Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummers / rekestnummers: C/10/672579 / FA RK 24-555 (gezag, omgang, informatie)
C/10/680451 / FA RK 24-4342 (kinderbijdrage)
Beschikking van 27 februari 2026 over het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht, de informatieregeling en de onderhoudsbijdrage
in de zaak met kenmerk C/10/672579 van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. van Espen te Hoorn,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. R. Kuijer te Berkel en Rodenrijs, en
in de zaak met kenmerk C/10/680451 van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. R. Kuijer te Berkel en Rodenrijs,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. van Espen te Hoorn.
1. De (verdere) procedures
Het verdere verloop van de procedure met zaakkenmerk C/10/672579 blijkt uit:
de beschikking van 11 april 2024;
het bericht van de vrouw van 29 mei 2024;
het bericht van de man van 1 juni 2024.
Het verloop van de procedure met zaakkenmerk C/10/680451 blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw van 10 juni 2024;
het verweerschrift van de man van 29 augustus 2024;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 25 augustus 2025;
de berichten met bijlage(n) van de man van 3 en 8 september 2025.
De gelijktijdige mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden op 17 september 2025. Daarbij zijn verschenen:
de advocaat van de man;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
De man is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
Na afloop van de mondelinge behandeling is gebleken dat de man op 16 september 2025 om 16:53 uur nog een bericht met bijlage heeft ingediend. Dit bericht is niet aan de orde gekomen tijdens de mondelinge behandeling. De bijlage betreft een (vertaald) echtscheidingsvonnis van de rechtbank te Nador, Marokko van 9 juli 2025, waarin onder meer beslissingen zijn genomen over de echtscheiding en (ambtshalve) over de omgang, het gezag (‘de voogdij’) en de kinderbijdrage.
Naar aanleiding van voornoemd vonnis heeft de rechtbank bij proces-verbaal aan partijen gevraagd op welke wijze het vonnis uit Marokko van invloed is op de in onderhavige procedure voorliggende verzoeken.
Partijen hebben hierop gereageerd bij berichten van 22 (mr. Kuijer) en 30 (mr. Van Espen) september 2025.
De rechtbank was naar aanleiding van de berichten van partijen voornemens om een nadere mondelinge behandeling te bepalen, maar op verzoek van partijen zal de zaak schriftelijk worden afgedaan. Partijen hebben zich bij berichten van 17 en 20 oktober 2025 uitgelaten over de vragen die de rechtbank aan hen heeft voorgelegd in de oproepingsbrief van 9 oktober 2025.
Bij bericht van 18 november 2025 heeft de rechtbank partijen verzocht de huwelijksakte in te dienen. Bij berichten van 18 (mr. Kuijer) en 20 (mr. Van Espen) hebben partijen de rechtbank bericht niet over deze akte te beschikken.
Op 19 december 2025 heeft de rechtbank de man op grond van artikel 22 lid 1 Rv bevolen de huwelijksakte over te leggen, aangezien uit het Marokkaanse echtscheidingsvonnis blijkt dat hij deze heeft ingediend in die procedure.
Bij bericht van 16 januari 2026 heeft de man de rechtbank bericht dat hij niet in het bezit is van deze akte.
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend.
Tussen partijen is op 9 juli 2025 een echtscheidingsvonnis gewezen door de rechtbank te Nador, Marokko. In het dictum staat het volgende vermeld:
Ten eerste: naar vorm: De rechtszaak wordt toegewezen.
Ten tweede: naar inhoud:
De vrouw (de gedaagde) “ [naam vrouw] ” te scheiden van haar man (de eiser) “ [naam man] ”, één eerste onherroepelijke echtscheiding, vanwege duurzame ontwrichting van het huwelijk na voltrekking.
De gedaagde heeft recht op haar echtscheidingsrechten, vastgesteld in het gerechtelijk bevel van 14 mei 2025, gestort op rekeningnummer [rekeningnummer] , op 17 juni 2025, en als volgt gespecificeerd: 32.000 (dirham voor schadevergoeding wegens echtscheiding “Mut'ah”), en 3.000 (dirham voor huisvesting gedurende de wachttijd ”Idda”’).
De voogdij over de dochter, " [minderjarige] ", toe te wijzen aan haar moeder, de gedaagde, en haar rechten als volgt toe te kennen: (800) dirham per maand voor de huur van de huisvesting, ingaande vanaf de datum van het einde van de wachttijd ”’Idda”, (700) dirham per maand voor alimentatie, en (100) dirham per maand voor de kosten van de voogdij, ingaande vanaf de uitspraak van het echtscheidingsvonnis, doorlopend totdat de wettelijk vereiste vrijstelling wordt opgeheven of een vonnis wordt gewezen dat het huidige vonnis wijzigt.
De gedaagde te bevelen dat de eiser elke zondag familiebanden met de bovengenoemde dochter mag onderhouden op elke zondag en de tweede dag van religieuze feestdagen (Eid al-Fitr, Eid al-Adha en de geboortedag van de Profeet), van 9.00 uur 's ochtends tot 18.00 uur 's avonds, waarbij het kind bij zijn of haar voogd verblijft, dat deze beschikking uitvoerbaar is bij voorraad betreffende de rechten van de dochter, dat de eiser de gerechtelijke kosten draagt en dat de overige verzoeken moeten worden afgewezen.
3. De (verdere) beoordeling
Verloop van de procedure met kenmerk C/10/672579
Bij beschikking van 11 april 2024 is het verzoek van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Verder is de volgende tussen partijen in onderling overleg overeengekomen voorlopige informatieregeling opgenomen in de beschikking: de vrouw informeert de man met ingang van 1 april 2024 elke eerste dag van de maand schriftelijk per e-mailbericht over de ontwikkeling van de minderjarige, voorzien van minimaal drie foto’s van de minderjarige, waarop niet door de man wordt gereageerd en de foto’s van de minderjarige niet door de man op sociale media worden geplaatst. Tot slot is de behandeling van de zaak aangehouden tot 1 juli 2024 pro forma ten aanzien van het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) dan wel regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) en de (definitieve) informatieregeling, in afwachting van de resultaten van het mediationtraject waarnaar partijen zijn verwezen. Aan de advocaten is verzocht de rechtbank te berichten over deze resultaten en daarbij gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens hen moet worden voort geprocedeerd.
Gebleken is dat het mediationtraject niet is geslaagd.
Uit het bericht van de vrouw van 29 mei 2024 blijkt – kort samengevat – dat de man het mediationtraject heeft gestopt en geen foto’s wil ontvangen van de minderjarige. Zij verzoekt de zaak schriftelijk af te doen en de verzoeken van de man af te wijzen.
Uit het bericht van de man van 1 juni 2024 blijkt dat hij om zijn moverende redenen het traject heeft stopgezet. Hij wil graag omgang met de minderjarige en volgens hem is er geen noodzaak om dit onder begeleiding te laten plaatsvinden. Deze wens van de vrouw wordt volgens hem ingegeven door haar (onterechte) angst voor de man. Hij wenst de overdracht van de minderjarige op een neutrale plaats. Ten aanzien van de foto’s heeft hij naar voren gebracht dat het zien van de minderjarige op foto’s te pijnlijk voor hem is.
Gezag
De man verzoekt te bepalen dat hij voortaan gezamenlijk met de vrouw belast wordt met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Voordat de rechtbank het verzoek inhoudelijk kan beoordelen, moet de voorvraag beantwoord worden of de man en de vrouw met het gezamenlijk ouderlijk gezag zijn belast over de minderjarige of dat één van hen belast is met het eenhoofdig ouderlijk gezag.
Om te bepalen welk recht van toepassing is op deze voorvraag wordt aansluiting gezocht bij artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Op grond van lid 1 van dat artikel wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Omdat de minderjarige op het moment van de geboorte haar gewone verblijfplaats had in Nederland, is dat recht van toepassing.
Naar Nederlands recht oefenen ouders, op grond van artikel 1:251 BW het ouderlijk gezag over hun kinderen van rechtswege gezamenlijk uit tijdens het huwelijk, en blijven zij dit ook doen na echtscheiding. Op grond van artikel 1:253b BW oefent de moeder uit wie het kind geboren is van rechtswege het gezag over het kind alleen uit, indien alleen haar moederschap vaststaat of indien de ouders van een kind niet met elkaar gehuwd zijn.
De rechtbank overweegt dat op de man, als verzoekende partij, de plicht rust om de voor de beoordeling van het verzoek relevante stellingen in te nemen, en deze zo nodig te onderbouwen. Daarbij is de man op grond van artikel 21 Rv verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De rechtbank is van oordeel dat de man deze formele verplichting heeft geschonden, en overweegt daartoe als volgt.
Om bovengenoemde voorvraag over het gezag te beantwoorden, moet de rechtbank eerst komen tot een antwoord op de vraag of partijen gehuwd zijn (geweest). De man heeft in zijn verzoekschrift met geen woord gerept over het bestaan van een huwelijk tussen partijen. Sterker nog, hij stelt in zijn verzoekschrift dat partijen een affectieve relatie hebben gehad. Het door de man rijkelijk laat ingediende echtscheidingsvonnis uit Marokko vormt een sterke aanwijzing dat sprake is (geweest) van een huwelijk.
De man heeft het Marokkaanse echtscheidingsvonnis pas ingediend op 16 september 2025 om 16:53 uur, dus zeer kort voor de mondelinge behandeling op 17 september 2025. De rechtbank heeft daardoor geen kennis kunnen nemen van het vonnis voor de mondelinge behandeling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de in het dossier aanwezige stukken opgesomd en daarbij dit echtscheidingsvonnis om die reden niet genoemd. Door de man is op dat moment niet naar voren gebracht dat door hem nog een aanvullend stuk (het echtscheidingsvonnis) was ingediend. De rechtbank heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling dan ook geen vragen kunnen stellen. De man had kunnen en moeten begrijpen dat het vonnis de nodige vragen zou oproepen, ook in het kader van zijn verzoek tot gezamenlijk gezag.
Daarnaast blijkt uit het Marokkaanse echtscheidingsvonnis dat de man het verzoekschrift in Marokko heeft ingediend op 3 maart 2025. De Marokkaanse uitspraak dateert van 9 juli 2025. Hieruit concludeert de rechtbank dat de echtscheidingsprocedure door de man aanhangig is gemaakt tijdens onderhavige procedure, welke door de man is gestart op 22 januari 2024. De rechtbank wijst partijen in dit kader op de plicht van de rechter om ambtshalve haar rechtsmacht te toetsen en eventueel rekening te houden met litispendentie. Beide partijen hebben deze plicht miskend door zich na de mondelinge behandeling alsnog op het standpunt te stellen dat het Marokkaanse vonnis volgens hen geen invloed zou moeten hebben op onderhavige procedure, terwijl evident is dat dat wel het geval is. Het had in dit geval op de weg van de man gelegen de rechtbank te informeren over deze procedure in Marokko, en overigens ook de rechtbank in Marokko over de procedure in Nederland.
Om te kunnen vaststellen of sprake is (geweest) van een rechtsgeldig huwelijk, heeft de rechtbank partijen vervolgens verzocht de huwelijksakte over te leggen. Beide partijen hebben de rechtbank bericht niet in het bezit te zijn van een huwelijksakte. Dit bevreemdt de rechtbank, aangezien uit het Marokkaanse echtscheidingsvonnis blijkt dat de man de huwelijksakte heeft ingediend in die procedure. De man is daarom op grond van artikel 22 Rv bevolen de huwelijksakte over te leggen. De man heeft daarop aangegeven dat hij alle stukken die betrekking hebben op de echtscheiding is verloren toen hij vanuit Marokko naar Nederland reisde en een overstap had in Madrid. Zijn koffer met daarin al zijn belangrijke documenten zou gestolen zijn. Daargelaten de geloofwaardigheid van dit verhaal, dat niet door stukken wordt ondersteund, had het volgens de rechtbank op de weg van de man gelegen om de huwelijksakte bij de rechtbank of de nationale autoriteiten in Marokko op te vragen.
De rechtbank constateert dat ook in de uittreksels van de Basisregistratie Personen van partijen niets staat vermeld over een huwelijk. Uit het feit dat de minderjarige is erkend door de man blijkt dat het huwelijk van partijen ook ten tijde van de erkenning niet bekend was bij de gemeente. Als er sprake was van een huwelijk tussen partijen, dan hebben zij dat huwelijk niet ingeschreven in de daartoe bestemde registers in Nederland. Het voorgaande maakt dat de rechtbank nog steeds niet kan vaststellen dat partijen gehuwd zijn (geweest), hetgeen wel nodig is om de voorvraag met betrekking tot het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag te kunnen beantwoorden.
Vervolgens heeft de rechtbank getracht te bezien in hoeverre het beslissing over de echtscheiding uit Marokko wordt erkend in Nederland, zodat via die weg kan worden vastgesteld dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. In dat kader heeft de rechtbank verschillende keren juridische vragen gesteld aan partijen, maar partijen hebben hierop onvoldoende juridisch relevante reactie gegeven. Op de vraag van de rechtbank of de Marokkaanse beslissing volgens hen in Nederland wordt erkend hebben beide partijen enkel geantwoord dat dit voor hen niet bekend is. De rechtbank overweegt dat van partijen – maar met name van de man, als verzoekende partij – mocht worden verwacht dat zij hierover een juridisch onderbouwd standpunt hadden ingenomen. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de man achterover leunt en ervan uitgaat dat de rechtbank dit voor hem uitzoekt.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank ook niet aan de hand van de erkenning van het Marokkaanse vonnis vaststellen dat sprake is (geweest) van een rechtsgeldig huwelijk tussen partijen. Dit maakt dat de voorvraag wie op dit moment belast is met het ouderlijk gezag over de minderjarige niet kan worden beantwoord. Het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag kan dan ook niet inhoudelijk worden behandeld, hetgeen in beginsel reden is voor aanhouding van de zaak.
Gelet op de op de rechtbank rustende plicht tot het waken tegen onredelijke vertraging van de procedure ex 20 Rv, zal de rechtbank de zaak niet langer aanhouden. De rechtbank is van oordeel dat de man vanwege zijn passieve houding niet heeft voldaan aan zijn verplichting de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, zoals hierboven reeds vermeld. Indien deze verplichting niet wordt nageleefd, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. De rechtbank zal aan de schending van deze processuele plicht de gevolgtrekking verbinden dat het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook de vrouw niet heeft gerept over een huwelijk noch voor opheldering heeft gezorgd in de beantwoording van de vragen van de rechtbank, hetgeen haar aan te rekenen is.
Aangezien de rechtbank niet kan vaststellen of partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige, of de vrouw alleen, zal in het vervolg van deze beschikking worden gesproken over een contactregeling (in plaats van een zorg- of omgangsregeling).
Contactregeling
De man verzoekt een contactregeling vast te stellen, inhoudende dat de minderjarige drie van de vier weekenden bij hem verblijft van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man haar weer thuisbrengt bij de vrouw, alsmede verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Heeft de man belang bij zijn verzoek?
De rechtbank constateert dat de rechtbank in Marokko reeds een beslissing heeft genomen over de omgang tussen de man en de minderjarige. De vraag rijst in hoeverre de man belang heeft bij een beslissing over de omgang in onderhavige procedure. Daartoe dient bekeken te worden of de beslissing uit Marokko wordt erkend in Nederland.
Daartoe overweegt de rechtbank dat Marokko geen lidstaat is van de Europese Unie, zodat Brussel II-ter niet van toepassing is. Marokko is wel aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV 1996). Op grond van artikel 23, eerste lid, van dat verdrag worden de door de autoriteiten van een Verdragsluitende Staat genomen maatregelen van rechtswege in alle andere Verdragsluitende Staten erkend. Op grond van het tweede lid kan erkenning evenwel worden geweigerd indien (a.) de maatregel is genomen door een autoriteit wiens bevoegdheid niet was gebaseerd op een van de in hoofdstuk II van het Verdrag bedoelde gronden.
In hoofdstuk II van het Verdrag staat artikel 5, waarin is vermeld dat de rechterlijke en administratieve autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd zijn maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon of vermogen. Aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, ook ten tijde van de beslissing van de Marokkaanse rechtbank, was de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over het verzoek tot omgang. De Marokkaanse rechter was dus onbevoegd, zodat grond bestaat voor weigering van de erkenning van de beslissing van de rechtbank in Marokko over de omgang.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man belang heeft bij zijn verzoek tot vaststelling van een contactregeling, zodat dit verzoek hieronder inhoudelijk zal worden beoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft aangevoerd dat zij wil dat er geen regeling wordt vastgesteld, omdat ze er geen vertrouwen in heeft dat de man in staat is om het contact met de minderjarige in een veilige omgeving te laten plaatsvinden. Zij acht de kans klein dat de man ander gedrag laat zien dan dat zij gewend is van tijdens en na afloop van de relatie.
De man betwist de beschuldigingen van de vrouw. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de man – op basis van de stukken, want hij was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling – de indruk wekt dat hij sterk ‘ik-gericht’ is en snel het gevoel krijgt dat men voor of tegen hem is, hetgeen als dreigend kan worden ervaren. Aangezien onduidelijk is wat er precies is gebeurd tussen partijen en in hoeverre deze gebeurtenissen van invloed zijn op eventueel contact tussen de man en de minderjarige, adviseert de raad een bijzondere curator te benoemen om de verhalen van beide ouders in kaart te brengen en ook een stem te geven aan de minderjarige. Als een regeling wordt bepaald, adviseert de raad deze onder begeleiding te laten plaatsvinden.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij niet onwelwillend tegenover benoeming van een bijzondere curator staat. De vrouw staat er niet voor open. Zij is bang dat dit voor stress en spanning gaat zorgen bij de minderjarige. Zij vindt dat de man aan zichzelf moet werken en op zoek moet naar hulpverlening.
Artikel 1:250 BW bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden over de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om de minderjarige zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen als de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.
De rechtbank overweegt dat de minderjarige het recht heeft te weten wie haar vader is. Dit is van belang voor haar (identiteits)ontwikkeling. De vrouw miskent dit recht doordat zij haar eigen negatieve ervaringen met de man uit het verleden niet opzij lijkt te kunnen zetten voor het belang van de minderjarige tot contact met haar vader. Doordat nog geen statusvoorlichting heeft plaatsgevonden en de minderjarige haar vader nog nooit heeft gezien, kan zij zich geen eigen beeld vormen van haar vader.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter, indien hij de gronden welke de ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een contactregeling ongenoegzaam acht, op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om die ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. De rechtbank acht benoeming van een bijzondere curator in dit geval een gepaste maatregel. Het voorgaande levert naar het oordeel van de rechtbank een belangenstrijd op in de zin van artikel 1:250 BW. Gelet op de aard van de belangenstrijd, statusvoorlichting en omgang met haar vader, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat een onafhankelijke persoon het belang van de minderjarige zowel in als buiten rechte gaat vertegenwoordigen.
Mr. R.A.A.H. van Leur, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe ambtshalve door de rechtbank worden benoemd.
De rechtbank zal de bijzondere curator benoemen met als opdracht de belangen van de minderjarige te behartigen en te onderzoeken wat de mogelijkheden voor contact tussen de minderjarige en haar vader zijn voor de toekomst. Daarbij wordt ook verzocht te onderzoeken wat de wensen en behoeften zijn van de minderjarige ten aanzien van de omgang en of de verzoeken van de vader op deze onderdelen in het belang zijn te achten van de minderjarige. Als de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het haar vrij ook een advies uit te brengen over benodigde hulpverlening ten behoeve van de minderjarige, of partijen. Tot slot wordt de bijzondere curator verzocht de vrouw te ondersteunen in het verlenen van statusvoorlichting aan de minderjarige.
De bijzondere curator wordt daarbij verzocht in ieder geval gesprekken te voeren met de minderjarige, de moeder en de vader individueel en bij voorkeur ook met de ouders gezamenlijk. Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met anderen die informatie over de minderjarige kunnen verstrekken.
Verder verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen.
Het staat de bijzondere curator vrij het onderzoek in te richten zoals haar dat in het belang van de minderjarige lijkt. Voor het uitvoeren van de opdracht is het noodzakelijk dat de ouders meewerken aan het onderzoek van de bijzondere curator. Als de ouders niet meewerken, kan het gebeuren dat de rechtbank daaruit conclusies trekt die ongunstiger zijn dan wanneer de ouders wel hadden meegewerkt.
Ook moet de bijzondere curator onderzoeken of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort. Als de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, dan kan zij de minderjarige in rechte vertegenwoordigen en met betrekking tot het verzoek een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Wanneer de bijzondere curator het nodig vindt kan zij als vertegenwoordiger van de minderjarige een zelfstandig verzoek indienen.
Informatieregeling
Rechtsmacht
De rechtbank stelt vast dat de rechtbank te Marokko geen beslissing heeft genomen over een informatieregeling. Aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot wijziging van een informatieregeling.
Toepasselijk recht
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
Inhoudelijk
De man verzoekt een (definitieve) informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de vrouw een keer per maand informatie geeft over de minderjarige over onder andere haar sociaal-emotionele ontwikkeling, gezondheid, bezigheden zoals het kinderdagverblijf, school, sport, vriendjes en bijzondere gebeurtenissen, waarbij zij ook maandelijks minimaal drie foto’s van de minderjarige aan de man zal verstrekken.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Gebleken is dat partijen de voorlopige informatieregeling die is bepaald bij beschikking van 11 april 2024 in onderling overleg hebben gewijzigd, in die zin dat de vrouw aan de man eens in de twee maanden informatie verstrekt over de minderjarige, zonder daarbij foto’s van haar te overleggen. De man vond het te pijnlijk om foto’s te ontvangen, waardoor hij heeft verzocht aan de vrouw daarmee te stoppen. Voornoemde voorlopige regeling wordt op dit moment uitgevoerd. De rechtbank zal ook het verzoek van de man tot vaststelling van een definitieve informatieregeling aanhouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator met betrekking tot de contacten tussen de man en de minderjarige.
Kinderbijdrage
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 500,- per maand vast te stellen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
De man voert gemotiveerd verweer.
Heeft de vrouw belang bij haar verzoek?
De rechtbank constateert dat de rechtbank in Marokko reeds een beslissing heeft genomen over de kinderbijdrage. De vraag rijst in hoeverre de vrouw belang heeft bij een beslissing over dit onderwerp in onderhavige procedure. Daartoe dient bekeken te worden of de beslissing uit Marokko wordt erkend in Nederland.
De erkenning en tenuitvoerlegging van Marokkaanse beslissingen over een onderhoudsbijdrage worden beheerst door het commune internationale privaatrecht, te weten artikel 431 Rv. Op grond van het eerste lid van dat artikel kunnen beslissingen die zijn gegeven door de rechter van een vreemde staat niet in Nederland ten uitvoer worden gelegd, tenzij deze tenuitvoerlegging haar grondslag vindt in een verdrag of in een wettelijke bepaling, zoals bedoeld in artikel 985 of artikel 993 Rv. Tussen Marokko en Nederland bestaat geen verdrag op het punt van de erkenning en tenuitvoerlegging van Marokkaanse beslissingen over een onderhoudsbijdrage.
In het arrest van 26 september 2014 heeft de Hoge Raad de voorwaarden voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen naar commuun internationaal privaatrecht volgens artikel 431 Rv uiteengezet. Een buitenlandse beslissing moet in beginsel worden erkend, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is;
de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging;
de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde en
e buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak aan de voorwaarden voor erkenning is voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
a. Marokkaanse rechter naar internationale maatstaven bevoegd?
De bevoegdheidsgronden die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar zijn, zijn kenbaar uit internationale verdragen. Alhoewel de Alimentatieverordening hier niet van toepassing is, bevat deze wel algemeen erkende uitgangspunten waaraan een bredere gelding kan worden toegekend. Om die reden sluit de rechtbank ten aanzien van de bevoegdheid aan bij de Alimentatieverordening. Gekeken naar de bevoegdheidsgronden van de Alimentatieverordening kwam de Marokkaanse rechter bij de echtscheidingsbeslissing, alsmede het ambtshalve treffen van een aantal nevenvoorzieningen, waaronder een door de man te betalen kinderbijdrage, rechtsmacht toe, omdat de vrouw in de procedure is verschenen zonder de bevoegdheid van de Marokkaanse rechter te betwisten.
b. Een met voldoende waarborgen omklede rechtspleging in Marokko?
De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat de rechtspleging in Marokko met onvoldoende waarborgen was omkleed. De vrouw heeft in de procedure bij de rechtbank geen bezwaren aangevoerd tegen de bevoegdheid van de Marokkaanse rechter. Uit de Marokkaanse uitspraak blijkt dat partijen door middel van hun advocaten in de procedure zijn verschenen die hun standpunten naar voren zullen hebben gebracht.
c. Erkenning van Marokkaanse beslissing in strijd met Nederlandse openbare orde?
Van strijd met de openbare orde is pas sprake indien het buitenlandse rechtsfeit in strijd is met materieelrechtelijke beginselen van juridische, sociale en morele aard, die in de Nederlandse rechtsgemeenschap voor fundamenteel worden gehouden. Het enkele feit dat het in het buitenland toegepaste recht af zou wijken of niet identiek zou zijn aan het Nederlandse recht is daartoe onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat de Marokkaanse beslissing met betrekking tot de alimentatie niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde.
d. Marokkaanse beslissing onverenigbaar met een eerdere alimentatiebeslissing?
De onderhoudsbijdrage was voor het eerst onderdeel van een procedure tussen partijen, zodat van strijdigheid met een eerdere alimentatiebeslissing tussen partijen geen sprake kan zijn.
Het voorgaande betekent dat de Marokkaanse beschikking in Nederland kan worden erkend, zodat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank geen belang heeft bij haar verzoek tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen kinderbijdrage. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
Omdat ten aanzien van de contactregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
in de zaak met kenmerk C/10/672579
benoemt tot bijzondere curator teneinde de minderjarige te vertegenwoordigen:
Mr. R.A.A.H. van Leur, kantoorhoudende te Dordrecht;
bepaalt dat de bijzondere curator binnen twaalf weken na de datum van deze beschikking schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en daarbij een standpunt inneemt over het verzoek van de man tot vaststelling van een contactregeling;
verzoekt partijen de rechtbank te voorzien van een schriftelijke reactie op het verslag van de bijzondere curator binnen twee weken na ontvangst daarvan;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het verzoek van de man over het gezag;
en voor verder te beslissen:
houdt de zaak voor wat betreft de contactregeling en de (definitieve) informatieregeling in afwachting van het verslag aan tot 1 juni 2026 PRO FORMA.
in de zaak met kenmerk C/10/680451
wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen kinderbijdrage.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. T. Houtepen, griffier, op 27 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.