Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-128744-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 96-336222-23
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Datum zitting: 30 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte: [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,zonder vaste woon- of verblijfplaats
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. K. Hoesenie
Officier van justitie: mr. A. Tiggelaar
Benadeelde partijen: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. T.S.H. Buskop
De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met de parketnummers 10-261505-25 en 10-282445-25. Hoewel de officier van justitie één straf heeft gevorderd en de raadsvrouw van de verdachte geen verweer heeft gevoerd, heeft de officier van justitie ter zitting niet de voeging van de zaken gevorderd en heeft de rechtbank ter zitting niet expliciet de voeging bevolen. Nu er een verdedigingsbelang kan zijn om de zaken niet te voegen, kan de rechtbank niet uitgaan van een impliciete beslissing tot voegen. Derhalve zijn de zaken niet gevoegd behandeld en volgt in elk van de zaken een apart vonnis.
Kern van het vonnis
Veroordeling voor mishandeling tot een gevangenisstraf van 46 dagen. Vrijspraak poging zware mishandeling. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging.
1. Tenlastelegging
1 primair:
1 subsidiair:
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – geprobeerd heeft zwaar lichamelijk letsel toe te brengen bij [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) door met een stuk van een glazen fles in/tegen zijn hoofd te steken/slaan en op hem in te slaan en te schoppen. Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
hij op of omstreeks 26 april 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door
- die [slachtoffer] met een (stuk van een) glazen fles, althans een scherp en/of puntig
voorwerp in zijn hoofd te steken, althans tegen zijn hoofd te slaan en/of
- die [slachtoffer] (meermaals) tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen
en/of slaan en/of trappen;
hij op of omstreeks 26 april 2025 te Rotterdam
[slachtoffer] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer] met een (stuk van een) glazen fles, althans een scherp en/of puntig
voorwerp in zijn hoofd te steken, althans tegen zijn hoofd te slaan en/of
- die [slachtoffer] (meermaals) tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen
en/of slaan en/of trappen.
2. Bewijs / vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primaire feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak primaire feit en partiële vrijspraak subsidiaire feit
Naar het oordeel van de rechtbank kan er slechts sprake zijn van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel als kan worden bewezen dat de verdachte de aangever met een fles op/tegen zijn hoofd heeft geslagen of gestoken. Dat bewijs is er niet. De verdachte ontkent dat hij met de fles heeft geslagen of gestoken. En in tegenstelling tot de officier van justitie, oordeelt de rechtbank dat dit bewijs niet voortvloeit uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] en van [getuige 2] . Voor de verklaring van [getuige 1] geldt dat onduidelijk is gebleven op welk moment hij bij het incident aanwezig is geweest en wat hij dus kan hebben waargenomen. [getuige 2] verklaart wel dat er met glazen flessen geslagen of gestoken is, maar zij zegt niet dat de verdachte dat heeft gedaan en zij verklaart ook dat zij niet goed kon zien wie precies wat gedaan heeft. Tenslotte, de aangever heeft weliswaar een hoofdwond, maar niet is uit te sluiten dat die wond op een andere manier is ontstaan dan door het slaan met een fles. De verdachte heeft in elk geval verklaard dat het slachtoffer op de grond terecht is gekomen waardoor wellicht de hoofdwond is ontstaan. De door de verdachte bekende mishandeling, door te slaan en te schoppen, kan niet worden gekwalificeerd als een poging zware mishandeling. De verdachte wordt van het primaire feit vrijgesproken.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte ook partieel te worden vrijgesproken van het steken/slaan met (een stuk van) de fles tegen het achterhoofd van de verdachte zoals ten laste gelegd onder het subsidiaire feit.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen subsidiaire feit
Bewezen is dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door tegen zijn hoofd en lichaam te slaan en te schoppen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het subsidiaire feit (deels) bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring slachtoffer
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 subsidiair
hij op 26 april 2025 te Rotterdam
[slachtoffer] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer] meermaals tegen het hoofd en tegen het lichaam te schoppen
en slaan;
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 subsidiair
mishandeling
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten (inclusief die van de andere parketnummers) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan 36 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren. Daarnaast moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Bij deze strafeis is tevens rekening gehouden met het ten laste gelegde feit onder parketnummer 10-261505-25.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met het eigen aandeel van het slachtoffer en de beperkte aard van het letsel.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van het slachtoffer door meermaals tegen onder andere zijn hoofd te slaan. Naast de impact die het incident op het slachtoffer en de directe omstanders zal hebben gehad, wakkert een dergelijk feit gevoelens van onveiligheid in de samenleving aan, nu deze mishandeling heeft plaatsgevonden op de openbare weg. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 18 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Stichting Verslavingsreclassering GGZ van 21 januari 2026 staat het volgende. De verdachte komt al meerdere jaren in contact met politie en justitie en heeft een fors strafblad. Daarnaast is er op veel leefgebieden sprake van instabiliteit. Zo heeft de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats, dagbesteding, inkomsten en heeft hij een grote schuldenlast. Ook kampt hij met problematisch middelengebruik. De reclassering acht het daarom noodzakelijk om een laatste keer in te zetten op interventies. De overtuiging is dat alleen dit kan bijdragen aan risicobeperking. De volgende bijzondere voorwaarden worden geadviseerd: meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod, dagbesteding, aflossing schulden en beheersing middelengebruik.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij in het verleden niet altijd even goed is geholpen. Daarom is het lastig om een stabiel leven op te bouwen. De verdachte wil weer aan het werk gaan en wil zich inzetten voor alle hulp en begeleiding.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten van eenvoudige mishandeling. Daarom wordt een gevangenisstraf van 46 dagen opgelegd met aftrek van het voorarrest. Hierdoor is de onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur die is doorgebracht in detentie. Gelet op de tijd die de verdachte al heeft doorgebracht in voorarrest ziet de rechtbank geen ruimte meer voor een voorwaardelijk strafdeel.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde]
heeft als benadeelde partij voor het feit een bedrag van € 3.800,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 3.800,=, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering heeft een duidelijke en volledige onderbouwing.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel moet de vordering worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en niet eenvoudig is vast te stellen. De vordering dient subsidiair aanzienlijk te worden gematigd tot een bedrag dat in redelijke verhouding staat tot het beperkte letsel.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk ten gevolge van de mishandeling enig lichamelijk letsel opgelopen, te weten een hoofdwond.
De schade wordt naar billijkheid begroot op € 350,=. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit). Hoewel de verwonding op het achterhoofd een gevolg is van de mishandeling, is het litteken zelf beperkt en alleen zichtbaar als de haren van het slachtoffer kort geschoren zijn. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De vordering wordt tot het bedrag van € 350,= toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 350,= als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. Het resterende deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 26 april 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal drie dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Het nu bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zesenveertig (46) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 96-336222-23)
beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, zoals opgelegd in het vonnis van 3 oktober 2024;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde] (feit 1), te betalen een bedrag van € 350,= als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] de staat € 350,= te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal drie dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 februari 2026.
Mrs. Boek en Van Vuren zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.