RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
Parketnummer : 10/650136-19 (rolnummer hof: 22/002379-20)
V.i. nummer : [nummer 1]
Raadkamernummer : [nummer 2]
Datum : 23 februari 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
voor deze zaak domicilie kiezende te (2909 VA) Capelle aan den IJssel, Fascinatio Boulevard 522 ten kantore van zijn raadsman mr. M. de Reus,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
Het gerechtshof Den Haag heeft de veroordeelde bij arrest van 14 september 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 maanden.
Het Openbaar Ministerie heeft de veroordeelde voorwaardelijke invrijheidsstelling verleend bij beslissing van 24 april 2024. De veroordeelde is op 16 juni 2024 feitelijk in vrijheid gesteld, waarna de proeftijd is gestart.
Het Openbaar Ministerie heeft op 10 december 2025 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde geheel te herroepen voor de duur van 96 dagen.
Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 9 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 23 februari 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde raadsman van de veroordeelde, mr. M. de Reus en de officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper in raadkamer gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Bezwaar
De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om zijn voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat niet wordt betwist dat de veroordeelde op 21 november 2025 drugs heeft gebruikt, maar dat de veroordeelde zich daarna (na het gesprek met de begeleiders) wel heeft gehouden aan de gemaakte afspraken en gestelde voorwaarden.
Bij de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer is namens de veroordeelde naar voren gebracht dat de in het reclasseringsrapport beschreven incidenten op 6 en 8 december 2025 onvoldoende zijn onderbouwd door Exodus.
De veroordeelde is vrachtwagenchauffeur, heeft een baan en een huurwoning. Bij een gegrondverklaring van het bezwaar wordt verzocht tot aanpassing van de bijzondere voorwaarden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard, omdat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot zijn beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft kunnen komen. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de veroordeelde de voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beoordeling
Op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv dient de rechtbank te onderzoeken of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Dit is dus een zogenaamde marginale toetsing.
Bij beslissing van 17 oktober 2025 heeft het Openbaar Ministerie bijzondere voorwaarden gesteld aan de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, te weten: een meldplicht, een behandelverplichting, een contact- en locatieverbod, een drugs- en alcoholverbod, een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een inspanningsverplichting voor het verkrijgen/behouden van een structurele en zinvolle dagbesteding.
Uit het reclasseringsrapport van 8 december 2025 blijkt dat de veroordeelde de hierboven genoemde voorwaarden niet heeft nageleefd. Zo blijkt uit de rapportage dat de veroordeelde op 21 november 2025 positief scoorde op cocaïne. Na een gesprek met de veroordeelde is vervolgens op 6 december 2025 gebleken dat hij tijdens zijn verblijf in de instelling dealde in verdovende middelen. Verder heeft de veroordeelde antisociaal gedrag getoond richting de medewerkers van Exodus en heeft hij tot tweemaal toe intakeafspraken gemist bij Mondriaan Forensische zorg.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaar zal daarom ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
mrs. N. van Esch en B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
De oudste rechter is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.