Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-234502-25
Parketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-308275-23 en 10-117399-25
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Datum zitting: 25 februari 2026
Tegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte
Verdachte: [verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 op [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. R.F. Van Leeuwen
Officier van justitie: mr. M. Vollebregt
Benadeelde partijen: [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
Kern van het vonnis
Verdachte wordt veroordeeld voor het beschadigen van drie auto’s en een scooter. De vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De vorderingen tenuitvoerlegging worden afgewezen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in de periode van 5 tot en met 6 september 2025 in Rotterdam drie auto’s en een scooter heeft beschadigd.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij in of omstreeks de periode van 5 september 2025 tot en met 6 september 2025 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk
- een auto (Audi, type A6, kenteken [kentekennummer 1] ) en/of
- een auto (Volkswagen AW, kenteken [kentekennummer 2] ) en/of
- een auto (Volkswagen Jeta, [kentekennummer 3] ) en/of
- een scooter (Kymco, type Agility, kenteken [kentekennummer 4] )
in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele toebehoort aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , althans aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar heeft gemaakt en/of weggemaakt.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte in de periode van 5 tot en met 6 september 2025 drie auto’s en een scooter heeft beschadigd. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2]
2. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1]
3. Proces-verbaal van bevindingen
4. Proces-verbaal van bevindingen
5. Proces-verbaal van bevindingen
6. Proces-verbaal van verhoor verdachte
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Hij in de periode van 5 september 2025 tot en met 6 september 2025 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk
- een auto (Audi, type A6, kenteken [kentekennummer 1] ) en
- een auto (Volkswagen AW, kenteken [kentekennummer 2] ) en
- een auto (Volkswagen Jeta, [kentekennummer 3] ) en
- een scooter (Kymco, type Agility, kenteken [kentekennummer 4] )
die geheel of ten dele toebehoort aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , althans aan een ander toebehoorde(n), heeft beschadigd.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 175 dagen, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar. Hierbij moeten de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals voorgesteld door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Ook is verzocht om een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen, zodat de verdachte aan de slag kan met de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zonder enige aanleiding en onder invloed van alcohol verschillende auto’s en een scooter beschadigd. Zulke vermogensdelicten bezorgen benadeelden naast schade ook veel hinder. De verdachte geeft met dit handelen blijk van een volledig gebrek aan respect voor andermans eigendommen. Bovendien veroorzaken dit soort misdrijven gevoelens van onveiligheid en verontwaardiging bij de benadeelden en de maatschappij in het algemeen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 januari 2026 blijkt dat de verdachte geregeld is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapport van de psychiater
In het rapport van psychiater [persoon A] van 29 december 2025 staat het volgende. De psychiater komt tot de conclusie dat er bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis, een licht verstandelijke beperking en een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol. De combinatie van stoornissen, inclusief het gebruik van alcohol, heeft het denken, voelen en handelen van de verdachte, ten tijde van de hem tenlastegelegde feiten, indien bewezen, beïnvloed. De psychiater adviseert daarom de feiten verminderd toe te rekenen.
Op basis van het rapport van psychiater [persoon A] , stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis en een verstandelijke handicap bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Rapport van de reclassering
In het rapport van de reclassering van 8 januari 2026 staat het volgende. De verdachte disfunctioneert al jaren op meerdere leefgebieden. Hij heeft geen beschermende factoren. De reclassering schat het risico op herhaling van agressief gedrag, wanneer de verdachte toch terugvalt in alcoholgebruik, in als zijnde hoog op zowel de korte als de lange termijn, wanneer er geen interventies worden ingezet als de verdachte uit detentie komt. De reclassering is van mening dat zorg direct aansluitend dient te worden ingezet vanuit een stabiele setting zoals de penitentiaire inrichting. Zij adviseren daarom als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling met kortdurende opname, ambulante begeleiding, dagbesteding en beheersing van het middelengebruik.
Oplegging straf
Gelet op het strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van 175 dagen opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 43 dagen voorwaardelijk opgelegd. Dit voorwaardelijke deel heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling met (mogelijk) kortdurende opname, ambulante begeleiding, dagbesteding en beheersing middelengebruik.
5. Vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering [benadeelde 1]
heeft als benadeelde partij € 1.506,45 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering [benadeelde 2]
heeft als benadeelde partij € 1.988,64 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen tot het door ieder van hen gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vorderingen van de benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard omdat er geen bewijs is dat de gestelde schade daadwerkelijk is geleden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat zowel de benadeelde partij [benadeelde 1] als de benadeelde partij [benadeelde 2] rechtstreeks materiële schade hebben geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vorderingen worden daarom toegewezen, omdat deze voldoende zijn onderbouwd en de verdediging de vorderingen met onvoldoende argumenten heeft weersproken.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 6 september 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van de benadeelde partijen worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag voor zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partijen.
Als dwangmiddel voor de vordering van [benadeelde 1] kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Als dwangmiddel voor de vordering van [benadeelde 2] kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 19 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting twee vorderingen ingediend tot tenuitvoerlegging van aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Voor parketnummer 10-308275-23 gaat dit nog om een gevangenisstraf van één week en voor parketnummer 10-117399-25 gaat dit om een gevangenisstraf van zes weken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden toegewezen, met dien verstande dat de gevangenisstraffen worden omgezet in taakstraffen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vorderingen af te wijzen, dan wel om de gevangenisstraffen om te zetten in een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Het bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat de rechtbank het op dit moment niet doelmatig acht dat de verdachte de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen gaat uitzitten. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte eerst behandeld wordt voor de gedrags- en verslavingsproblematiek en aan de slag gaat met de overige aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden. Dit alles zal al veel van de verdachte vragen, zodat ook het omzetten van de gevangenisstraffen in taakstraffen niet opportuun wordt geacht. De vorderingen worden dus afgewezen.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van honderdvijfenzeventig (175) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat drieënveertig (43) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op drie (3) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie (3) dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Fivoor reclassering op het adres [adres 2] in [plaats] ;
2. de verdachte zich laat behandelen door Boba of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing (o.a. n.a.v. autismespectrumstoornis, licht verstandelijke beperking en ernstige stoornis in het gebruik van alcohol). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie en/of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven (7) weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. de verdachte zal zich laten begeleiden door Fidem zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering zolang de reclassering nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener voor de begeleiding geeft;
4. de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant, in samenwerking met Fidem zorg, voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk, en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur, zolang de reclassering dat nodig vindt;
5. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om het gebruik te leren beheersen van alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
6. de verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, Stichting Ixzelf in Tilburg of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-308275-23)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 23 januari 2025 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-117399-25)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 30 juni 2025 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 1.506,45 en de wettelijke rente hierover vanaf 6 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 1.506,45 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 6 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 1.988,64 en de wettelijke rente hierover vanaf 6 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat € 1.988,64 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 6 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 19 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
en mrs. J.A. Terstegge en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 maart 2026.
Mr. J.A. Terstegge is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.