Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 83.202968.23
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Datum zitting: 27 januari en 3 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. S.C. van Klaveren.
Officieren van justitie: mr. V.E. Broeders en mr. J. Bezem,
hierna te noemen de officier van justitie.
Kern van het vonnis
De rechtbank vindt niet bewezen dat de verdachte een aanvraagformulier voor een WIA-uitkering vals heeft opgemaakt of daarvan gebruik heeft gemaakt en ook niet dat zij het UWV heeft opgelicht. Van deze verwijten spreekt de rechtbank de verdachte daarom vrij. De rechtbank vindt wel bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten informatie te verstrekken aan het UWV waarvan zij wist of moest weten dat die relevant was voor haar WIA-uitkering. De rechtbank legt hiervoor geen straf op, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en omdat het een feit van al langer geleden is en niet gebleken is dat zij daardoor bevoordeeld is. Strafoplegging dient daarom op dit moment geen redelijk doel meer.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij - samengevat – samen met een ander een aanvraagformulier voor een WIA-uitkering valselijk heeft opgemaakt en daarvan gebruik heeft gemaakt (feit 1), dat zij heeft nagelaten tijdig informatie te verstrekken die relevant is voor haar WIA-uitkering (feit 2) en dat zij samen met een ander het UWV heeft opgelicht (feit 3).
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.
2. Bewijs / vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte heeft nagelaten tijdig informatie te verschaffen aan het UWV waarvan zij kon vermoeden dat deze relevant was voor de beoordeling van het recht, hoogte en duur van haar uitkering (feit 2). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Schriftelijk stuk van inspectie SZW Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Telefoongesprek op 27 juni 2019
[verdachte] (stemherkenning) zegt dat de auto niet start. [persoon A] zal komen kijken.
[voornaam verdachte] : de auto wil niet starten, de accu is op. Hij doet helemaal niets.
[persoon A] : Heb je een keer vreemd gedrukt of heb je gedrukt zonder te wachten?
[voornaam verdachte] : Nee joh, het is de auto dat ik iedere dag gebruik.
[persoon A] : blijkbaar pakt hij soms het niet.
[voornaam verdachte] : Je kan een auto niet gebruiken die soms niet pakt. Ik kan jou toch niet iedere dag gaan bellen.
2. Schriftelijk stuk arbeidsdeskundig rapport UWV
De verzekeringsarts heeft op 21 juni 2019 de functionele mogelijkheden van mevrouw [verdachte] vastgesteld. Zij is voor vervoer aangewezen op de hulp van anderen.
Bewijsmotivering
Feit 2
De verdediging heeft betoogd dat het de verdachte niet duidelijk was welke informatie relevant was voor haar recht op uitkering en dat zij niet wist dat ze aan het UWV had moeten melden dat zij autoreed.
De rechtbank verwerpt dit verweer. In het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek naar aanleiding van de aanvraag voor de WIA-uitkering is op 21 juni 2019 door een verzekeringsarts onder meer vastgesteld dat de verdachte voor vervoer afhankelijk is van de hulp van anderen. Het recht van de verdachte op een WIA-uitkering was mede gebaseerd op informatie uit het arbeidsdeskundig rapport. Uit een tapgesprek kort daarop, namelijk op 27 juni 2019, blijkt echter dat zij naar eigen zeggen iedere dag in een auto reed. Deze omstandigheid heeft zij kennelijk niet gedeeld met het UWV in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek en ook later niet, terwijl het haar duidelijk had moeten zijn dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op een uitkering en de hoogte en duur ervan. Het spreekt voor zich dat de mate waarin iemand mobiel is, naar buiten gaat en in staat is om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer relevant kan zijn voor de vraag in hoeverre iemand in staat is om te werken. Niet voor niets kwam dit aspect met zoveel woorden terug in het arbeidsdeskundig rapport. Het is daarmee evident dat de verdachte aan het UWV had moeten melden dat zij vrijwel dagelijks haar huis uitging en zelfstandig kon deelnemen aan het verkeer en niet, zoals zij had aangegeven in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek, voor vervoer afhankelijk was van de hulp van anderen.
Feit 2 is daarom bewezen, met uitzondering van het medeplegen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat de verdachte bij het plegen van het feit nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt. De verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
2.
zij,
in de periode van 21 juni 2019 tot en met 5 juli 2021 in Nederland, meermalen, in strijd met artikel 27 van de Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl die feiten konden strekken tot bevoordeling van zichzelf terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes
recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming en/of uitkering, te weten een uitkering op grond van de WIA, dan wel voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking en/of tegemoetkoming en/of uitkering, immers heeft verdachte opzettelijk (telkens) niet opgegeven aan, althans verzwegen voor, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen dat zij, verdachte, (zelfstandig) circa dagelijks autorijdt;
zijnde dit een gegeven waarvan zij wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit gegeven van belang was voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming en/of uitkering;
Vrijspraak
Feit 1
De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte zich samen met haar medeverdachte [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door in haar aanvraag WIA-uitkering niet alle juiste informatie te geven over haar situatie ten aanzien van het ziek zijn. Zij is feitelijk niet ziek. Door deze aanvraag op te sturen naar het UWV heeft zij tevens gebruik gemaakt van een vals geschrift.
De rechtbank komt tot een ander oordeel. Het dossier bevat meer dan voldoende aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van een gediagnosticeerd ziektebeeld. Zij heeft hiervoor verschillende medicijnen voorgeschreven gekregen en heeft hiervoor ook behandeling gekregen. De forensisch deskundige drs. [persoon B] heeft slechts algemene conclusies getrokken naar aanleiding van een vergelijking van verschillende dossiers van personen die ook door [medeverdachte] werden begeleid. Dit zegt echter niets over het individuele dossier van de verdachte. De door de officier van justitie genoemde omstandigheden dat de verdachte door [medeverdachte] werd begeleid, dat zij wegkeek bij gesprekken met artsen en arbeidsdeskundigen en medicatie innam tijdens die gesprekken alsmede haar kledingkeuzes, wegen niet op tegen de uit het dossier volgende omstandigheid dat de verdachte door verschillende artsen is gediagnosticeerd met een depressie met psychotische kenmerken en PTSS. Kortom, het dossier bevat onvoldoende bewijs dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door op de door haar ingediende aanvraag WIA-uitkering onjuiste informatie te vermelden. Dit betekent dat er evenmin bewijs is dat zij, door het indienen van de WIA-aanvraag, gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift.
Feit 3
De rechtbank acht evenmin bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van het UWV. Gelet op de vrijspraak onder 1 kan niet worden bewezen dat de verdachte het UWV heeft opgelicht doordat zij op haar WIA-aanvraag onjuiste informatie heeft ingevuld (onderdeel a). Met betrekking tot onderdeel c (het zich anders voordoen bij onderzoeken door artsen of arbeidsdeskundigen) staat slechts vast dat zij tijdens een gesprek met een arts of arbeidsdeskundige in 2017 medicatie innam . Dit vormt echter geen bewijs dat dit op instructie van anderen gebeurde en dat de verdachte zich daardoor anders ging gedragen en zij zieker zou overkomen dan daadwerkelijk het geval zou zijn. Enig strafbaar handelen kan hier dus niet uit worden afgeleid. Met betrekking tot de onderdelen b en d staat weliswaar vast, gelet op de bewezenverklaring onder 2, dat de verdachte heeft nagelaten tijdig informatie met betrekking tot haar gezondheidstoestand door te geven aan het UWV. De rechtbank kan echter op basis van het dossier niet vaststellen dat daarmee het UWV is bewogen tot uitbetaling van een WIA-uitkering zonder dat zij daar recht op had of tot uitbetaling van een hogere WIA-uitkering dan waar zij recht op had. Het dossier bevat geen stuk waaruit dit zou kunnen worden afgeleid.
Conclusie
De verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging onder de feiten 1 en 3.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 2
in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Geen straf of maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een taakstraf. Aangezien de redelijke termijn is overschreden met een periode van twee jaar, vordert de officier van justitie dat dit voor 10% dient te worden gecompenseerd in de op te leggen straf. Zij vordert daarom een taakstraf van 170 uren, alsmede een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Standpunt verdediging
Voor zover de officier van justitie gevolgd wordt in diens standpunt aangaande de bewezenverklaring stelt de verdediging dat de eis van de officier van justitie niet passend is, omdat de redelijke termijn is overschreden. In dat geval dient de eis van de officier van justitie tot oplegging van een taakstraf dient gelet hierop te worden beperkt in duur of er dient te worden volstaan met een geldboete.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. De verdachte heeft opzettelijk nagelaten om tijdig juiste inlichtingen te verstrekken aan de uitkeringsinstantie met betrekking tot haar gezondheidssituatie, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit van invloed kon zijn op het recht op een WIA-uitkering, alsmede de hoogte en de duur ervan. Een uitkeringsinstantie moet kunnen vertrouwen op de juistheid van documenten en moet erop kunnen vertrouwen dat uitkeringsgerechtigden veranderingen in hun gezondheidstoestand juist en tijdig doorgeven. De verdachte heeft met haar gedragingen dit vertrouwen beschaamd.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van de verdachte van 13 september 2025, waaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld in verband met strafbare feiten.
De rechtbank stelt voorts vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte is niet in verzekering gesteld en het eerste politieverhoor (zoals is aangevoerd door de verdediging) geldt niet zonder meer als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Uit de stukken blijkt wel dat bij brief van 15 augustus 2023 het Openbaar Ministerie de verdachte te kennen heeft gegeven dat zij vervolgd zou worden. Vanaf dat moment loopt dus de redelijke termijn van twee jaren. De redelijke termijn is daarom overschreden met 6 maanden en 2 dagen. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Het gaat voorts ook om een oud feit en de verdachte is sindsdien niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. Met al het voorgaande houdt de rechtbank rekening in de strafmaat.
Geen straf en maatregel
Bij de vraag of, en zo ja welke, straf dient te worden opgelegd, houdt de rechtbank naast de hiervoor genoemde omstandigheden ook rekening met het volgende. Hoewel de verdachte in strijd met een op haar rustende verplichting heeft gehandeld door geen of niet tijdig informatie te verstrekken aan het UWV, kan de rechtbank niet vaststellen dat zij - wanneer zij dat wel had gedaan - een lagere uitkering gekregen zou hebben en dus dat van enige bevoordeling van zichzelf daadwerkelijk sprake is geweest. De officier van justitie heeft ook ter zitting medegedeeld dat het UWV geen bedragen heeft teruggevorderd. Bezien tegen de achtergrond van de conclusie van de rechtbank dat de verdachte haar ziekte niet heeft gefingeerd, is het daarnaast een feit van beperkt gewicht. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat strafoplegging op dit moment geen enkel redelijk doel meer dient. De rechtbank zal daarom geen straf of maatregel opleggen.
5. Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten onder 1 en 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit onder 2 zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
geen straf en maatregel
bepaalt dat voor het feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Daum, voorzitter,
en mrs. J.C. Tijink en R.H. Kroon, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
1.
zij
in of omstreeks de periode van 20 september 2017 tot en met 5 juli 2021
te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meerdere geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
- een aanvraag WIA-uitkering op naam van [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1974) d.d. 7 mei 2019 (DOC-014-02),
(telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, althans valselijk heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen, immers heeft /hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) in strijd met de waarheid:
- Op het aanvraagformulier WIA (DOC-014-02); onder ‘2. Intentieverklaring’ staat ‘ik geef op dit (deze) formulier(en) juiste en volledige informatie over mijzelf en mijn situatie’ en verdachte dit formulier (digitaal) heeft ondertekend of doen (laten) ondertekenen, terwijl in werkelijkheid onjuiste en/of onvolledige informatie is gegeven inzake haarzelf en haar situatie en/of (de mate van) het (langdurig) ziek zijn, zulks (telkens) met het oogmerk om dit/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;
en/of
zij
in of omstreeks de periode van 20 september 2017 tot en met 5 juli 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt of heeft doen maken van genoemd (e) vals(e) of valselijk opgemaakt(e) geschrift(en) (DOC-014-02), als ware het echt en onvervalst, en bestaande dat gebruikmaken of gebruik doen maken (telkens) hierin dat zij, verdachte en/of haar mededader(s), dit/deze geschrift(en) heeft/hebben verzonden en/of ingediend, althans doen toekomen aan (een) medewerker(s) van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV);
2
zij
in of omstreeks de periode van 21 juni 2019 tot en met 5 juli 2021 te Zandvoort en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in strijd met artikel 27 van de Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), in elk geval een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit/die feit(en) (telkens) kon(den) strekken tot bevoordeling van zichzelf en/of van (een) ander(en), terwijl zij, verdachte, en/of haar, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat die gegevens (telkens) van belang waren voor de vaststelling van verdachtes haar
recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming en/of uitkering, te weten (telkens) (een) uitkering(en) op grond van de WIA, dan wel (telkens) voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking en/of tegemoetkoming en/of uitkering, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk (telkens) niet opgegeven aan, althans verzwegen voor, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen dat zij, verdachte, (zelfstandig) winkelt op een markt (DOC-001-28) en/of (zelfstandig) (circa dagelijks) autorijdt en winkelt (DOC-008-19)
-zulks terwijl in het medisch dossier en/of een rapportage van het UWV vermeld staat dat verdachte per december 2017 haar huis niet meer uit komt en/of claustrofobisch is geworden (AMB-035-04), zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan zij wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming en/of uitkering;
3.
zij
in of omstreeks de periode van 20 september 2017 tot en met 5 juli 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), die betrokken is bij de uitvoering/uitbetaling/uitkering van ZW- en/of WAO en/of WIA-gelden,
heeft bewogen tot uitbetaling van één of meer (grote) geldbedragen, te weten het verstrekken van een Ziektewetuitkering en/of WIA-uitkering, althans enig goed,
hebbende zij, verdachte en/of haar mededaders, met vorengenoemd oogmerk – zakelijke weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk, in elk geval in strijd met de waarheid,
a.
(telkens) een formulier/aanvraag ingevuld en/of laten invullen, te weten,
- een aanvraag Aanvraag WIA-uitkering [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1974) d.d. 7 mei 2019 (DOC-014-02), voor het verkrijgen van voornoemde uitkering(en), welk(e) formulier/aanvraag onjuiste en/of onvolledige en/of valse en/of vervalste informatie inzake de gezondheid van verdachte bevatte, dit/deze formulier/aanvraag ingediend en/of laten indienen en/of doen indienen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), bestaande die onjuiste en/of valse en/of vervalste informatie inzake de gezondheid van verdachte daaruit dat verdachte niet langdurig ziek was en/of niet kon werken, en/of bestaande die onjuistheid daaruit dat desbetreffende perso(o)n(en) verkla(a)rt/en op dit formulier juiste en volledige informatie over zichzelf en haar situatie te geven;
en/of
b.
(telkens) één of meer onjuiste en/of onvolledige, immers in strijd met de waarheid opgemaakte, medische verklaring(en) en/of medische rapport(en) en/of brief/brieven met medische informatie, te weten
- een arbeidsdeskundig rapport UWV inzake [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1974) (DOC-014-01), heeft laten (doen) opstellen en/of schrijven door (een) (huis)arts(en), psycholo(o)g(en) en/of psychiater(s) en/of arbeidsdeskundige ten behoeve van het verkrijgen van een WAO/WIA-uitkering,
en/of
c.
(telkens) zich bij (een) (controle)bezoek(en) aan (een) (verzekerings)arts(en) en/of arbeidsdeskundige(n) heeft laten (doen) begeleiden, al dan niet nadat zij voorafgaand daaraan gedragsbëinvloedende medicatie had gekregen en/of ingenomen, waarbij zij, verdachte, op advies/instructie van (een) ander(en), en of één van haar mededaders, zich anders gedroeg dan zij gebruikelijk deed en/of niets, althans weinig, zei in aanwezigheid van (een) (verzekerings)arts(en) en/of arbeidsdeskundige(n),
en/of
d.
(telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan het UWV en/of niet te reageren op verzoeken van het UWV om informatie en/of inlichtingen, waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s), wist(en), (althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden) dat die gegevens en/of inlichtingen van belang waren voor de vaststelling door het UWV van haar recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming en/of uitkering.