heeft echter niet aangegeven met hoeveel gram per munt de rechtbank dan wel zou moeten rekenen. Daarmee heeft hij de stelling van de vrouw op dit punt onvoldoende weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. De overeengekomen bruidsgave bestaat dan uit 2.392,659 gram. De geldwaarde van de als bruidsgave overeengekomen gouden Bahar Azadi munten per 6 januari 2025 bedraagt dan € 195.138,09. De man heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de rechtbank tot de conclusie kan komen dat hij dit bedrag al direct of indirect aan de vrouw heeft betaald. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om te verklaren voor recht dat de man aan de vrouw een bruidsgave verschuldigd is tot dit bedrag toewijzen en de verzoeken van de man ten aanzien van de bruidsgave afwijzen.

Regresvordering

Tijdens de mondelinge behandeling is de vordering van de man besproken.

De rechtbank heeft de man erop gewezen dat hij geen onderscheid maakt tussen de toepassing van Iraans recht, de toepassing van Nederlands recht en de periode voor en na de peildatum (23 september 2024). De man heeft uiteindelijk voorgesteld om in zijn algemeenheid te bepalen dat hij een regresvordering heeft voor de door hem betaalde aflossing exclusief de rente over de periode na de peildatum. De rechtbank begrijpt daaruit dat de man zijn verzoek wijzigt, in die zin dat hij verzoekt te bepalen dat de vrouw aan hem moet betalen de helft van de door hem betaalde aflossing van de hypotheek van de woning over de periode na 23 september 2024. De vrouw voert verweer.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man gesteld dat de woning is gekocht in 2021. Dat zou betekenen dat de woning niet in de beperkte huwelijksgemeenschap valt.

Als de gemeenschappelijke eigendom van de woning evenmin voortvloeit uit het Iraanse huwelijksvermogensrecht, dan is het Verdrag niet van toepassing. In dat geval wordt het verzoek van de man op grond van artikel 16 Rome I Vo (Verordening EG, nr. 593/2008) beheerst door het Nederlandse recht, nu de koop van de woning ook door het Nederlandse recht werd beheerst (zie artikel 4 lid 1 sub c Rome I Vo).

Indien en voor zover een partij meer heeft voldaan dan waartoe hij op grond van een onderlinge draagplicht verschuldigd was, heeft hij (ingevolge artikel 6:10 lid 2 BW) een regresvordering op de andere partij.

De man heeft geen concreet bedrag verzocht. Het gewijzigde verzoek van de man is daarmee (te) onbepaald en voldoet al om die reden niet aan de voorwaarden voor toewijzing. Nu de beslissing ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogens-regime wordt aangehouden, zal de rechtbank de man in de gelegenheid stellen zijn verzoek nader te concretiseren. In afwachting daarvan zal de beslissing op het verzoek van de man worden aangehouden op de wijze zoals hierna in het dictum vermeld.

Proceskosten

Omdat ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot de definitieve hoofd-verblijfplaats, de definitieve kinderbijdrage, de afwikkeling van het huwelijksvermogens-regime en de regresvordering nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam 1] ;

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige voorlopig bij de man;

bepaalt dat de man, als hij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan [adres] , die aan de vrouw uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van de datum van deze beschikking als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 25,- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

verklaart voor recht dat de man aan de vrouw een bruidsgave verschuldigd is van € 195.138,09;

wijst af de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het voortgezet gebruik van de woning en de partnerbijdrage;

wijst af de verzoeken van de man ten aanzien van de bruidsgave;

en voordat verder wordt beslist:

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de definitieve hoofd-verblijfplaats, de definitieve kinderbijdrage, de afwikkeling van het huwelijksvermogens-regime en de regresvordering wordt aangehouden tot 1 juni 2026 PRO FORMA;

draagt partijen op om uiterlijk op de genoemde pro forma datum de rechtbank te informeren over de stand van zaken, gewijzigde en/of aanvullende verzoeken in te dienen en hun verdere procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C. Vogel, griffier, op 13 februari 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.C. Vogel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?