ECLI:NL:RBROT:2026:2563

ECLI:NL:RBROT:2026:2563

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 23-02-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer 11/870042-11
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Afwijzing verzoek kwijtschelding/vermindering van de ontnemingsvordering. Veroordeelde heeft betalingsonmacht onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht

Zittingsplaats Rotterdam

Parketnummer : 11/870042-11

Raadkamernummer : [nummer]

Datum : 23 februari 2026

Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [postcode] [woonplaats] ,

voor deze zaak domicilie kiezende te (1251 KW) Laren, Brink 16a ten kantore van zijn advocaat mr. W.S. de Zanger,

hierna te noemen: de veroordeelde.

Feiten

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan de veroordeelde bij vonnis van 8 november 2021 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 70.970,-. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden op 20 november 2021.

De veroordeelde heeft tot 11 augustus 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, geen betalingen verricht. Ter terechtzitting is uit een overgelegd betalingsafschrift gebleken dat de veroordeelde tot 23 februari 2026 een bedrag van € 150,- heeft betaald.

Procedure

Het verzoek van de veroordeelde is op 11 augustus 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 23 februari 2026 het verzoek op de openbare terechtzitting behandeld.

De rechtbank heeft de officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper, de veroordeelde en zijn advocaat mr. W.S. de Zanger op zitting gehoord.

Verzoek

Het verzoek strekt primair tot kwijtschelding van de aan de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 70.970,-. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij niet beschikt over enige huidige of toekomstige financiële draagkracht en dat hij daarom betalingsonmachtig is. De veroordeelde heeft op 20 juli 2021 een ernstig eenzijdig ongeval gehad dat tot hersenletsel heeft geleid. Hij is sindsdien afhankelijk van 24-uurszorg en hij is in het geheel niet in staat inkomen te verwerven uit arbeid, ook niet in de toekomst. De veroordeelde ontvangt een uitkering en huur- en zorgtoeslag, echter kan hij niet rondkomen van zijn uitkering en toeslagen. Hij houdt daarom maandelijks geen geld over om aan het CJIB te voldoen.

Subsidiair is namens de veroordeelde verzocht tot vermindering van de betalingsverplichting. Verzocht wordt om te bepalen welk bedrag de veroordeelde maandelijks zou moeten kunnen missen (van het bedrag uit zijn uitkering) en vervolgens een termijn te bepalen hoe lang de veroordeelde dat bedrag zou moeten afstaan aan het CJIB. De vermindering van de betalingsverplichting zou dan kunnen plaatsvinden tot een bedrag van die maandelijkse betaling vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de veroordeelde zal moeten betalen.

Ter zitting is namens de veroordeelde aangevoerd dat hij inmiddels een betalingsregeling heeft met het CJIB voor de duur van 12 maanden met een maandbedrag van € 25,-. De veroordeelde heeft inmiddels een bedrag van € 150,- betaald. Het volgende maandbedrag dient hij vóór 28 februari 2026 te voldoen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt – onder verwijzing naar de reactie van het CJIB – dat het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van de betalingsverplichting vanwege onvoldoende draagkracht moet worden afgewezen. De veroordeelde beschikt over voldoende inkomsten en de betalingsregeling van € 25,- per maand kan, gelet op de uitgaven van de veroordeelde, ook worden opgebracht. Daarmee bestaat op dit moment geen reden voor kwijtschelding of vermindering van de betalingsverplichting.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde betalingsverplichting, op de veroordeelde de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij hem geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.

De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde het verzoek onvoldoende heeft onderbouwd dat hij nu en in de toekomst geen draagkracht heeft om de ontnemingsvordering te betalen.

De rechtbank overweegt dat de veroordeelde weliswaar niet meer kan werken – en geen inkomen uit arbeid geniet –, maar dat dit niet zonder meer met zich meebrengt dat de veroordeelde geen draagkracht heeft. De veroordeelde ontvangt namelijk een uitkering, huur- en zorgtoeslag. De veroordeelde beschikt dus over financiële middelen waar hij van kan leven. Ter zitting is zelfs gebleken dat de veroordeelde geld overhoudt voor de leuke dingen in het leven, namelijk wekelijkse uitjes.

Daarnaast is ter zitting gebleken dat de veroordeelde een betalingsregeling heeft getroffen met het CJIB voor de duur van 12 maanden met een maandbedrag van € 25,-, en is gebleken dat de veroordeelde de maandelijkse termijnbedragen kan voldoen. Immers heeft de veroordeelde de afgelopen zes termijnbedragen betaald. Daarmee concludeert de rechtbank dat niet is gebleken dat de veroordeelde nu (en in de toekomst) niet over financiële middelen beschikt om zijn schuld te kunnen voldoen, en dat er op dit moment geen sprake is van betalingsonmacht.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot vermindering van de betalingsverplichting over te gaan. Uit het ontnemingsvonnis blijkt dat de rechtbank al rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en een lager bedrag heeft vastgesteld dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook het CJIB heeft rekening gehouden met de veroordeelde en een maandbedrag van (slechts) € 25,- vastgesteld. Het verzoek om een maandbedrag en vervolgens een termijn te bepalen hoe lang de veroordeelde dat bedrag zou moeten betalen aan het CJIB behoort niet tot de bevoegdheid van de rechtbank.

Het verzoek zal daarom integraal worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. L. Feraaune, voorzitter,

mrs. N. van Esch en B. Vaz, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.

De oudste rechter is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L. Feraaune

Griffier

  • mr. K. Dere

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?