Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer voor verschoningszaken
Zaaknummer / rekestnummer : C/10/714915 HA RK 26-125
Beslissing van 24 februari 2026
op het verzoek van:
mr. C. Bouwman,
rechter in de rechtbank Rotterdam, team Handel en haven (hierna: de rechter),
ertoe strekkende zich te mogen verschonen in de zaak van:
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
hierna: eiseres,
procesadvocaat: mr. A.N. Faber,
tegen
[gedaagde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: gedaagde,
procesadvocaat: mr. P.M. Vos.
1. Het procesverloop en de processtukken
Bij de rechter is in behandeling het kort geding tussen eiseres en gedaagde met het kenmerk C/10/714460 / KG ZA 26-117. De mondelinge behandeling van de zaak is gepland op 5 maart 2026.
Op 13 februari 2026 heeft de rechter een schriftelijk verzoek tot verschoning gedaan.
2. Het verzoek
Ter adstructie van het verzoek om verschoning heeft de rechter het volgende – samengevat weergegeven – aangevoerd:
De zaak was eerst toebedeeld aan een andere rechter. Bij beslissing van 12 februari 2026 heeft de meervoudige kamer voor verschoningszaken een verschoningsverzoek van deze andere rechter toegewezen. Vervolgens is de zaak toebedeeld aan de rechter. De rechter heeft eerder vonnis gewezen in de bodemzaak tussen partijen. Tegen dit vonnis loopt op dit moment een hoger beroep. Omdat partijen uit het vonnis zouden kunnen afleiden dat de rechter zich al een visie heeft gevormd over de voorliggende zaak, heeft de rechter aanleiding gezien om een verzoek tot verschoning in te dienen. Daarbij heeft de rechter erop gewezen dat het ook gebruikelijk is binnen het team Handel en haven dat een rechter die is betrokken geweest bij de bodemprocedure niet ook een kort geding behandelt (of andersom).
3. De beoordeling
Verschoning is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Aan de door de rechter aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter – subjectief – niet onpartijdig is.
Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden – objectief – gerechtvaardigd is.
De door de rechter aangevoerde omstandigheid, in samenhang met het gegeven dat de rechter daarin aanleiding heeft gevonden zelf een verzoek in te dienen zich te mogen verschonen van de verdere behandeling van de zaak, levert naar het oordeel van de rechtbank een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor onder 3.3 bedoeld op.
Het verzoek wordt om deze reden toegewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst toe het verzoek van mr. C. Bouwman zich in de onder 1.1 genoemde procedure te mogen verschonen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.J.P. van Essen, voorzitter, J. van den Bos en W.J. de Veld, rechters, en door de oudste rechter en de griffier ondertekend op
24 februari 2026.