RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10231
[verzoeker 1] en [verzoeker 2 en 3], uit Capelle aan den IJssel, verzoekers
en
(gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het vereiste spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening ontbreekt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 18 november 2025 heeft het college aan de gemeente Rotterdam een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een boom nabij [adres] . Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker en het college hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 februari 2026, samen met zaak ROT 25/10384, op zitting behandeld. Hieraan heeft namens verzoekers deelgenomen [verzoeker 1] . Het college heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van een boom (kastanje) op een locatie nabij [adres] . De omgevingsvergunning is verleend voor de omgevingsplanactiviteit kappen. De boom staat op het westelijke deel van het P&R-terrein Capelsebrug. De boom wordt gekapt, omdat op deze locatie een nieuwe tijdelijke opvanglocatie voor dak- en thuislozen wordt gerealiseerd. Het college heeft op 6 november 2025 een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) verleend voor de tijdelijke opvanglocatie. In deze procedure gaat het alleen om de omgevingsvergunning voor het kappen van een boom die met het bestreden besluit is verleend.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.De omgevingsvergunning is in werking getreden. De gemeente Rotterdam is vergunninghoudster. Het college heeft in zijn brief van 27 januari 2026 namens de gemeente toegezegd dat zal worden gewacht met het kappen van de boom tot zes weken na het besluit op bezwaar over de omgevingsvergunning voor kappen. Ter zitting is duidelijk geworden dat dit overeenkomt met wat verzoekers in hun verzoek om voorlopige voorziening vragen. Bovendien is in vergunningvoorschrift 5 bepaald dat er niet gestart mag worden met de uitvoering van de kap als er geen zekerheid is over de bouw. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de omgevingsvergunning het niet toestaat om de boom te kappen zolang de met het besluit van 6 november 2025 verleende omgevingsvergunning voor de tijdelijke opvanglocatie nog niet definitief is. Wat verzoekers willen, is dus niet alleen in een toezegging vastgelegd, maar ook in een bindend vergunningvoorschrift.De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekers hebben aangevoerd geen reden om aan te nemen dat het college en de gemeente hun toezegging niet zullen nakomen of dat de gemeente voorschrift 5 niet zal naleven.Gelet op het voorgaande kan ervan worden uitgegaan dat de boom in ieder geval niet zal worden gekapt tot zes weken na het besluit op bezwaar over de omgevingsvergunning voor kappen. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor kappen blijft gelden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Teuben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: