[naam eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
waarvan de vennoten zijn [persoon A] en [persoon B]
[huidige naam verweerder] , voorheen [voormalige naam verweerder] , verweerder,
(gemachtigde: mr. P.M.M. van Bennekom).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de afzonderlijke besluiten van 29 augustus 2024 (de bestreden besluiten) waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen de boetebesluiten van 19 januari 2024 en 5 april 2024 ongegrond heeft verklaard. Bij de afzonderlijke boetebesluiten heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.500,- vanwege overtreding van bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: [persoon A] , vennoot van eiseres, en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
ROT 24/8748
2. Op 7 februari 2023 heeft een toezichthouder van de NVWA een rapport van bevindingen opgesteld naar aanleiding van een inspectie in het kader van Vervoerder van dieren.
In het rapport heeft de toezichthouder, voor zover hier van belang, het volgende beschreven:
“Bevindingen:
Op vrijdag 27 januari 2023, vanaf omstreeks 08:15 uur, bevonden wij, toezichthouders [persoon C] en [persoon D] , ons rondom [naam eiseres] gevestigd aan de [vestigingsadres] te [postcode 1] [vestigingsplaats] apart van elkaar in onopvallende NVWA-dienstauto's.
Wij bevonden ons daar in het kader van toezicht op het reinigen en ontsmetten (R&O) van vervoermiddelen. Op deze dag zouden er kalveren worden aangevoerd en verzameld voor verdere handel.
Transport 1:
Ik, toezichthouder [persoon C] , zag omstreeks 08:40 uur een auto met aanhangwagen
arriveren bij [naam eiseres] te [plaats 1] . Ik zag, gelet op de karakteristieke
bouwwijze van de aanhanger, dat deze kennelijk was gebouwd en ingericht voor
het vervoeren van levend vee, hierna te noemen vervoermiddel.
Ik, toezichthouder [persoon C] , zag even later omstreeks 08:45 uur het vervoermiddel
vertrekken vanaf bovengenoemde locatie de openbare weg op. Omstreeks 08:55
uur heb ik een controle uitgevoegd op dit vervoermiddel.
Ik, toezichthouder [persoon C] , zag dat het vervoermiddel was voorzien van de
kentekens: [kentekennummer 1] en [kentekennummer 2] . Ook zag ik dat het vervoermiddel niet was
gereinigd en ontsmet. De bestuurder verklaarde mij 4 kalveren te hebben gelost
bij [naam eiseres] te [plaats 1] .
Transport 2:
Ik, toezichthouder [persoon D] , zag omstreeks 08:45 uur een auto met opbouw rijden,
waarvan ik, op basis van de karakteristieke bouwwijze van de opbouw, dat deze
kennelijk was gebouwd en ingericht voor het vervoeren van levend vee, hierna te
noemen vervoermiddel. Ik zag dat het vervoermiddel was voorzien van het
kenteken [kentekennummer 3] en dat deze vanaf de De Heide de Legedyk opreed om
vervolgens het terrein van [naam eiseres] op te rijden en stilhield op de locatie voor
de ingang van de mij bekende laad- losplaats voor levende dieren.
Op deze dag rondom 08:50 uur zag ik, toezichthouder [persoon D] , rijdend op de
Legedyk te [plaats 1] , dat het vervoermiddel het terrein van [naam eiseres]
verliet en de openbare weg, de Legedyk opreed in de richting van Itens. Op deze
dag, omstreeks 09:00 uur heb ik een controle uitgevoerd op het vervoermiddel.
Tijdens deze controle is gebleken dat het vervoermiddel na het lossen van één
kalf op de locatie van [naam eiseres] , op deze locatie geen reiniging en ontsmetting
had uitgevoerd.
Gelet op plaats van controle bleek de afstand tot de thuislocatie dichter bij dan
terugzending naar [naam eiseres] te [plaats 1] . Nadat de bestuurder aangaf
op de thuislocatie te beschikken over de middelen om het vervoermiddel te
reinigen en ontsmetten is besloten het vervoermiddel naar de thuislocatie door te
laten rijden, om aldaar de reiniging en ontsmetting uit te voeren”
ROT 24/8749
3. Op 31 juli 2023 heeft een toezichthouder van de NVWA een rapport van
bevindingen opgesteld naar aanleiding van een inspectie in het kader van Vervoerder van dieren.
In het rapport heeft de toezichthouder, voor zover hier van belang, het volgende beschreven:
“Bevindingen:
Op dinsdag 9 mei 2023, vanaf omstreeks 12:00 uur, bevond ik, toezichthouder [persoon E] , mij in een onopvallende NVWA-dienstauto, nabij [naam eiseres] gevestigd aan de [vestigingsadres] te [postcode 1] [plaats 1] . Ik bevond mij daar in het kader van toezicht op het reinigen en ontsmetten (R&O) van vervoermiddelen. Op deze dag zouden er kalveren worden
aangevoerd en verzameld voor de verdere handel.
Ik, toezichthouder [persoon E] , zag omstreeks 14:00 uur een truck met oplegger arriveren bij [naam eiseres] te [plaats 1] . Ik zag, gelet op de ventilatie openingen in de zijkant van de oplegger, dat deze kennelijk was gebouwd en ingericht voor het vervoeren van levend vee, hierna te noemen vervoermiddel. Ik zag even later omstreeks 14:15 uur het
vervoermiddel weer vertrekken vanaf bovengenoemde locatie de openbare weg op. Ik heb het vervoermiddel gevolgd om zo een geschikte locatie te vinden en deze stil te doen houden voor een controle. Het vervoermiddel stopte uit zichzelf op de volgende locatie: [adres] , [postcode 2] te [plaats 2] . Op dit adres is [bedrijf X] gevestigd.
Ik, toezichthouder [persoon E] , zag dat het vervoermiddel was voorzien van de kentekens: [kentekennummer 4] (truck) en [kentekennummer 5] (oplegger). Ook zag ik later dat de laadruimte niet was gereinigd en ontsmet. De bestuurder, [persoon F] , verklaarde mij desgevraagd kalveren te hebben gelost bij [naam eiseres] te [plaats 1] .”
4. Op grond van de rapporten van bevindingen van 7 februari 2023 en van 31 juli 2023 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres in beide zaken het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“Vervoermiddelen, met inbegrip van de daarbij behorende voorwerpen, die werden gebruikt voor het vervoer van gehouden landdieren, zijn niet zo snel mogelijk na elk vervoer
van dieren gereinigd en ontsmet.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang met artikel 1.14, onder z, van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren en artikel 4, onder b, van de Verordening (EU) 2020/688.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de beboetbare feiten heeft gepleegd en of verweerder daarvoor terecht aan eiseres twee boetes heeft gegeven. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Eiseres voert aan dat haar ten onrechte de beboetbare feiten wordt verweten. Indien een transporteur na het lossen van dieren weigert om het gebruikte vervoermiddel te reinigen en ontsmetten, kan zij niet afdwingen dat de transporteur het vervoermiddel reinigt voordat het vervoermiddel haar terrein verlaat. Eiseres is geen politieagent en heeft geen bijzondere rechten. Het enige wat binnen de mogelijkheden van eiseres ligt is de betrokken persoon wijzen op zijn/haar plichten en de feiten vastleggen in het digitaal register. Indien het herhaaldelijk voorkomt dat een transporteur geen reiniging en ontsmetting uitvoert, zal de NVWA op de hoogte worden gesteld en is de betreffende transporteur niet meer welkom op het verzamelcentrum.
Binnen het bedrijf van eiseres is aanvankelijk gewerkt volgens een door de NVWA goedgekeurd protocol. Enkele jaren geleden is op verzoek van de NVWA het papieren protocol vervangen door een digitaal exemplaar. Eiseres heeft destijds een digitaal protocol aangeleverd maar de NVWA heeft hier geen vervolg aan gegeven. In de praktijk betekent dit dat er nu gewerkt wordt volgens een werkwijze die niet is goedgekeurd door de NVWA. Deze werkwijze is bekend bij de bedrijfsbeheerder van de NVWA. Eiseres voert verder aan dat de bedrijfsbeheerder van de NVWA niet is geraadpleegd waardoor de betrokken jurist onvoldoende op de hoogte is van de dagelijkse en feitelijke praktijk.
Uit artikel 4 van Verordening (EU) 2020/688 (de verordening) volgt dat exploitanten, met inbegrip van vervoerders, erop toezien dat de vervoermiddelen die worden gebruikt voor het vervoer van gehouden landdieren of broedeieren zo snel mogelijk na elk vervoer van dieren, broedeieren of andere voorwerpen die een risico voor de diergezondheid vormen, worden gereinigd en ontsmet en vóór een nieuwe lading indien nodig opnieuw worden gereinigd of ontsmet en in elk geval actief of passief worden gedroogd.
Verder volgt uit artikel 4, aanhef en onder 24, van Verordening (EU) 2016/429 dat onder exploitant wordt verstaan iedere natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor dieren of producten, ook als dat voor beperkte duur is, met uitzondering van houders van een gezelschapsdier en dierenartsen. Volgens verweerder is eiseres hiermee normadressaat van artikel 4 van de verordening.
Van belang is dat pas met de inwerkingtreding van de verordening op 21 april 2021 de exploitant, met inbegrip van vervoerders, als normadressaat is aangemerkt. Voorheen kon op grond van artikel 31 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten enzoönosen en TSE's alleen de vervoerder worden aangesproken indien een vervoermiddel dat niet was gereinigd en ontsmet na lossing van evenhoevigen weer op de openbare weg werd gebracht.
Eiseres heeft ter zitting erkend dat zij als verzamelcentrum de verplichting heeft erop toe te zien dat vrachtwagens worden gereinigd en ontsmet. Verder is tussen partijen niet in geschil dat eiseres werkt volgens een werkwijze die bekend is bij de bedrijfsbeheerder van de NVWA.
In de “Werkwijze erkende reinigings- en ontsmettingsplaats” van 1 september 2023, die in ROT 24/8749 bij de zienswijze is gevoegd, staat het volgende:
“Maatregelen toezichthouder
• als de veewagen na het reinigen niet schoon is, wordt deze geweigerd voor ontsmetting.
De toezichthouder verzoekt de chauffeur om de veewagen nogmaals te reinigen;
• als de veewagen niet goed is gereinigd en ontsmet stempelt de toezichthouder het
ontsmettingsboekje of het R&O-registerformulier niet af en geeft geen ander
ontsmettingsbewijs af;
• Indien een transportmiddel niet (of niet voldoende) is gereinigd en ontsmet en de
chauffeur verlaat toch het bedrijfsterrein met het transportmiddel, zal de chauffeur
nogmaals worden gewezen op de regelgeving en het feit dat het absoluut niet is
toegestaan om met een vervuild transportmiddel de openbare weg te betreden. Tevens
wordt aangegeven dat de chauffeur verantwoordelijk is voor eventuele sancties van de
controlerende instanties. In het digitaal register wordt een aantekening gemaakt.
Administratie R&O
De toezichthouder verricht de volgende administratieve handelingen:
1. na afloop van het reinigen en ontsmetten van ieder transportmiddel, wordt in het digitaal
bedrijfsregister de datum en het tijdstip van ontsmetting ingevuld, tevens worden
onvolkomenheden geregistreerd.
2. afstempelen van het ontsmettingsboekje of het R&O-registerformulier (indien aanwezig bij het transportmiddel).
In de administratie is een register aanwezig inzake veewagens die ter plekke zijn gereinigd en ontsmet.
De bedrijfsadministratie wordt na de meest recent gedateerde vermelding in het register
tenminste drie jaar bewaard.
Ik heb als toezichthouder volledig volgens de werkwijze gehandeld, de digitale administratie.”
In de bestreden besluiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres als exploitant, evenals de vervoerders, een op zichzelf staande verplichting en verantwoordelijkheid heeft zich te houden aan het in artikel 4 van de verordening neergelegde voorschrift. Uit de bewoordingen van de verschillende taalversies maakt verweerder op dat de Uniewetgever een resultaatsverplichting wenste op te leggen. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zij alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om de overtreding te voorkomen. Verweerder begrijpt dat eiseres niet letterlijk vóór de vervoermiddelen kan gaan liggen om te voorkomen dat deze niet gereinigd en niet ontsmet haar terrein verlaten. Wel kan volgens verweerder van eiseres worden verwacht dat zij (preventief) adequate maatregelen neemt om te voorkomen dat niet gereinigde en niet ontsmette vervoermiddelen van haar terrein kunnen wegrijden. Verweerder heeft in het bestreden besluit - kortgezegd - dus enkel gesteld dat eiseres onvoldoende heeft gedaan om de overtreding te voorkomen waarmee zij zich niet aan de verplichting heeft gehouden erop op toe te zien dat verontreinigde en niet ontsmette vrachtwagens niet haar terrein verlaten. Eiseres heeft echter meermalen in deze procedures de vraag opgeworpen wat zij zou kunnen doen om een dergelijke overtreding te voorkomen en heeft bovendien twee keer per jaar contact met de bedrijfsbeheerder van de NVWA die op de hoogte is van de werkwijze binnen haar bedrijf. In de rapporten van bevindingen, noch in de besluiten of in het verweerschrift is geconcretiseerd wat eiseres had kunnen en moeten doen om de overtredingen te voorkomen.
Verweerder heeft pas op de zitting, onder verwijzing naar het ‘Handboek erkende reinigings- en ontsmettingsplaats’ van 8 mei 2014, dat op de zitting is overgelegd, gesteld dat er door eiseres onmiddellijk telefonisch melding moet worden gedaan bij de NVWA als een vervoermiddel dat niet is gereinigd en ontsmet van het terrein afrijdt.
Op pagina 11 van dit Handboek is hierover het volgende opgenomen:
“Controle en toezicht
Uitgangspunt is dat het bedrijf zelf alert is op tekortkomingen en deze zo snel mogelijk herstelt. De eigenaar of exploitant van de R&O-plaats, of zijn vertegenwoordiger meldt het vertrek van een lege veewagen die niet of onvoldoende is gereinigd en ontsmet, onmiddellijk bij de NVWA.”
Niet in geschil is dat deze passage uit dit Handboek (pagina 11 van 13) destijds niet is overgenomen in het protocol dat eiseres binnen haar bedrijf hanteerde. Naar de rechtbank begrijpt waren daarin de ‘maatregelen toezichthouder’ opgenomen die onder 8.4 staan vermeld. Dit protocol van eiseres is destijds echter wel goedgekeurd door de NVWA. Uit pagina 3 van het handboek volgt dat het dus voldeed aan de protocollaire eisen. Op dat moment gold voor een verzamelcentrum (als exploitant) echter nog geen wettelijke verplichting om erop toe te zien dat vrachtwagens werden gereinigd en ontsmet voordat deze het terrein verlieten. Die verplichting is pas met de invoering van de verordening vanaf 21 april 2021 voor exploitanten (waaronder verzamelcentra) ontstaan. De digitale werkwijze waarmee nu werkt, heeft eiseres wel voorgelegd aan de bedrijfsbeheerder maar wordt niet meer gecontroleerd door de NVWA.
Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder, en dan in het bijzonder de bedrijfsbeheerder van de NVWA, gelegen om eiseres op de hoogte te stellen dat als gevolg van de wijziging van de regelgeving per 21 april 2021 de in de werkwijze opgenomen ‘maatregelen toezichthouder’ niet meer voldeden. Eiseres had erop moeten worden gewezen dat zij verplicht was om daarnaast direct aan de NVWA te melden dat een niet gereinigd en niet ontsmet vervoermiddel haar terrein had verlaten en daarbij had moeten worden aangegeven op welke wijze dat concreet diende te gebeuren. Eiseres heeft onbetwist gesteld dat dit niet is gebeurd. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de bewoordingen ‘erop toezien’ in de Nederlandse versie van artikel 4 van de verordening niet duidelijk volgt dat daarin een resultaatsverplichting aan eiseres is opgelegd. Kennelijk gaat verweerder ook niet uit van een resultaatsverplichting maar van een inspanningsverplichting. Door het vertrek van een lege veewagen die niet of onvoldoende is gereinigd onmiddellijk bij verweerder te melden, wordt immers niet voorkomen dat een niet gereinigde en ontsmette veewagen het terrein verlaat. Onder deze omstandigheden kan eiseres niet worden verweten dat zij dergelijke (telefonische) meldingen bij de NVWA niet heeft gedaan en dat zij heeft gehandeld overeenkomstig haar eigen, bij de bedrijfsbeheerder bekende, werkwijze.
Conclusie en gevolgen
Reeds gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond en dienen de bestreden besluiten te worden vernietigd. De overige beroepsgronden laat de rechtbank onbesproken. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept de primaire besluiten. Dit betekent dat de boete in beide zaken vervalt.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht in beide zaken aan eiseres vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de besluiten van 29 augustus 2024;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder in beide zaken het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.