Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-282445-25
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Datum zitting: 30 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte: [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1994 in [geboorteplaats] ,zonder vaste woon- of verblijfplaats
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. K. Hoesenie
Officier van justitie: mr. A. Tiggelaar
Benadeelde partijen: [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met de parketnummers 10-261505-25 en 10-128744-25. Hoewel de officier van justitie één straf heeft gevorderd en de raadsvrouw van de verdachte geen verweer heeft gevoerd, heeft de officier van justitie ter zitting niet de voeging van de zaken gevorderd en heeft de rechtbank ter zitting niet expliciet de voeging bevolen. Nu er een verdedigingsbelang kan zijn om de zaken niet te voegen, kan de rechtbank niet uitgaan van een impliciete beslissing tot voegen. Derhalve zijn de zaken niet gevoegd behandeld en volgt in elk van de zaken een apart vonnis.
Kern van het vonnis
Veroordeling tot een gevangenisstraf van 138 dagen, waarvan 36 dagen voorwaardelijk, voor een woninginbraak waarbij een kluis is gestolen. Vrijspraak voor een woninginbraak waarbij meerdere (waardevolle) goederen zijn weggenomen. De vordering van één benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard en de vordering van een andere benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in twee woningen heeft ingebroken en spullen heeft weggenomen.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2025 tot en met 8 augustus 2025 te
Vlaardingen
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meer sieraden, een geldbedrag van ongeveer€ 15.000,-, een paar schoenen,
een laptop, een of meer tassen, een of meer stuks gereedschap, een camera en/of
een paar AirPods, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/ of die weg te nemen goederen
onder zijn/hun bereik heeft /hebben gebracht door middel van braak, verbreking
en/ of inklimming;
2
hij in of omstreeks de periode van 8 september 2025 tot en met 9 september 2025 te
Vlaardingen
een kluis (met inhoud), in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed
onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of
inklimming.
2. Bewijs / Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 2
Bewezen is dat de verdachte een kluis uit de woning van [slachtoffer 2] heeft gestolen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 2]Op 8 september 2025 om 16:40 uur heeft de schilder mijn woning in Vlaardingen verlaten en heeft hij alles goed afgesloten. Op 9 september 2025 om 09:00 uur werd ik door de schoonmaakster gebeld. Ze zei dat het raam was geforceerd en dat de woning overhoop was gehaald. Ik zag via facetime dat mijn kluis weg was. In de kluis zaten verschillende spullen.
2. Proces-verbaal van de politie
Op dinsdag 9 september 2025, omstreeks 08.40 uur, kwamen wij ter plaatse in het Klauterwoud in Vlaardingen. Wij zagen dat er een man naar ons toekwam. Hij vertelde dat hij de melder was. De melder bleek te zijn genaamd :
- [getuige] , geboren op [geboortedatum 2] 2005 in [geboorteplaats] .
Ik, verbalisant [naam verbalisant] , hoorde via de portofoon, dat er een melding
binnenkwam op de [adres] in Vlaardingen. Ik hoorde dat er op dit adres
een melding gemaakt was van een woninginbraak, wat gisteren tussen 8 september 2025 om 16.40 uur en vandaag 9 september 2025 08.20 uur mogelijk had plaatsgevonden. Ik hoorde dat de centralist zei dat er een kluis en een aantal andere goederen weg waren genomen op dit adres.
Ik, verbalisant [naam verbalisant] , zag dat er in de melding van de [adres]
in Vlaardingen, het telefoonnummer van de broer van de hoofdbewoner van dit adres vermeld was. Ik nam telefonisch contact op met hem om te verifiëren of de kluis
daadwerkelijk de weggenomen kluis was van de [adres] , waar de
hoofdbewoner tevens eigenaar van is.
Ik, verbalisant [naam verbalisant] , stuurde foto's van de kluis naar de broer van de
hoofdbewoner. De broer van de hoofdbewoner, stuurde weer deze foto's door naar de
hoofdbewoner. De broer van de hoofdbewoner, vertelde dat de hoofdbewoner bevestigd had dat dit zijn weggenomen kluis betrof.
3. Verklaring van een getuige tegenover een verbalisant
Op 9 september 2025 om 09:15 uur verhoorde ik, in persoon, de getuige:
[getuige] , geboren [geboortedatum 2] 2005.
Op dinsdag 9 september 2025, omstreeks 08.15 uur, reden mijn collega en ik op de
Broekpolderweg. Wij reden langs de uitkijktoren op de Klauterwoud in Vlaardingen.
Wij zagen naast de uitkijktoren een zwart rechthoekig voorwerp liggen.
Toen mijn collega en ik erheen liepen, zagen wij dat dit een zwarte kluis was. Wij zagen dat de er flinke wit/grijze rook uit de kluis kwam. Wij zagen dat de kluis open was. Mijn collega en ik zagen dat er aan de rechterzijde van de kluis, gezien vanaf de voorzijde van de kluis, dat er een uitgebrand stuk vuurwerk lag.
Mijn collega en ik zagen dat er uitgebrande papieren in de kluis lagen. De papieren waren haast niet meer leesbaar. Wij zagen en voelden dat de kluis nog warm was.
4. Proces-verbaal van de politieIk heb onderzoek gedaan naar de aangetroffen kluis, waarvan de aangever heeft bevestigd dat het zijn kluis is. Ik heb de kluis aan de buitenzijde bemonsterd op de eventuele aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal. Deze bemonsteringen heb ik verpakt, gewaarmerkt en voorzien van het Spoor Identificatienummer (SIN): AASZ6066NL.
Ik heb onderzoek gedaan in de woning van de aangever. Ik zag een beschadiging in de kozijnstijl aan de sluitzijde van het raam op de begane grond ter hoogte van de knipsluiting. Ik zag dat de raamboom van deze sluiting gedeeltelijk losgekomen was van het houtwerk van uitslaande raam. Ik zag dat de schoot van de sluiting deels verbogen was. Gezien de uiterlijke kenmerken van deze beschadigingen, zijn deze vermoedelijk veroorzaakt door het wrikken in de sluitnaad met een breekvoorwerp, mogelijk een schroevendraaier. Ook in het kozijn aan de bovenzijde van dit uitslaande raam zag ik een beschadiging van vermoedelijk een schroevendraaier.
Deze diefstal zou hebben plaatsgevonden tussen maandag 8 september 2025 16:40 uur en dinsdag 9 september 2025 09:00 uur. Door de dader(s) is een uitslaand raam aan de zijkant van de woning opengebroken waardoor er toegang tot in de woning verkregen is.
5. Deskundigenverslag
Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van DNA
Randen van buitenzijde kluis AASZ6066NL#01
Onvolledig DNA-profiel van minimaal één man.
[verdachte]
Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van [verdachte] RAAE9247NL in de bemonstering AASZ6066NL#01 is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [verdachte] .
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van één onbekende persoon.
De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
Bewijsmotivering
De aangever heeft verklaard dat een schilder zijn woning in Vlaardingen op 8 september 2025 om 16:40 uur heeft verlaten. De volgende ochtend werd hij om ongeveer 09:00 uur door de schoonmaakster gebeld dat in zijn woning was ingebroken en dat de kluis was weggenomen. Op 9 september 2025, omstreeks 08:25 uur, werd een kluis aangetroffen in het Klauterwoud in Vlaardingen. Uit de kluis kwam flink wat rook en bij en in de kluis lagen resten van een ontploft stuk vuurwerk respectievelijk uitgebrande papieren. De kluis voelde op dat moment nog warm aan. Het DNA van de verdachte is aangetroffen op de buitenzijde van deze kluis.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De verklaringen en aangetroffen sporen ondersteunen een dominant scenario waarbij de inbreker of inbrekers de kluis van de aangever hebben meegenomen naar het Klauterwoud, daar hebben opengebroken en in brand hebben gestoken, al dan niet met een stuk vuurwerk. Hoewel het tijdpad van de aangifte ruimte biedt voor een inbraak tussen 8 september 2025 om 16:40 uur en 9 september om 09:00 uur, ligt het voor de hand dat de kluis tijdens de nachtelijke uren, dus in het donker, is weggenomen en in elk geval in de (vroege) ochtend van 9 september 2025 in het Klaterwoud is achtergelaten, waarbij kort voor het werd aangetroffen in de kluis brand is gesticht.
Het aangetroffen DNA-profiel wijst erop dat de verdachte de kluis in handen heeft gehad en dus (een van) de inbreker(s) is geweest. Dat dominante scenario kan worden weerlegd als er een andere, niet op voorhand volstrekt onaannemelijke verklaring is voor de aanwezigheid van het DNA-profiel van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij rond 20:00 uur in het Klauterwoud was en bij de politie heeft hij verklaard dat hij de kluis rokend had aangetroffen in het Klauterwoud. Gelet op het tijdpad zou hij de kluis dan in de avond van 8 september 2025 moeten hebben gevonden. Dat zou betekenen dat de kluis op 8 september 2025 tussen 16:40 uur en ongeveer 19:00 uur was gestolen, dat de inbrekers de kluis daarna naar het Klauterwoud hebben gebracht, dat zij de kluis hebben opgebroken, waarna zij de kluis vóór 20:00 uur rokend hebben achtergelaten.
Dit scenario past echter zeer moeizaam bij de feiten die zijn vastgesteld. Behalve dat het, als gezegd, niet erg waarschijnlijk is dat de kluis in de vroege avond zou zijn gestolen, is de kluis op 9 september 2025 door getuige [getuige] rond 08:25 uur rokend aangetroffen. In het scenario van de verdachte zou de kluis dan de hele nacht moeten hebben blijven branden of misschien later in de nacht nog een keer zijn aangestoken. Dat is niet erg waarschijnlijk. Nu heeft de verdachte zijn eerdere verklaring bij de politie ter terechtzitting in zoverre veranderd dat er, toen hij de kluis aantrof, al niet echt meer rook was, maar die wisseling in de verklaring doet juist verdere afbreuk aan de aannemelijkheid van zijn scenario.
De rechtbank oordeelt, alles afwegende, dat van beide scenario’s die de aanwezigheid van het DNA-profiel van de verdachte op de kluis zouden moeten verklaren, het dominante scenario zoveel aannemelijker is dan het door de verdachte aangedragen scenario, dat buiten elke redelijke twijfel is bewezen dat de verdachte (een van) de inbreker(s) is geweest.
Volledige bewijsbeslissing
Vrijspraak van:
Feit 1:
De beschuldiging ten aanzien van feit 1 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezen is dat:
Feit 2:
hij in de periode van 8 september 2025 tot en met 9 september 2025 te Vlaardingen
een kluis (met inhoud) die geheel aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
Strafbaarheid
De verdachte is strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen strafeis naar voren gebracht, nu zij vrijspraak heeft gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd ten aanzien van dit feit.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een woninginbraak waarbij een kluis, waarin onder andere belangrijke documenten zaten, is weggenomen. De verdachte is naar de woning van de aangever gegaan en heeft daarbij een raam opengebroken. Hierbij zijn beschadigingen ontstaan aan het kozijn. De woning is overhoop gehaald. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangever. Het is voor de aangever bijzonder onaangenaam om te beseffen dat een vreemde in zijn woning is geweest en zijn persoonlijke bezittingen heeft doorzocht terwijl hij zelf met vakantie was. Dit leidt tot gevoelens van onveiligheid bij de aangever en de omwonenden. De verdachte heeft zich hiervan geen enkele rekenschap gegeven en was enkel uit op zijn eigen financiële gewin.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 18 december 2025 blijkt dat de verdachte tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten in de afgelopen vijf jaren.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Stichting Verslavingsreclassering GGZ van 21 januari 2026 staat het volgende. De verdachte komt al meerdere jaren in contact met politie en justitie en heeft een fors strafblad. Daarnaast is er op veel leefgebieden sprake van instabiliteit. Zo heeft de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats, dagbesteding, inkomsten en heeft hij een grote schuldenlast. Ook kampt hij met problematisch middelengebruik. De reclassering acht het daarom noodzakelijk om een laatste keer in te zetten op interventies. De overtuiging is dat alleen dit kan bijdragen aan risicobeperking. De volgende bijzondere voorwaarden worden geadviseerd: meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod, dagbesteding, aflossing schulden en beheersing middelengebruik.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij in het verleden niet altijd even goed is geholpen. Daarom is het lastig om een stabiel leven op te bouwen. De verdachte wil weer aan het werk gaan en wil zich inzetten voor alle hulp en begeleiding.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Daarom wordt een gevangenisstraf van 138 dagen opgelegd.
De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd, omdat enkel met behulp van de geadviseerde bijzondere voorwaarden het recidiverisico kan worden ingeperkt. De rechtbank acht het van wezenlijk belang dat de verdachte de juiste hulp en begeleiding krijgt waardoor hij niet weer in aanraking komt met politie en justitie. Van deze gevangenisstraf worden 36 dagen voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is, met aftrek van het voorarrest, gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, aflossing schulden en beheersing middelengebruik.
5. Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 30 januari 2026 opgeheven. Deze beslissing is een afzonderlijk document vastgelegd.
6. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde 1]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 een bedrag van € 44.229,86 als vergoeding voor materiële schade en € 10.000,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte kan worden vrijgesproken voor onderhavig feit.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering of de vordering moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken voor feit 1. De benadeelde partij kan de vordering nog wel aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Vordering [benadeelde 2]
heeft als benadeelde partij voor feit 2 een bedrag van € 19.000 als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het onderhavig feit.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering dan wel deze moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
6.2.3.1. Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt deels toegewezen, namelijk de schadeposten die ook zijn genoemd in de aangifte: € 2.000 aan cashgeld, aandelen registraties, testamenten en kentekenbewijzen. De verklaring van de benadeelde partij worden ondersteund door het feit dat uitgebrande papieren in de kluis zijn aangetroffen en dat muntgeld naast de kluis is gevonden. Dat sluit aan bij de aangifte.
Dit betekent dat de verdachte € 2.750,= als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op sieraden, een horloge en het overige cashgeld, heeft de verdediging betwist en is ook niet eerder genoemd in de aangifte. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
6.2.3.2. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 9 september 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 27 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f , 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feit 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van honderdachtendertig (138) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat zesendertig (36) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee (2) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra de proeftijd begint of zoveel later als er plek in voor de verdachte. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
5. de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
6. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden die hierboven zijn genoemd en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 2), te betalen een bedrag van € 2.750,= als vergoeding van materiële, en de wettelijke rente hierover vanaf 9 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 2); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat € 2.750,= te betalen, en de wettelijke rente vanaf 9 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 27 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 februari 2026.
Mrs. Boek en Van Vuren zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.