RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1668
1. Stichting Human Rights in Finance.EU, de stichting,
2) [verzoeker 2],
beiden uit Amsterdam, tezamen verzoekers,
(gemachtigde: S. Lelieveldt),
en
De Nederlandsche Bank N.V., DNB,
(gemachtigde: mr. L.P.W. Mensink).
Inleiding
1. Op 26 december 2025 heeft de stichting DNB verzocht om openbaarmaking van (1) de bevindingenbrief van DNB van 4 juli 2018, die wordt genoemd in het deels op de website van DNB gepubliceerde besluit van 6 maart 2019 (waarbij DNB Triodos Bank N.V. een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) heeft gegeven) en (2) de volgens de stichting aan deze brief voorafgegane interne besluitnotitie van DNB. Bij besluit van 22 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft DNB dit verzoek afgewezen. De stichting heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2. Op 20 februari 2026 hebben verzoekers verzocht om een voorlopige voorziening. DNB heeft schriftelijk gereageerd op dit verzoek.
3. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker 2] kennelijk niet-ontvankelijk is en het verzoek van de stichting kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank niet in een eventuele beroepsprocedure.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. DNB heeft het openbaarmakingsverzoek van de stichting bij het bestreden besluit afgewezen, omdat de desbetreffende stukken toezichtinformatie bevatten die valt onder de geheimhoudingsplicht van de artikelen 1:89 tot en met 1:93h van de Wft en artikel 22 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en daarom niet openbaar mag worden gemaakt.
5. Gezien de wettelijke grondslag van het bestreden besluit is, anders dan (de advocaat van) DNB meent, niet de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam maar de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam bevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening (vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 31 januari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV3704, overweging 5.2).
6. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter primair verzocht DNB op te dragen het volledige aanwijzingsbesluit van 6 maart 2019 per ommegaande te publiceren, met inbegrip van de bevindingenbrief van 4 juli 2018. Subsidiair hebben zij de voorzieningenrechter verzocht DNB te gelasten onverwijld de bevindingenbrief van 4 juli 2018, geanonimiseerd voor persoonsnamen, aan de stichting te verstrekken.
7. Het openbaarmakingsverzoek van 26 december 2025 is niet door [verzoeker 2] ingediend. Het bestreden besluit is (dus) ook niet (mede) aan hem gericht. [verzoeker 2] kan, gelet op het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid en artikel 7:1, eerste lid, van deze wet, niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. Nog daargelaten dat [verzoeker 2] geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit, kon hij daartegen geen bezwaar maken en dus ook geen voorlopige voorziening hangende dat bezwaar vragen. Het verzoek van [verzoeker 2] is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, nog daargelaten dat de door de stichting overgelegde volmacht van [verzoeker 2] niet ziet op het indienen van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening door de stichting namens [verzoeker 2] .
8. Met betrekking tot de stichting oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Het verzoek om voorlopige voorziening van de stichting is gericht op het verkrijgen van (inzage in) bepaalde stukken. Nog daargelaten (a) of de stichting belanghebbende is bij haar verzoek van 26 december 2025 en (b) dat dat verzoek, anders dan het verzoek om voorlopige voorziening, niet strekt tot volledige openbaarmaking van het aanwijzingsbesluit van 6 maart 2019, leent de onderhavige voorzieningenprocedure zich in beginsel niet voor het verkrijgen van (inzage in) stukken waarover het besluit gaat waartegen het bezwaar is gericht. Indien bij wijze van voorlopige voorziening zou worden bepaald dat DNB deze stukken openbaar moet maken of aan de stichting moet verstrekken, zou dit geen voorlopige maar onomkeerbare gevolgen hebben, omdat de openbaarmaking of verstrekking van deze stukken feitelijk niet ongedaan kan worden gemaakt. Tot het treffen van een dergelijke voorziening zou aanleiding kunnen bestaan, indien buiten redelijke twijfel staat dat de desbetreffende stukken openbaar moeten worden gemaakt of moeten worden verstrekt aan de stichting. Dat is evenwel niet het geval. Van een zwaarwegend (spoedeisend) belang dat niettemin noopt tot openbaarmaking of verstrekking van de stukken voorafgaand aan de beslissing op het bezwaar van de stichting is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. Dat in de bezwaarprocedure op 12 maart 2026 een hoorzitting staat gepland en dat de stichting meent zij dat voor een goede inbreng op die hoorzitting moet beschikken over het volledige aanwijzingsbesluit van 6 maart 2019, inclusief de bevindingenbrief van 4 juli 2018, levert niet een dergelijk zwaarwegend belang op en rechtvaardigt dan ook niet het treffen van een voorziening met onomkeerbare gevolgen. Dit geldt ook voor de stelling van de stichting dat het kunnen beschikken over de bevindingenbrief van 4 juli 2018 van groot belang is in het kader van de (onder meer) door haar ingediende beroepen bij deze rechtbank met zaaknummers ROT 26/1553, ROT 26/1557, ROT 26/1560 en ROT 26/1564. In die vier beroepsprocedures staat de vraag centraal of de Stichting Autoriteit Financiƫle Markten (AFM) zich terecht op het standpunt stelt dat de op 11 en 12 juni 2025 door (onder meer) de stichting bij de AFM ingediende handhavingsverzoeken niet kwalificeren als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De voorzieningenrechter ziet niet in dat de bevindingenbrief van 4 juli 2018 van belang kan zijn voor de beantwoording van deze vraag.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek van [verzoeker 2] niet-ontvankelijk en wijst het verzoek van de stichting af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker 2] niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening van de stichting af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: