Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-280668-25
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging (TUL): 09-074654-23 en 10-150688-22
Datum uitspraak: 16 februari 2026
Datum zitting: 2 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode 1] [woonplaats] ,
verblijvende op het adres [verblijfadres] , [postcode 2] [verblijfplaats] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. G.L.P. Biesmans
Officier van justitie: mr. E.M. Blanken
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. W. Suttorp
Kern van het vonnis
De verdachte heeft op 10 september 2025 met geweld een tas met daarin een telefoon van het slachtoffer [slachtoffer] gestolen. Hij wordt daarom veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van een bijzondere voorwaarde. Daarnaast worden de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke veroordelingen (gedeeltelijk) toegewezen, met dien verstande dat een deel van de gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 10 september 2025 samen met een ander met geweld een tas, een geldbedrag van € 4.000,- en een telefoon van [slachtoffer] , heeft gestolen.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
primair
hij op 10 september 2025 te Rotterdam op of aan de openbare weg, te weten de Koepelstraat, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een tas, een geldbedrag van ongeveer € 4.000,00 en een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf
of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer] met kracht op/tegen een pingpongtafel te duwen en
- meermalen in het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te stompen en/of slaan;
subsidiair
hij op 10 september 2025 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door
- die [slachtoffer] met kracht op/tegen een pingpongtafel te duwen en
- meermalen in het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te stompen en/of slaan.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit. De verdachte moet partieel worden vrijgesproken van medeplegen.
Conclusie van de verdediging
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de bestanddelen medeplegen en (bedreiging met) geweld. Ten aanzien van de diefstal heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich op 10 september 2025 schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld van een tas en een telefoon van [slachtoffer] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2. De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer]
Plaats delict: Koepelstraat te Rotterdam
Pleegdatum: 10 september 2025
Ik zag die jongen op mij afrennen en hij begon hij mij te slaan. Bij de pingpongtafel pakte hij mijn Louis Vuitton-tasje. In dat tasje zat een telefoon. Ik hield het tasje op mijn rug en lag met mijn rug op de pingpongtafel. Ik ging in verzet en hij begon mij te slaan. Hij sloeg mij op beide wangen en neus. Ook op mijn slaap heeft hij geslagen. Toen liet ik vervolgens mijn tasje los. Ik zag dat de jongen wegrende. Ik heb 20 klappen gehad met beide vuisten.
2. Verklaring van de verdachte
Ik heb hem tegen de pingpongtafel geduwd. Ik heb hem een aantal keer geslagen, op zijn wangen en neus. Ik heb het tasje gepakt en ben ermee weggerend.
3. Verklaring van de getuige [getuige 1] Ik zag dat een jongen het slachtoffer op de pingpongtafel gooide en hem in zijn gezicht sloeg. Ik zag dat de jongen dit deed met zijn vuisten en ellebogen. Toen zag ik dat de jongen het tasje van het slachtoffer pakte en wegrende.
4. Verklaring van de getuige [getuige 2]Ik zag dat de jongen in het zwart richting de jongen in het grijs liep. Hij duwde hem op de pingpongtafel en begon op hem in te slaan. Ik zag dat de jongen in het zwart een tasje pakte en weg rende.
5. Verklaring van de getuige [getuige 3]Toen ik die jongen tegenkwam, heeft die jongen een tas op de grond gegooid. In de tas zat een telefoon.
6. Schriftelijk stuk
Vermelde gegevens:
Informatie ontvangen van de huisarts, betreffende consulten op 11-09 en 09-10. En een brief van de Keel Neus en Oorarts met consultdatum: 29-10-2025Objectieve bevindingen:
11-09: Gezwollen neusrug.09-10: Zichtbaar scheef neusseptum naar rechts.29-10: Afwijkende stand van het neusseptum, zowel in als uitwendig.Bijkomende gegevens:Keel, Neus en Oorarts overweegt een gecombineerde neusoperatie die zowel de binnen- als de buitenkant van de neus corrigeert.
Geschatte genezingsduur:Bij ongecompliceerd beloop minimaal 6 weken.
Bewijsmotivering
Niet ter discussie staat dat de verdachte op 10 september 2025 in Rotterdam de aangever op een pingpongtafel heeft geduwd en hem meermalen met vuisten in het gezicht heeft gestompt. Ook staat vast dat de verdachte toen de Louis Vuitton-tas van de aangever heeft weggenomen en hiermee is weggerend.
Het verweer van de verdediging dat de door de verdachte gepleegde geweldshandelingen tegen de aangever niet zijn gebezigd om de diefstal van een - Louis Vuitton - tas mogelijk te maken, stuit af op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte, te weten het duwen van de aangever op de pingpongtafel en het meermaals met vuisten in het gezicht stompen vergezeld van en gevolgd door het wegnemen van de tas. De rechtbank stelt dan ook vast dat het geweld is toegepast met het oogmerk de diefstal mogelijk te maken.
De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij ten aanzien van het primair ten laste gelegde voor zover dit ziet op diefstal van het geldbedrag van € 4.000,-. Niet is komen vast te staan dat de verdachte € 4.000,- heeft gestolen. Volgens de aangever bevond zich in zijn tas naast een telefoon ook een geldbedrag van € 4.000,-. Toen de getuige [getuige 3] de verdachte na de diefstal aantrof en de verdachte de tas vervolgens op de grond gooide, zag de getuige dat hierin alleen een telefoon en een oplader zat. Dat er in de tas eerder ook een geldbedrag van € 4.000,- heeft gezeten en dat dit door de verdachte is weggenomen, zoals door de aangever is verklaard, is door de verdediging weersproken. Uit het dossier is hiervan verder ook onvoldoende gebleken, waardoor niet vastgesteld kan worden dat de verdachte ook het geldbedrag van € 4.000,- heeft weggenomen.
De rechtbank zal de verdachte ook partieel vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit voor zover dit ziet op het bestanddeel medeplegen. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte op 10 september 2025 te Rotterdam op of aan de openbare weg, te weten de Koepelstraat, een tas en een telefoon, die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door
- die [slachtoffer] op een pingpongtafel te duwen en
- meermalen in het gezicht van die [slachtoffer] te stompen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 12 maanden gevorderd, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met oplegging van de bijzondere voorwaarden dagbesteding en een contactverbod met het slachtoffer.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de duur van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en de resterende straf voorwaardelijk op te leggen. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte hulp nodig heeft en dat een gevangenisstraf hem geen perspectief biedt.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld van een tas met daarin een telefoon. De verdachte heeft het slachtoffer op een pingpongtafel geduwd en hem meerdere malen met vuisten op zijn gezicht gestompt. De verdachte heeft het slachtoffer toen beroofd van zijn tas en telefoon. Het slachtoffer is achtergebleven met een opgezwollen gelaat en een bloedende neus, welke later scheef bleek te staan.
Dit is een ernstig strafbaar feit. De verdachte heeft ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, zijn persoonlijke levenssfeer en gevoel van veiligheid. Het moet voor het slachtoffer zeer beangstigend zijn geweest dat hij op straat opeens is overvallen en toegetakeld. De verdachte heeft onvoldoende oog gehad voor de gevolgen van dit feit voor het slachtoffer. Door dergelijke feiten worden de algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving ook vergroot.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 januari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 23 januari 2026 staat – voor zover hier relevant – het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een patroon van vermogens- en geweldsgerelateerde delicten. In eerdere strafzaken is bij de verdachte sprake geweest van gedragingen waarbij het verkrijgen van het direct financieel voordeel centraal stond, met beperkte aandacht voor de gevolgen voor slachtoffers en de samenleving. Risicoverhogende factoren zijn de houding van de verdachte ten aanzien van delictgedrag, waarbij geweld in combinatie met vermogensdelicten is voorgekomen, de aanwezigheid van delictgerelateerde contacten binnen het sociale netwerk en beperkte probleemoplossende vaardigheden. Daarnaast is bij de verdachte sprake van impulsief handelen en een beperkte stabiliteit in legaal inkomen, wat het risico op recidive vergroot. Beschermende factoren zijn dat de verdachte aangeeft te willen werken aan een stabieler en legaal toekomstperspectief en openstaat voor het opbouwen van dagbesteding. Tevens geeft hij aan open te staan voor begeleiding en behandeling. Deze factoren kunnen bijdragen aan het verminderen van het recidiverisico.
De reclasseringscontacten in eerdere toezichtperiodes verliepen wisselend. De verdachte kwam afspraken aanvankelijk na, maar zijn inzet en motivatie bleken onvoldoende bestendig, wat resulteerde in beperkte gedragsverandering. In de huidige fase toont de verdachte bereidheid tot samenwerking. Echter, (intensieve) begeleiding en toezicht zijn noodzakelijk om toe te zien op de naleving van afspraken, het behalen van gestelde doelen en het bestendigen van gedragsverandering. Zonder deze sturing bestaat het risico op terugval in oud gedrag. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Het risico op letsel en op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld.
Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en het zich inspannen voor het vinden en behouden van dagbesteding.
Op de dag van de zitting heeft de reclassering de officier van justitie bericht dat in een andere strafzaak aan de verdachte reeds een meldplicht en ambulante behandeling als bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, waarvan de proeftijd nog loopt, zodat oplegging van deze voorwaarden in onderhavige strafzaak niet noodzakelijk wordt geacht. Wel wordt oplegging van een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van dagbesteding als bijzondere voorwaarde geadviseerd.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het strafblad van de verdachte gaat de rechtbank uit van het oriëntatiepunt voor recidive, waarvoor een gevangenisstraf van acht maanden wordt voorgeschreven. Van deze gevangenisstraf worden – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de reclassering – twee maanden voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan dit voorwaardelijke deel als bijzondere voorwaarde een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van dagbesteding, zoals door de reclassering is geadviseerd. Deze bijzondere voorwaarde is – in aanvulling op de reeds bestaande voorwaarden – noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod met het slachtoffer op te leggen.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde]
heeft als benadeelde partij € 4.000,- als vergoeding voor materiële schade en € 3.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verzocht is om de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor materiële schade in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering voor immateriële schade, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze schade voldoende is onderbouwd. Zij heeft zich ten aanzien van de hoogte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering voor materiële schade onvoldoende is onderbouwd en dient te worden afgewezen. De verdediging heeft verzocht de vergoeding voor immateriële schade te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor materiële schade, omdat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van diefstal met geweld voor zover dit ziet op het geldbedrag van € 4.000,-.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen en de verdachte had het oogmerk om immaterieel nadeel toe te brengen aan de benadeelde partij.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Gelet op de partiële vrijspraak van het medeplegen, ontbreekt een grondslag voor hoofdelijke aansprakelijkheid, zodat dit niet zal worden opgelegd.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 10 september 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Vorderingen (parketnummers 09-074654-23 en 10-150688-22)
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting twee vorderingen ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straffen, te weten een taakstraf van 40 uren (parketnummer 09-074654-23) en een gevangenisstraf van 3 maanden (parketnummer 10-150688-22), omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat beide vorderingen moeten worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat beide vorderingen moeten worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Het nu bewezen feit is tijdens de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straffen gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
09-074654-23
De vordering wordt toegewezen en de rechtbank beslist tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de straf, te weten een taakstraf van 40 uren.
10-150688-22
De vordering wordt toegewezen, met dien verstande dat er termen aanwezig worden geacht om een deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer te leggen en dat deel om te zetten in een taakstraf. De rechtbank gelast daarom de tenuitvoerlegging van bij voornoemd parketnummer opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand en bepaalt dat deze gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van 120 uren.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beveelt dat 2 (twee) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, met een vaste structuur, zolang de reclassering dat nodig vindt;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 09-074654-23)
beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 40 (veertig) uur, zoals opgelegd in het vonnis van 9 april 2024 van de politierechter in de rechtbank Den Haag, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-150688-22)
gelast de tenuitvoerlegging van (een deel van) de bij vonnis van 24 januari 2025 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één (1) maand en bepaalt dat dit deel wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
wijst de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige af;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] te betalen een bedrag van € 1.500,-, bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 10 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat € 1.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 10 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en E.K.A. van den Bos, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Nagtegaal, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 februari 2026.
Mrs. B. Vaz en E.K.A. van den Bos zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.