RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11845
(gemachtigde: mr. T. Gelo),
en
(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).
1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag van eiseres voor een bedrijfsurenvergunning. Met zo’n vergunning kunnen organisaties hun medewerkers, leden en vrijwilligers goedkoper in de buurt laten parkeren.
In een tussenuitspraak van 5 november 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:12831) (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de aanvraag op een onjuiste manier heeft beoordeeld.
In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het college dit gebrek gedeeltelijk heeft hersteld. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen deels in stand. Voor het overige gedeelte dient het college een nieuw besluit te nemen die strekt tot het toekennen van een bedrijfsurenvergunning voor twee van de vier afzonderlijke kerken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Voor de wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, verwijst de rechtbank naar de bijlage bij de tussenuitspraak en de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2.
Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Op 18 november 2025 heeft het college de rechtbank laten weten dat zij gebruik maakt van de gelegenheid om het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend op 15 december 2025.
Eiseres heeft op 12 januari 2026 schriftelijk gereageerd op de aanvullende motivering.
De rechtbank heeft op 16 januari 2026 het onderzoek gesloten en bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
3.
De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college de aanvraag onjuist heeft beoordeeld door geen invulling te geven aan de (aan de hardheidsclausule voorafgaande) beoordelingsruimte van artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2024 (het Uitvoeringsbesluit). Ook heeft de rechtbank overwogen dat het college een onjuiste en erg formele opstelling hanteert door (onder andere) vast te houden aan het vereiste dat de wijkgemeenten zich moeten inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) en bij het ontbreken daarvan geen inhoudelijke beoordeling uit te voeren.
Het college heeft met de aanvullende motivering gereageerd op de tussenuitspraak en voor de vier kerken een inhoudelijke toets uitgevoerd.
Uit de inhoudelijke toets volgt dat de [naam kerk 1] en de [naam kerk 2] beschikken over een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening. Deze kerken komen niet in aanmerking voor een bedrijfsurenvergunning. Voor de [naam kerk 3] en de [naam kerk 4] is vastgesteld dat deze adressen geen bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening hebben. Het college schrijft dat deze kerken in aanmerking komen voor een bedrijfsurenvergunning als zij staan ingeschreven in de KvK.
Het college stelt zich op het standpunt dat het vereiste van een KvK-inschrijving een aantal doelen dient. Zo zorgt een inschrijving ervoor dat het college een effectieve controle kan uitvoeren, zowel voor de vraag of aan de voorwaarden voor een vergunning is voldaan als voor een objectieve controle. Het maken van een uitzondering daarop zou leiden tot ongewenste precedentwerking. Volgens het college weegt een eenduidig en uitvoerbaar beleid zwaarder dan de beleidskeuze van de landelijke organisatie van de [kerkelijk gezindte] Kerk in Nederland ( [naam kerk 5] ) om wijkgemeenten niet in te schrijven bij de KvK.
Eiseres voert in haar reactie op de aanvullende motivering aan dat het college heeft erkend dat het ontbreken van een KvK-inschrijving voor de [naam kerk 4] en de [naam kerk 3] het enige resterende beletsel vormt voor het verlenen van de aangevraagde bedrijfsurenvergunning. Het vasthouden aan het vereiste van de KvK-inschrijving is in dit concrete geval onredelijk. Het honoreren van de aanvraag betekent geen versoepeling van de inhoudelijke toets of uitholling van het vergunningenstelsel. Het college heeft de aanvraag namelijk al inhoudelijk beoordeeld en daarbij vastgesteld dat twee van de vier kerken aan alle inhoudelijke voorwaarden voldoen.
Beoordeling door de rechtbank
4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering het geconstateerde gebrek ten aanzien van de [naam kerk 4] en de [naam kerk 3] niet hersteld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit de aanvullende motivering van het college blijkt dat het college, ondanks dat de wijkgemeenten niet zijn ingeschreven in het handelsregister, inhoudelijk heeft beoordeeld of de verschillende kerken voldoen aan de voorwaarden om een bedrijfsurenvergunning. Het college heeft vastgesteld dat de [naam kerk 4] en de [naam kerk 3] aan die voorwaarden voldoen, met uitzondering van het vereiste van inschrijving in het handelsregister. Dat vereiste, wat daar verder ook van zij, dient echter slechts om vast te kunnen stellen of voldaan wordt aan de inhoudelijke voorwaarden. Omdat het college in dit geval heeft vastgesteld dat aan die inhoudelijke voorwaarden is voldaan, dient de inschrijving in het handelsregister geen enkel doel meer. Door toch af te wijzen omdat de wijkgemeenten niet zijn ingeschreven in het handelsregister, stelt het college zich opnieuw erg formalistisch op. Het college kon onder deze omstandigheden in redelijkheid niet vasthouden aan het vereiste van inschrijving in het handelsregister en had daarvan op grond van zijn discretionaire bevoegdheid moeten afwijken.
De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Zij kan de vergunningen niet zelf verlenen. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal het Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2026 moeten worden toegepast. Gelet op artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit 2026 bestaat er (evenals in het Uitvoeringsbesluit 2024) een maximum aantal uit te geven vergunningen per sector en worden aanvragers op een wachtlijst geplaatst als dat maximum is bereikt. De rechtbank heeft geen inzicht in het aantal vergunningen dat voor deze sector is vergeven en vergeven kan worden. Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen waarin het primaire besluit wordt herroepen en voor de [naam kerk 4] en de [naam kerk 3] of een bedrijfsurenvergunning wordt verleend of waarin eiseres voor die beide kerken op de wachtlijst wordt geplaatst. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Wat betreft de [naam kerk 1] en de [naam kerk 2] laat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand. Het college heeft toegelicht dat deze kerken niet voldoen aan de inhoudelijk eisen om een bedrijfsurenvergunning te krijgen en eiseres heeft daartegen geen gronden aangevoerd.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-. Het college moet in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar ook de proceskosten in bezwaar vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen wat betreft de [naam kerk 4] en de [naam kerk 3] waarin het primaire besluit wordt herroepen en voor de [naam kerk 4] en de [naam kerk 3] of een bedrijfsurenvergunning wordt verleend of waarin eiseres voor die kerken op de wachtlijst wordt geplaatst en waarin aan eisers een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte proceskosten wordt toegekend;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven voor zover deze zien op het afwijzen van de aanvraag voor de [naam kerk 1] en de [naam kerk 2] ;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2026
Artikel 12 Maximering aantal vergunningen per sector
1. Het college stelt het maximaal aantal uit te geven vergunningen per sector vast.
2. Het college stelt het maximaal aantal uit te geven stadsbrede parkeervergunningen voor free-floating autodelen vast.
3. Indien het maximaal aantal uit te geven vergunningen per sector is verleend, wordt de aanvrager op een wachtlijst voor deze sector geplaatst, waarbij bewoners en bedrijven op aparte wachtlijsten staan.
4. Deze wachtlijsten worden aangelegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen van bewoners en bedrijven, waarbij de datum van registratie door de gemeente Rotterdam bepalend is.
5. Bij de wachtlijst voor bewoners worden de aanvragen voor een bewonersvergunning op volgorde van binnenkomst gerangschikt waarbij geldt dat de aanvragen voor de eerste bewonersvergunningen voor gaan op de aanvragen voor de tweede bewonersvergunningen en de aanvragen voor de tweede bewonersvergunningen voor gaan op de aanvragen voor de derde bewonersvergunningen.
6. Aan de op de wachtlijst geplaatste aanvrager kan op diens verzoek een tijdelijke vergunning worden verleend voor een aangrenzende sector op voorwaarde dat deze tijdelijke vergunning voor de betreffende aangrenzende sector beschikbaar is.
7. Deze sector wordt door het college bepaald binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid voor wat betreft de afstand tot het adres waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.
8. De tijdelijke vergunning wordt verleend voor bepaalde tijd met een maximale duur van twaalf maanden, maar niet langer dan de duur van de plaatsing op de wachtlijst voor de eigen sector.