Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 83-203407-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Tegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 2] , [postcode] [woonplaats 2] ,
gemachtigd raadsvrouw mr. F.A.M. Engels, advocaat in 's-Gravenhage.
1. Procedure
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 4 en 25 februari 2026, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.
2. Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 25 februari 2026 (hierna: het vonnis in de strafzaak) is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor onder meer het handelen in afslanktabletten (geneesmiddelen in de zin van de Geneesmiddelenwet) die amfetamine bevatten, in strijd met de Opiumwet en zonder dat hem daarvoor een vergunning was verleend en terwijl hij het schadelijke karakter van deze tabletten verzweeg, gepleegd in de periode van 22 juni 2022 tot en met 13 oktober 2022.
Dit vonnis is niet onherroepelijk.
3. Vordering
De vordering van de officier van justitie mr. S.J. Wirken zoals deze na wijziging op de zitting is komen te luiden - strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 77.807,19;
- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 77.807,19 ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
4. Standpunt verdediging hoogte ontnemingsvordering
De ontnemingsvordering dient inderdaad te worden gematigd tot € 77.807,19. De verdediging heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5. Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) blijkt dat door middel van deze feiten de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Er bestaan voldoende aanwijzingen in de zin dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de veroordeelde ook andere strafbare feiten heeft begaan, waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, te weten dezelfde feiten tijdens een langere periode, vanaf 1 januari 2021.
De berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, is gebaseerd op de berekening in het ontnemingsrapport. Deze berekening is in het ontnemingsrapport voldoende door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen onderbouwd en is door de verdediging op één onderdeel na niet weersproken.
De rechtbank is van oordeel dat het ‘rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ een voldoende nauwkeurige schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het rapport geschat op € 79.245,19. Bovendien is er bij die schatting, aan de hand van zijn verklaring naar aanleiding van het onderzoek dat aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag ligt, steeds uitgegaan van de voor de veroordeelde meest voordelige situatie. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de bedragen die door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn overgemaakt moeten worden afgetrokken van de opbrengst. Deze getuigen hebben immers bij de rechter-commissaris verklaard dat de door hen overgemaakte bedragen (in totaal € 1438,-) niets te maken hebben met afslanktabletten.
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 77.807,19.
6. Vaststelling van de betalingsverplichting
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. In deze zaak geldt echter het volgende.
Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen. In verband met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel zal de waarde van het onder de veroordeelde inbeslaggenomen en in de strafzaak verbeurdverklaarde voorwerpen – ook al is deze verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk – in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting.
Uit het vonnis in de strafzaak blijkt dat verbeurd is verklaard een geldbedrag van € 14.307,19 op de bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [persoon A] .
De waarde hiervan wordt vastgesteld op: € 14.307,19. Voor de overige verbeurd verklaarde voorwerpen geldt dat de geldelijke waarde niet gemakkelijk is vast te stellen, zodat deze buiten beschouwing worden gelaten.
Dat betekent dat het door de veroordeelde aan de staat terug te betalen bedrag wordt verminderd met een bedrag van € 14.307,19.
Conclusie
De slotsom is dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd om een bedrag van € 63.500,- (€ 77.807,19 minus € 14.307,19) aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.
7. Maximale duur gijzeling
Op grond van artikel 6:6:25 Sv zal de duur van de gijzeling worden vastgesteld die ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van het ontnemingsbedrag niet mogelijk is.
Uitgaande van een maximum duur van de gijzeling van drie jaar (artikel 36e, elfde lid, Sr) hanteert de rechtbank naar rato de volgende verdeling:
Het aantal dagen gijzeling in deze zaak zal daarom worden vastgesteld op 360 dagen (voor de eerste € 50.000,-) plus 11 dagen voor de resterende € 13.500,- (13.500,- / 450.000,- X 360) is 371 dagen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 77.807,19 (zegge: zevenenzeventigduizend achthonderdzeven euro en negentien cent);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 63.500,- (zegge: drieënzestigduizend vijfhonderd euro) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 371 dagen (zegge: driehonderdeenenzeventig dagen);
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.M. Riemens, voorzitter,
en mrs. E.M. Vermeulen en R.P. van Campen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 februari 2026.
Mrs. E.M. Vermeulen en R.P. van Campen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.