Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-154167-25
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Datum zitting: 25 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte: [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.]
verblijvende op het adres: [verblijfadres] , [postcode] [verblijfplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. L.A. Sjadijeva
Officier van justitie: mr. H.H. Balk
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers
Kern van het vonnis
Na een vechtpartij bij een uitgaansgelegenheid is de verdachte naar de woning van het slachtoffer gereden en heeft hem met een mes in de buik gestoken. Veroordeling poging tot moord met oplegging van een gevangenisstraf van negen jaar. Vordering benadeelde partij wordt vrijwel volledig toegewezen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – samen met een ander, al dan niet met voorbedachte raad, geprobeerd heeft [slachtoffer] om het leven te brengen door met een mes in zijn maagstreek/romp te steken. De subsidiaire beschuldiging ziet op het in vereniging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met voorbedachte raad en de meer subsidiaire beschuldiging op een poging daarop.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
primair
hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken in de maagstreek/romp, althans in het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Vlaardingen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en
met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten steekwonden in de maagstreek/romp en/of een doorboorde galblaas en/of darmen en/of lever heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/ of puntig voorwerp, te steken in de maagstreek/romp, althans in het lichaam van die [slachtoffer] ;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/ of puntig voorwerp, heeft gestoken in de maagstreek/romp, althans in het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de primair ten laste gelegde poging tot moord. Wel dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken van het medeplegen daarvan.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Partiële vrijspraak
Met de officier van justitie en verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte kan worden vrijgesproken van het medeplegen van het primaire feit. Nu de officier van justitie en de verdediging tot dezelfde conclusie zijn gekomen, zal de rechtbank dit niet verder motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 18 mei 2025 te Vlaardingen geprobeerd heeft om [slachtoffer] te vermoorden door met een mes in diens buik te steken. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Bewijsmotivering
Op grond van het dossier en het verhandelde op zitting kan worden vastgesteld dat de verdachte, zijn halfbroer (hierna: de medeverdachte) en [slachtoffer] in de nacht van 18 mei 2025 aanwezig waren bij horecagelegenheid ‘ [naam horecagelegenheid] ’ in Vlaardingen. Rond 02:51 uur ontstaat een worsteling tussen de verdachte en [slachtoffer] . Om 02:52 uur worden de partijen door handhavers uit elkaar gehaald. Verbalisanten zijn na deze vechtpartij rond 03:24 uur gebeld door de beveiliger van [naam horecagelegenheid] omdat een persoon, die betrokken was bij de vechtpartij, rond het café bleef hangen. Ter plaatse gekomen hebben zij de verdachte aangesproken en om zijn identiteitsbewijs gevraagd. [slachtoffer] is na de vechtpartij naar huis gegaan. Later die avond, omstreeks 03:54 uur, wordt bij de woning van [slachtoffer] door de verdachte aangebeld. Na het aanbellen gaan de verdachte en medeverdachte met hun rug richting de muur van de woning staan. Direct nadat [slachtoffer] de deur opent, escaleert de situatie. Uiteindelijk rent de verdachte met de medeverdachte weg en blijft [slachtoffer] achter met een steekwond in zijn buik.
Betrokkenheid verdachte
De eerste vraag is of kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die met een mes in de buik van [slachtoffer] heeft gestoken.
Op de camerabeelden van het incident is te zien dat de verdachte, voordat hij bij [slachtoffer] aanbelt, in zijn rechterhand een puntig voorwerp vastheeft. Op het moment dat [slachtoffer] zijn deur opendoet, raken [slachtoffer] en de verdachte met elkaar in gevecht en wordt er door de verdachte uitgehaald richting [slachtoffer] . Naast de verdachte komt verder niemand, ook niet de medeverdachte, in de buurt van [slachtoffer] . Op het moment dat [slachtoffer] zich omdraait, waardoor de voorkant van zijn lichaam te zien is, is op de camerabeelden een duidelijke bloedvlek op de buikzijde van zijn witte trui waar te nemen, die niet eerder waar te nemen was. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte tijdens dit gevecht [slachtoffer] heeft gestoken. Vlak na de steekpartij wordt een mes met een zwart lemmet en een rood/oranje handvat in de bosjes aangetroffen nabij de locatie waar de verdachte wordt aangehouden. Op dit mes wordt op onder meer het handvat het DNA van de verdachte aangetroffen en op het gekartelde deel van het snijvlak het DNA van [slachtoffer] . Gelet hierop kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] is gestoken met dit mes.
De rechtbank verwerpt met het bovenstaande het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een mes voorhanden heeft gehad en dat niet is gebleken dat de verdachte [slachtoffer] heeft gestoken. Hoewel het toebrengen van de steekwond zelf niet goed op de camerabeelden is waar te nemen, stelt de rechtbank vast dat het de verdachte is geweest die de steekwond bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt.
Poging tot moord
De tweede vraag is hoe deze gedragingen van de verdachte juridisch dienen te worden gekwalificeerd.
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Op grond van de wettige bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte na de vechtpartij bij [naam horecagelegenheid] om 03:53 uur met zijn bestelbus bij de woning aankomt, waarna het steken heeft plaatsgevonden. Het besluit om [slachtoffer] te gaan steken is naar het zich laat aanzien genomen kort na de vechtpartij bij [naam horecagelegenheid] . Uit het tijdsverloop tussen de worsteling bij [naam horecagelegenheid] en het steken van [slachtoffer] , blijkt dat de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad zich te beraden. Tussen de vechtpartij en het steken zit namelijk meer dan een uur. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet alleen tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op dit handelen, maar gaat er op basis van de hierbij gebleken feiten en omstandigheden vanuit dat hij zich ook daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn voorgenomen daad.
Dat sprake was van een voorgenomen daad volgt namelijk ook uit de dreigende uitlatingen over [slachtoffer] die de verdachte eerder die avond heeft gedaan. Getuige [getuige 1] heeft namelijk verklaard dat de verdachte omstreeks 03:00 uur aan hem heeft gevraagd waar [slachtoffer] is, dat zijn laatste dagen zijn geteld, dat de verdachte hem gaat vinden en dat [slachtoffer] de fout van zijn leven heeft gemaakt. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat de verdachte hierbij een mes in zijn handen had. De door de getuige direct die avond gegeven beschrijving van het mes komt overeen met het mes dat later op de avond in de bosjes is aangetroffen.
Dat de verdachte vastberaden is geweest, lijkt ook uit de beelden te volgen. Zodra de verdachte zijn bestelbus uitstapt, loopt hij met een ferme pas in de richting van de woning, doet hierbij zijn capuchon op, belt aan en gaat daarna met zijn rug tegen de muur van de woning staan. Daarbij staat hij met zijn handen, waarin hij het mes vastheeft, voor zijn lichaam. Het is dus niet zo dat hij het mes ‘voor de zekerheid’ bij zich draagt in bijvoorbeeld zijn jaszak. Bovendien zijn er meerdere momenten geweest waarop hij zich had kunnen bezinnen. Zo is de verdachte na de worsteling bij [naam horecagelegenheid] aangesproken door de politie. Daarnaast heeft de verdachte verschillende gemiste en ontvangen telefonische oproepen van de medeverdachte ontvangen. De rechtbank kan niet vaststellen wat door de verdachte en de medeverdachte (telefonisch) besproken is. Wel lijkt uit de camerabeelden te volgen dat de medeverdachte op het moment dat de verdachte naar de woning van [slachtoffer] loopt achter de verdachte aanrent en hem probeert tegen te houden. Er was toen nog steeds een mogelijkheid om zich te beraden, maar de verdachte is willens en wetens doorgegaan.
Gelet op het voorgaande is, anders dan door de verdediging is aangevoerd, niet aannemelijk geworden dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Gelet op het feit dat het steken binnen tien seconden na het aanbellen heeft plaatsgevonden en de plek van de aangetroffen steekverwonding zich in de buikholte bevindt, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de opzet had om hem van het leven te beroven. Het steken is naar de uiterlijke verschijningsvormen namelijk zo zeer gericht op - en geschikt tot - het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Dat het letsel ook potentieel dodelijk was, blijkt uit de letselrapportage.
Alles overwegende, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 primair:
hij op 18 mei 2025 te Vlaardingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal, met een mes, heeft gestoken in de maagstreek/romp van die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair
poging tot moord.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straf te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord. Na een vechtpartij bij een uitgaansgelegenheid is de verdachte naar de woning van het slachtoffer gereden en heeft hem met een mes in de buik gestoken. Dit is enorm kwalijk, omdat het slachtoffer zich juist thuis veilig hoort te voelen. Het slachtoffer is onder andere in zijn galblaas geraakt waardoor deze operatief moest worden verwijderd. Ook waren er interne bloedingen bij zijn alvleesklier en lever. Dat hij niet aan zijn verwondingen is overleden, is te danken aan kundig medisch optreden. Het had echter ook heel anders kunnen aflopen. Vandaag de dag ondervindt het slachtoffer nog steeds de gevolgen van het steekincident. Zijn raadsman heeft op de zitting naar voren gebracht dat het slachtoffer moet leren leven met grote littekens die pijn doen en hem dagelijks herinneren aan het incident.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 28 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 10 november 2025 staat het volgende. Door de proceshouding van de verdachte kan de reclassering geen verbanden leggen tussen de verdenking en diverse leefgebieden. Bij een bewezenverklaring is zijn handelen een bewuste keuze geweest, waarbij eergevoelens mogelijk een rol hebben gespeeld. De reclassering kan geen gedegen risico inschatting maken door het slechts beperkte en sterk verouderde justitiële verleden van de verdachte en door de ontkennende proceshouding. De reclassering ziet geen noodzaak voor het inzetten van interventies.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op zitting aangegeven dat hij zijn leven voor het incident op orde had. Zijn vrouw woont nog in Turkije en hij was bezig met het regelen van een vergunning voor haar om naar Nederland te kunnen komen.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van negen jaar passend en geboden.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor het feit een bedrag van € 6.313,86 als vergoeding voor materiële schade, € 30.000,- als vergoeding voor immateriële schade en
€ 2.000,- nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 36.313,86, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering ten aanzien van de nader te onderbouwen schade. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet primair worden afgewezen, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair moet de vordering worden gematigd. De immateriële schadepost ligt hoger dan de aangehaalde uitspraken en daarbij ging het in sommige gevallen om meer letsel.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt grotendeels toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op het eigen risico van 2026 wordt niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat deze schade al is geleden. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Voor het overige is de materiële schade voldoende onderbouwd en onvoldoende weersproken. Dit betekent dat de verdachte € 5.928,86 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Nader te onderbouwen schade
De rechtbank stelt vast dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en daarom niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. Zijn galblaas is verwijderd en hij heeft schade aan zijn darm, lever en alvleesklier opgelopen. Hij heeft een blijvend groot litteken over het midden van zijn buik van zijn middenrif tot zijn blaas met littekengevoeligheid. Ook is het slachtoffer op andere wijze in zijn persoon aangetast. Bij het slachtoffer is sprake van psychische gevolgen. Er is een trauma- of stressorgerelateerde stoornis bij hem vastgesteld. Hiervoor is hij in behandeling bij een psychiater.
Deze schade wordt naar billijkheid begroot op € 30.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit). Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 30.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
Doordat de medeverdachte wordt vrijgesproken, legt de rechtbank geen hoofdelijke veroordeling op.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 18 mei 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 177 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van negen (9) jaar;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] , te betalen een bedrag van
€ 35.928,86, bestaande uit € 5.928,86 als vergoeding van materiële schade en
€ 30.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 18 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat € 35.928,86 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 18 mei 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 177 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 maart 2026.
Bijlage 1 – Bewijsmiddelen
1. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
Ik was op 18 mei 2025 bij horecagelegenheid ‘ [naam horecagelegenheid] ’ in Vlaardingen. Daar kwam ik [voornaam verdachte] en zijn broertje tegen. [voornaam verdachte] pakte mij bij mijn keel en hierop heb klappen gegeven. Ik ben direct naar huis gegaan. (...) Ik hoorde dat de bel ging. Ik deed de deur open en keek [voornaam verdachte] in zijn ogen aan. Ik zag dat hij boos was. Ik zag dat [voornaam verdachte] direct in de aanval ging. Ik merkte dat [voornaam verdachte] mij direct naar mijn nek greep. Ik zag dat hij mij wilde slaan. Ik heb niet direct gemerkt dat ik werd gestoken. Ik heb [voornaam verdachte] teruggeslagen waardoor hij viel. Hierna is hij niet meer bij mij in de buurt geweest. Ik zag dat ik onder het bloed zat. Mijn gehele trui zat onder het bloed. Ik deed mijn trui omhoog en zag dat ik gewond was op mijn buik. Dit was net onder mijn ribbenkast. (...) In het ziekenhuis ben ik geopereerd. Ik bleek gestoken te zijn in mijn galblaas, darm en lever. Mijn galblaas en een gedeelte van mijn darm zijn verwijderd. Mijn lever is beschadigd.
2. Proces-verbaal van de politie, camerabeelden Café [naam horecagelegenheid]S001: kale man met witte bovenkleding
NN01: getinte man met donkere kleding en witte schoenen
Ik zag, op de camerabeelden van Café [naam horecagelegenheid] te Vlaardingen op 18 mei 2025 omstreeks atoomtijd 02:51:57, dat de houding van S001 verandert. Er ontstaat een worsteling tussen S001 en NN01. (..) Ik zag dat omstreeks atoomtijd 02:52:04 een ander tussenbeide komt. Kort daarop nemen de daar aanwezige handhavers het over.
3. Proces-verbaal van de politieOp 18 mei 2025 zag ik een persoon die ik ken als beveiliger: [getuige 2] . [getuige 2] verklaarde dat de steekpartij te maken had met een vechtpartij waarvoor wij eerder die avond waren gebeld. Ik keek in mijn diensttelefoon en zag dat wij om 03:24 uur waren gebeld door [getuige 2] . [getuige 2] verklaarde dat een persoon, die betrokken was bij de vechtpartij, rond het café bleef hangen. Wij zijn er toen direct naartoe gereden. [getuige 2] wees de persoon aan en wij spraken de man aan. Wij hoorden deze man zeggen dat er niks aan de hand was en toevallig net naar huis wilde gaan. Ik heb aan deze man een legitimatiebewijs gevraagd, hier kwam naar voren dat deze man genaamd is: [verdachte] .
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [getuige 1]Op 18 mei 2025 om 04:55 uur verhoorde ik, verbalisant getuige [getuige 1] . (...) Op 18 mei 2025 was ik in [naam horecagelegenheid] in Vlaardingen. Ik zag omstreeks 03:00 uur [slachtoffer] met [voornaam verdachte] en diens broertje praten. (...) Ik zag dat [voornaam verdachte] niet meer voor rede vatbaar was. Hij keek wild uit zijn ogen. Ik zag dat hij ruzie had met zijn broertje en hoorde hem zeggen ‘Maak je niet druk. Je gaat nu zien wie je broer is’. (..) Ik zag dat [voornaam verdachte] alleen terug kwam gelopen naar [naam horecagelegenheid] en zoekend rondkeek. Ik hoorde dat hij aan mij vroeg waar [voornaam slachtoffer] was. Ik antwoordde dat ik dit niet wist. Hierop antwoordde [voornaam verdachte] dat zijn dagen zijn geteld en dat hij hem gaat vinden. [voornaam verdachte] zei dat hij de fout van zijn leven heeft gemaakt. Ik zag dat [voornaam verdachte] in zijn rechterhand een klapmes had. Het lemmet was ongeveer 10 centimeter lang en donker gekleurd. Het heft was rood dan wel oranje.
5. Proces-verbaal van de politieUit onderzoek volgt dat verdachte [verdachte] alleen contact heeft gehad met [persoon A] . Deze telefoon bleek aan de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] te zijn gekoppeld.
6. Proces-verbaal van de politie, camerabeelden Jan de Rooijstraat VlaardingenNN01: man, baard, witte bovenkleding
NN06: man, donker gekleed, witte schoenen.
Ik zag, op de camerabeelden van de Jan de Rooijstraat 12 te Vlaardingen, op 18 mei
2025, omstreeks atoomtijd 03:53:42, een witte bestelbus aan komt rijden en stopt. Hierachter volgt een auto. NN06 loopt samen met NN07 richting het pand waar NN01 naar binnen was gegaan. Omstreeks 03:54:22 zie ik dat NN06 en NN07 tegen de muur gaan staan. Omstreeks 03:54:26 doet NN01 de deur open en wendt zich tot NN06. Daaropvolgend zag ik, omstreeks atoomtijd 03:54:27, dat de situatie escaleert. NN01 haalt uit naar NN06. Er ontstaat een conflict. NN01 is met NN06 in gevecht. (..) Omstreeks atoomtijd 03:55:07 keert NN01 terug. Hij heeft een buikwond. Vervolgens zag ik, omstreeks atoomtijd 03:56:52, dat NN01 naar buiten komt met een bebloede trui.
7. Proces-verbaal van de politie, camerabeelden Jan de Rooijstraat VlaardingenIk, zag op de beelden van de deurbel op 18 mei 2025 om 03:54:42 uur een persoon voor de deur. Ik zag dat de persoon met zijn rug richting de woning stond. Ik zag dat de persoon bewegingen maakte met zijn rechterhand en een puntig voorwerp in zijn rechterhand had. Ik zag dat de persoon een capuchon droeg. (...) Omstreeks 03:57:07 uur zag ik, de mij bekende, [slachtoffer] voor de deur staan. Ik zag dat hij een lichte trui droeg met een rode, vermoedelijk bloed-, vlek.
8. Proces-verbaal van de politieEr was een mes aangetroffen in de bosschages van de Professor Rutgerstraat in Vlaardingen. Alhier werden ook twee verdachten in deze zaak aangehouden. Door ons werd een mes voorzien van een rood/oranjekleurig handvat en een zwart lemmet aangetroffen. Wij zagen dat er weefsel aan het gekartelde deel van het snijvlak zat. Mogelijk is dit humaan weefsel van het slachtoffer. Het mes werd door ons bemonsterd (AASM1565NL en AASM1564NL).
9. DeskundigenverslagOnderzoeksmateriaal:
Biologisch sporenonderzoek:
AASM1564NL betreft een plooimes. Het handvat met uitzondering van de gleuf (#01), de overgang van handvat naar lemmet (#02) en het lemmet (#03) zijn bemonsterd.
Interpretatie DNA-resultaten:
Berekening van de bewijskracht:
Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van verdachte [verdachte] WAMZ8035NL in de bemonstering AASM1565NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en één onbekende persoon.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van twee onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
10. DeskundigenverslagBetreffende: [slachtoffer]
Bij onderzoek was er een steekwond rechts in de buik, op een scan was inwendig letsel te zien aan de galblaas, ook was er bloed rondom lever en milt te zien. Patiënt werd met spoed geopereerd, bij de operatie werd de galblaas verwijderd en werden bloedingen gestelpt. Er was oppervlakkig letsel aan de alvleesklier wat gehecht werd. Steekverwondingen in de buik kunnen potentieel dodelijk zijn.