RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Spijkenisse, eiseres
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de SVB
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3770
(gemachtigde: mr. A.L. Kuit),
en
(gemachtigde: mr. G.E. Eind).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1] te Geervliet, de ex-partner
(gemachtigde: mr. R.D.Z. Asmus).
Procesverloop
1. Met het besluit van 13 november 2024 (het primaire besluit) heeft de SVB bepaald dat eiseres vanaf het vierde kwartaal van 2024 de helft krijgt van de kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar dochter [naam 2] en dat zij daarvan niet de aanvrager is. Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 heeft de SVB het primaire besluit gehandhaafd.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en nadere stukken ingediend.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Ex-partner heeft op het beroepschrift gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, de gemachtigde van de SVB en de expartner.
Totstandkoming van het besluit
2. Op 6 september 2024 heeft eiseres de SVB verzocht om de aanvrager van de kinderbijslag te wijzigen. Op 23 september 2024 heeft eiseres een aanvraag voor kinderbijslag ingediend met als reden dat haar kind sinds 22 juli 2022 bij haar woont, dat sprake is van co-ouderschap sinds 13 oktober 2022 en dat de aanvrager van de kinderbijslag zonder toestemming is gewijzigd. Met het besluit van 26 september 2024 heeft de SVB bepaald dat eiseres geen kinderbijslag krijgt over het vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024. Na telefonisch contact heeft de SVB het primaire besluit genomen en daarin bepaald dat eiseres vanaf het vierde kwartaal van 2024 de helft van de kinderbijslag krijgt en haar ex-partner de rest en dat zij niet de aanvrager is.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de ingangsdatum van de betaling van de helft van de kinderbijslag aan eiseres en de weigering van de SVB om de aanvrager van de kinderbijslag te wijzigen.
4. De SVB heeft op de juiste gronden geweigerd om de aanvrager van de kinderbijslag aan te passen en terecht bepaald dat eiseres vanaf het vierde kwartaal van 2024 de helft van de kinderbijslag krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Belang bij aanpassing aanvrager kinderbijslag
5. In artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget is bepaald dat de ouder aan wie op grond van artikel 18 van de AKW kinderbijslag wordt betaald aanspraak heeft op kindgebonden budget. In het tiende lid is bepaald dat indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, alleen de ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, aanspraak heeft op een kindgebonden budget. Hieruit volgt dat het recht op kindgebonden budget is gekoppeld aan het recht op uitbetaling van de kinderbijslag. De aanvrager van de kinderbijslag wordt gezien als rechthebbende van het kindgebonden budget.
Beleid van de SVB
6. In de beleidsregel Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap (SB1096) (de beleidsregel) is bepaald dat, als in een overeenkomst of rechterlijke uitspraak geen verdeling van de kinderbijslag is overeengekomen, de SVB de kinderbijslag waarop één van beide ouders recht heeft in gelijke mate uitbetaalt aan beide ouders. De kinderbijslag waarop de andere ouder recht heeft, betaalt de SVB in dat geval niet uit. De co-ouder wiens recht op kinderbijslag gesplitst wordt uitbetaald, wordt de aanvrager genoemd. De andere co-ouder kan aan de SVB vragen om van aanvrager te wisselen. Hiervoor is toestemming van de huidige aanvrager nodig. Als deze geen toestemming geeft, wisselt de SVB alleen van aanvrager als zich één van de volgende uitzonderingssituaties voordoet:
- Uit een schriftelijke overeenkomst van de co-ouders, een beslissing van de familierechter of de berekening van de kinderalimentatie blijkt dat het de bedoeling is dat de andere co-ouder het kindgebonden budget ontvangt.
- De andere co-ouder heeft aannemelijk gemaakt een financieel voordeel te hebben bij de wisseling van aanvrager, terwijl nergens uit blijkt dat de huidige aanvrager belang heeft bij het zijn van aanvrager. Het financieel voordeel betreft het ontvangen van kindgebonden budget of het extra bedrag aan kinderbijslag voor thuiswonende kinderen die zijn aangewezen op intensieve zorg.
De aanvrager van de kinderbijslag
7. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij vanaf de geboorte van [naam 2] altijd de aanvrager is geweest van de kinderbijslag en dat de SVB op enig moment ten onrechte heeft aangenomen dat zij geen aanvrager meer was. Het besluit waarin de ex-partner is aangemerkt als aanvrager staat in rechte vast en valt buiten de omvang van het geding. Daarom zal eiseres om aanvrager te worden moeten voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden. Om van aanvrager te wisselen is toestemming nodig van de huidige aanvrager, in dit geval de ex-partner. De ex-partner heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat als zij de aanvrager wordt, zij bereid is om de helft van wat zij ontvangt af te dragen aan haar ex-partner. De rechtbank stelt vast dat het aanbod van eiseres om de kinderbijslag en kindgebonden budget te delen los staat van de beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank weegt dit voorstel dus niet mee in deze uitspraak.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij voldoet aan één van de uitzonderingssituaties, omdat zij aannemelijk heeft gemaakt een financieel belang te hebben bij het zijn van de aanvrager. Het enkele feit dat eiseres een financieel belang heeft is onvoldoende om aan die uitzonderingssituatie te voldoen. In dat geval mag namelijk nergens uit blijken dat de huidige aanvrager belang heeft bij het zijn van de aanvrager. Eiseres heeft tot aan de zitting niet gesteld en ook overigens niet onderbouwd dat daarvan sprake is. De SVB heeft daarom op de juiste gronden bepaald dat eiseres geen aanvrager is van de kinderbijslag. Overigens heeft de gemachtigde van de SVB tijdens de zitting verklaard dat de SVB, op basis van de door de ex-partner ter beschikking gestelde gegevens, heeft vastgesteld dat hij belang heeft om aanvrager te blijven.
De ingangsdatum
8. De beroepsgrond van eiseres dat zij al vanaf 1 januari 2023 de helft van de kinderbijslag dient te ontvangen, slaagt niet. Over de periode tot en met het eerste kwartaal van 2024 is eerder beslist. Die besluiten staan in rechte vast. Verder heeft de SVB op grond van de beschikking van de rechter van 3 september 2024 vastgesteld dat sprake is van co-ouderschap. In die beschikking is geen verdeling van de kinderbijslag overeengekomen. Gelet op de beleidsregel heeft de SVB de ingangsdatum van de betaling van de helft van de kinderbijslag dan ook terecht vastgesteld op het vierde kwartaal van 2024.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.