ECLI:NL:RBROT:2026:2486

ECLI:NL:RBROT:2026:2486

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 10-292075-21 (ontneming)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Onderzoek Barrel. Ontnemingsvonnis. Vordering toegewezen tot een bedrag van € 44.644,24.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10-292175-21 (ontneming)

Datum uitspraak: 13 maart 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [postcode] [woonplaats] .

raadsman mr. R.P.A. Kint, advocaat in Zoetermeer.

1. Procedure

De officier van justitie heeft een vordering tot ontneming ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 10 en 12 februari 2026 en op 13 maart 2026, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.

2. Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 13 maart 2026 (hierna: het vonnis) is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor - kort gezegd - medeplegen van valsheid in geschrift, en deze geschriften gebruiken als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd in de periode van 21 maart 2021 tot en met 5 oktober 2022. Dit vonnis is niet onherroepelijk.

3. Vordering

De vordering van de officier van justitie mr. B. Lijnse strekt tot:

- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 44.644,24;

- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 44.644,24 ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.

De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld.

4. Standpunt verdediging grondslag/hoogte ontnemingsvordering

De ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, omdat de veroordeelde het onderliggende feit ontkent en door de verdediging vrijspraak werd bepleit.

Subsidiair is betoogd dat de betaling van [naam bedrijf 1] op 17 juni 2022 niet ziet op werkzaamheden verricht in het kader van de tenlastegelegde sampling rapporten en deze dient dan ook niet te worden meegekomen in de berekening. Ook is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat alle aan de veroordeelde overgemaakte bedragen bruto bedragen betreffen waarbij de inkomstenbelasting niet is betrokken en niet te bepalen is hoeveel dit thans bedraagt.

5. Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 13 maart 2026 veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit:

Feit 2

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk een geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en/of voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat dit strafbare feit door de veroordeelde is begaan.

Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) blijkt dat de veroordeelde door middel van dit feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

6. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Uit het vonnis blijkt dat de veroordeelde samen met [medeveroordeelde] meerdere rapportages vals/valselijk heeft opgemaakt met betrekking tot monsternemingen bij tanks met olie op een haventerrein, in eigendom bij Shell. De betalingen hiervoor verliep via de bedrijfsrekening van [naam eenmanszaak 1] , de eenmanszaak van [medeveroordeelde] . In een aantal gevallen werd een deel van die betaling overgemaakt naar [naam eenmanszaak 2] , de eenmanszaak van de veroordeelde. De onderzoeksperiode loopt van 1 januari 2021 tot 31 december 2022. Het betreft een transactieberekening, die betrekking heeft op de rapportages die door de veroordeelde zijn opgesteld naar aanleiding van de verschillende monsternemingen.

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, is gebaseerd op de berekening in het ontnemingsrapport. Deze berekening is in het ontnemingsrapport voldoende door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen onderbouwd. Deze bewijsmiddelen zullen niet worden uitgewerkt, maar volstaan wordt met een samenvatting van de voor de schatting redengevende feiten en omstandigheden. De vindplaatsen daarvan zullen in voetnoten worden vermeld.

Bespreking verweren

Naar aanleiding van verweren wordt over de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende overwogen. Uit het ontnemingsrapport blijkt dat [naam eenmanszaak 1] /medeveroordeelde [medeveroordeelde] voor het opstellen van 7 rapporten een bedrag van € 157.800,00 heeft ontvangen. Van dat bedrag is door [naam eenmanszaak 1] voor de rapporten die zien op de monsternemingen van 16 juli 2021, 21/22 september 2021, 11/12 oktober 2021 en 11 juli 2022, in totaal een bedrag van € 44.644,24 overgemaakt naar het bedrijf [naam eenmanszaak 2] van de veroordeelde.

De rechtbank neemt, anders dan de verdediging heeft betoogd, het rapport van 11 juli 2022 ook mee in de berekening. Uit de berichten aangetroffen in de telefoon van [veroordeelde] met de opdrachtgever blijkt dat de betaling van [naam bedrijf 1] op 17 juni 2022 ziet op de monsterneming die behoort bij het rapport van 11 juli 2022.

Het verzoek om rekening te houden met de fiscale afdracht die over het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft plaatsgevonden, wordt afgewezen. Hierbij wordt verwezen naar de wetsgeschiedenis van artikel 36e Sr en vaste rechtspraak waarin de Hoge Raad heeft beslist dat de rechter bij de vaststelling van de hoogte van het door de betrokkene aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag, geen rekening dient te houden met de belastingheffing over het bedrag van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Verrekening met eventueel afgedragen belastingheffingen vindt plaats in de executiefase. Het verweer wordt verworpen.

Berekening

1. Rapport [naam rapport 1] , monsterneming 16 juli 2021

Op respectievelijk 16 en 19 juli 2021 werd een bedrag van € 20.000,- en van € 9.500,- bijgeschreven op de bankrekening van [naam eenmanszaak 1] , die laatste betaling voorzien van kenmerk [kenmerk] . Dat beide bedragen zien op deze monsterneming wordt afgeleid uit de Whatsapp gesprekken tussen de veroordeelde en [medeveroordeelde] , waarbij [medeveroordeelde] op 16 juli 2021 een bericht stuurt dat er een overboeking was gedaan van € 29.500,- afkomstig van [naam bedrijf 2] .

Vervolgens werd op 21 juli 2021 door [medeveroordeelde] een deel hiervan, € 7.500,-, van de bankrekening van [naam eenmanszaak 1] overgemaakt aan de veroordeelde onder vermelding van: Voorschot [naam bedrijf 2] .

2. Rapport [naam rapport 2] , monsterneming 21/22 september 2021

Op 20 september 2021 werd € 33.000,- bijgeschreven op de bankrekening van [naam eenmanszaak 1] , voorzien van omschrijving: [naam bedrijf 2] TO [naam eenmanszaak 1] FOR DIP TEST DIP TEST SHELL ROTERDAM [naam rapport 3] , afkomstig van de rekening van [naam bedrijf 2] . In de telefoon van [medeveroordeelde] staat een op 20 september 2021 verstuurd bericht van ene [persoon A] dat het bedrag van € 33.000,- zal worden overgemaakt naar [naam eenmanszaak 1] . Rond 21 en 22 september appen de veroordeelde en [medeveroordeelde] dat het voor hen slechts een paar uurtjes werk is om een rapport aan te passen en daar € 33.000,- voor in rekening te brengen. Deze omstandigheden maken dat deze betaling hoort bij dit rapport en deze monsterneming.

In de laptop van veroordeelde werden 2 facturen van [naam eenmanszaak 1] aan [naam eenmanszaak 1] aangetroffen; voor een bedrag van € 9.443,- van 24 september 2021 met omschrijving: Inspection and diptest [naam 1] en voor een bedrag € 750,- onder vermelding van [naam 2] . Op 25 september 2021 werd € 9.443,- overgemaakt vanaf de bankrekening van [naam eenmanszaak 1] naar de bankrekening van [naam eenmanszaak 2] , voorzien van de omschrijving: Dip test 21-22 september 2021, [naam bedrijf 2] . Op 3 oktober 2021 werd € 750,- werd overgemaakt vanaf de bankrekening van [naam eenmanszaak 1] naar de bankrekening van [naam eenmanszaak 2] , maar was niet voorzien van een beschrijving. In totaal is naar [naam eenmanszaak 2] /de veroordeelde een bedrag van € 10.193,- overgeschreven.

3. Rapport [naam rapport 4] / [naam rapport 5] , monsterneming 11/12 oktober 2021

Hetzelfde rapport is onder twee verschillende namen aangetroffen in het dossier; ‘report [naam rapport 4] ’ en in de laptop van veroordeelde werd een sampling report aangetroffen met de naam “Sampling and analysing [naam rapport 5] ”. Op 1 oktober 2021 werd € 43.990,- bijgeschreven op de bankrekening van [naam eenmanszaak 1] , voorzien van de omschrijving: [naam omschrijving 1] Invoice Number- [nummer] . De datum komt niet overeen met de opgemaakte rapportage, maar wel wordt de datum van de transactie aan deze sampling gekoppeld, te meer nu op 2 oktober 2021 een bedrag van € 42.464,- door [naam eenmanszaak 1] werd overgemaakt naar een andere rekening van [naam eenmanszaak 1] met de omschrijving [naam omschrijving 2] .

Bij voornoemd rapport in de laptop van veroordeelde werd een factuur aangetroffen opgesteld door [naam eenmanszaak 2] , gericht aan [naam eenmanszaak 1] en voorzien van de naam [naam 3]

, met de datum 12 oktober 2021 voor een bedrag van € 16.737,-. Op 13 en 14 oktober werd vervolgens respectievelijk € 15.000,- en € 1.737,- overgemaakt van [naam eenmanszaak 1] naar het bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam eenmanszaak 2] , voorzien van de omschrijvingen ‘ [naam omschrijving 2] , eerste afwikkeling, Kan geen 1.737 extra boeken, morgen [naam omschrijving 2] , 2e deel’.

4. Rapport [naam rapport 6] , monsterneming 11 juli 2022.

Hoewel zich in het dossier geen saldo- en/of transacties bevinden die zien op de periode na de aanhouding van de veroordeelde, blijkt uit het berichtenverkeer dat betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. In de telefoon van de veroordeelde staan Whatsapp berichten met [persoon B] van [naam bedrijf 1] over dit rapport. [persoon B] stuurde een bericht dat er op 17 juni 2022 een bedrag van € 22.500,- was overgemaakt. De veroordeelde bevestigt de ontvangst van de betaling op 17 juni 2022. De veroordeelde stuurt op 11 juli 2022 foto’s van samplingflessen met de krant (AD) zichtbaar in beeld naar [persoon B] en een afbeelding met een deel van het labrapport van Camin Cargo. Ook uit Whatsapp berichten tussen [medeveroordeelde] en de veroordeelde blijkt dat er daadwerkelijk is betaald. Op 14 juli 2022 stuurde de veroordeelde dat de kosten van [naam 4] ‘1.712 ex’ bedragen. Vervolgens reageerde [medeveroordeelde] : “Dat is dan € 10.214,24 de man…" Op de vraag van [medeveroordeelde] op welke bankrekening hij het kan storten, reageert de veroordeelde: [naam eenmanszaak 2] . Even later bevestigt de veroordeelde de betaling: “Ja staat er op.”

Resumé

Rapporten Opbrengsten

€ 44.644,24

Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel, opbrengst minus kosten, komt hiermee op € 44.644,24.

Toerekening

Bij de schatting van het te ontnemen voordeel is het uitgangspunt dat de veroordeelde in de vermogenspositie wordt gebracht waarin hij verkeerde voor het plegen van het strafbare feit en waaruit dat voordeel is genoten. Gelet hierop dient bij de bepaling van dat voordeel te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van het strafbare feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 44.644,24.

7. Vaststelling van de betalingsverplichting

Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.

De slotsom is dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd om een bedrag van € 44.644,24 aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

9. Maximale duur gijzeling

Op grond van artikel 6:6:25 Sv zal de duur van de gijzeling worden vastgesteld die ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van het ontnemingsbedrag niet mogelijk is.

Uitgaande van een maximum duur van de gijzeling van drie jaar (artikel 36e, elfde lid, Sr) hanteert de rechtbank naar rato de volgende verdeling:

Het aantal dagen gijzeling in deze zaak zal daarom worden vastgesteld op 321 dagen

(360 : € 50.000,- x € 44.644,-).

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt

geschat, vast op € 44.644,24 (zegge: vierenveertigduizend zeshonderd vierenveertig euro en vierentwintig cent);

legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 44.644,24 (zegge: vierenveertigduizend zeshonderd vierenveertig euro en vierentwintig cent) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 321 dagen (zegge: driehonderd éénentwintig).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,

en mrs. N. van Esch en L.J.M. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.J.M. van Beckhoven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?