Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-309760-25
Parketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-054357-21; 10-221949-20; 10-311822-20; 10-227061-25
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Datum zitting: 25 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte: [verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. T.S. Kessel
Officier van justitie: mr. H.H. Balk
Kern van het vonnis
Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en een kogelpatroon met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Gedeeltelijke toewijzing van één vordering tenuitvoerlegging en afwijzing van de overige drie vorderingen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - op 17 november 2025 een revolver met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
hij op of omstreeks 17 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 en/of (voor voornoemd wapen bestemde) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 1 kogelpatroon, kaliber .22 voorhanden heeft gehad.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 17 november 2025 in Rotterdam een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Op 17 november 2025 was ik bij de Westblaak in Rotterdam. Daar heeft de politie in mijn jaszak een vuurwapen aangetroffen.
2. Proces-verbaal van de politieOp 17 november 2025 fouilleerde ik in Rotterdam [verdachte] . Ik voelde in zijn jaszak een hard voorwerp. Ik zag dat dit een tas was en dat daarin een vuurwapen zat. Ik herkende het vuurwapen als zijnde revolver. (...) Ik hoorde dat [verdachte] zei dat het vuurwapen nep was.
3. Proces-verbaal van de politieIk kreeg de mededeling dat een schoonmaker in een cel een patroon had aangetroffen. Ik hoorde dat deze cel werd schoongemaakt nadat verdachte [verdachte] uit de cel was gehaald. Volgens de arrestantenafdeling verbleef [verdachte] al drie dagen in deze cel. De patroon werd aan mij overhandigd. Het patroon is een klein-kaliber munitietype .22 LR. Deze munitie kan worden gebruikt in een gas/alarmrevolver, als aangetroffen bij [verdachte] .
4. Proces-verbaal van de politieKennisgeving van inbeslagneming.
Beslagene: [verdachte]
Goednummer: [beslagnummer 1]
Object: Vuurwapen
5. Proces-verbaal van de politieOp maandag 17 november 2025 te 10:54 uur is een goed in beslag genomen. Na onderzoek is naar voren gekomen:Goednummer: [beslagnummer 1]Object: Vuurwapen (Revolver)Merk/type: BBM Olympic 38Kaliber:.22 lr
Het inbeslaggenomen voorwerp is een revolver geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie.
Derhalve is deze revolver een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.
6. Proces-verbaal van de politieKennisgeving van inbeslagneming
Beslagene: [verdachte]
Goednummer: [beslagnummer 2]
Object: Munitie (kogelpatroon)
7. Proces-verbaal van de politieBij [verdachte] zijn goederen in beslag genomen. Na onderzoek is naar voren gekomen:
Goednummer: [beslagnummer 2]Object: Munitie (Kogelpatroon)Merk/type:.22
Het betreft een kogelpatroon van het kaliber .22 LR. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de WWM. Deze munitie is geschikt om te worden afgevuurd met een vuurwapen van het kaliber .22LR.
Bewijsmotivering
Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte op 17 november 2025 in Rotterdam de wetenschap van en feitelijke beschikking over een vuurwapen heeft gehad. Dit vuurwapen zat in een tas in zijn jaszak. De verdachte ontkent dit ook niet. De verdediging stelt echter dat deze feitelijke beschikking niet maakt dat aan alle vereisten voor het voorhanden hebben van een vuurwapen is voldaan. Volgens de verdediging is niet aan het betrekkingsvereiste voldaan omdat de verdachte zich niet bewust is geweest van het feit dat hij een vuurwapen in zijn jaszak had. Hij heeft een tas ter bewaring van een ander gekregen en niet doorgehad dat in de tas een vuurwapen zat. De verdachte was op dat moment ziek en daarom niet helder van geest. Dit blijkt ook uit zijn eerste verhoor, waarbij de verdachte bijna onaanspreekbaar was.
De rechtbank verwerpt dit verweer en acht de eerst op zitting afgelegde verklaring ongeloofwaardig. Als de politie het vuurwapen bij de verdachte aantreft verklaart de verdachte dat het vuurwapen nep is. Uit deze reactie blijkt dat de verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van een vuurwapen in de tas die hij bij zich droeg. Hij verklaart immers direct iets over de staat van het vuurwapen. Ook zegt hij tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris een aantal dagen na zijn aanhouding dat het dom is dat hij het vuurwapen bij zich droeg en dat hij niet weet hoe lang hij het wapen al had. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte zich wel bewust is geweest van het voorhanden hebben van het vuurwapen.
Ten aanzien van de aangetroffen kogelpatroon voert de verdediging aan dat de verdachte twee keer is gefouilleerd en dat de kogelpatroon toen niet bij de verdachte is aangetroffen. Meerdere gedetineerden kunnen gedurende die drie dagen in deze cel hebben gezeten.
Ook dit verweer wordt door de rechtbank verworpen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte drie dagen in deze cel heeft gezeten en niet wordt vermeld dat andere gedetineerden in die drie dagen gebruik hebben gemaakt van deze specifieke cel. Bovendien past de aangetroffen kogelpatroon bij het vuurwapen dat de verdachte bij zich droeg. Dat de kogelpatroon niet al is aangetroffen bij de fouillering, doet daar niet aan af.
De rechtbank oordeelt dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zowel het vuurwapen als de bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 17 november 2025 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 en voor voornoemd wapen bestemde munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 1 kogelpatroon, kaliber .22 voorhanden heeft gehad.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert de volgende strafbare feiten op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt, indien de verdachte niet wordt vrijgesproken, om een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest zodat de verdachte direct in vrijheid kan worden gesteld. De verdachte was voor zijn aanhouding goed op weg om zijn leven te beteren. Hij had zijn legitimatie weer verkregen, een voorschot op een uitkering ontvangen en een vaste slaapplek geregeld. Deze positieve lijn wordt doorkruist door de mogelijke strafoplegging in deze zaak.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit. Hij heeft in een openbaar gebouw een vuurwapen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens leidt tot het gebruik van die vuurwapens en vormt daardoor een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Vuurwapenbezit brengt daarnaast ernstige gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld. De verdachte heeft onder andere tweemaal de ISD-maatregel opgelegd gekregen en is in 2013 voor soortgelijke strafbare feiten veroordeeld. Ook is hij op 11 november 2025, zes dagen voor zijn aanhouding in deze zaak, veroordeeld tot een forse grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden voor meerdere winkeldiefstallen.
Rapport van de Reclassering
In het rapport van Stichting Verslavingsreclassering GGZ van 22 januari 2026 staat het volgende. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Er is tot op heden een patroon van vermogensdelicten. Er is sprake van instabiliteit en er zijn risicoverhogende factoren op vrijwel alle leefgebieden. De verdachte heeft geen vaste huisvesting en dagbesteding. Ook heeft hij al langdurig een ernstige verslaving aan cocaïne. Daarnaast bevindt de verdachte zich in een pro-crimineel sociaal netwerk en heeft hij een pro-criminele houding. Eerder toezicht van de reclassering is niet positief afgerond. De verdachte is meermaals gediagnosticeerd met een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis, hoewel recente diagnostiek ontbreekt. Concluderend bestaat een grote mate van onmacht en sociaal-maatschappelijk disfunctioneren bij de verdachte in vrijwel elk opzicht. De verdachte staat open voor begeleiding en heeft recent in een andere zaak reclasseringstoezicht gekregen. De reclassering adviseert dat dit toezicht wordt voortgezet met de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd op 11 november 2025. Deze zijn nog afdoende om de risico’s te beperken.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. De rechtbank weegt mee dat het onderhavige feit zes dagen na de al genoemde veroordeling tot een forse grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden is gepleegd. Deze kans heeft de verdachte niet gepakt. Integendeel, zes dagen later liep hij in de openbare ruimte met een vuurwapen op zak. Ook heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor onderhavig feit. Daarom wordt een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vorderingen
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting vier vorderingen ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straffen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voor parketnummer 10-054357-21 en 10-221949-20 ziet dit op een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Voor parketnummer 10-311822-20 ziet dit op een gevangenisstraf voor de duur van één maand en voor parketnummer 10-227061-25 ziet dit op een gevangenisstraf voor de duur van 174 dagen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen ten aanzien van de zaken met parketnummers 10-054357-21, 10-221949-20 en 10-311822-20 moeten worden afgewezen. De vordering voor de zaak met parketnummer 10-227061-25 komt volgens de officier van justitie wel voor een gedeelte van zestig dagen voor toewijzing in aanmerking.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen moeten worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering van de zaak met parketnummer 10-227061-25 geldt dat in die zaak hoger beroep is ingesteld en de zaak daarom nog niet onherroepelijk is.
Oordeel van de rechtbank
Het bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Hierdoor heeft de verdachte zich niet gehouden aan de opgelegde algemene voorwaarde dat hij tijdens de proeftijd geen nieuw strafbaar feit plegen.
De rechtbank wijst de tenuitvoerlegging van de vordering van de zaken met parketnummers 10-054357-21, 10-221949-20 en 10-311822-20 af. Het gaat om relatief oudere zaken en ze zijn bovendien al gedeeltelijk ten uitvoer gelegd.
De vordering voor de zaak met parketnummer 10-227061-25 wordt wel gedeeltelijk toegewezen. In het aantekening mondeling vonnis van die zaak staat dat er door zowel de verdachte als de officier van justitie afstand is gedaan. Dit maakt dat, anders dan de verdediging stelt, het vonnis vooralsnog onherroepelijk is en een eventueel ingesteld hoger beroep in de regel niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Op zitting heeft de verdediging onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat de afstand van het rechtsmiddel niet rechtsgeldig is geweest. Om die reden ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat het vonnis inmiddels onherroepelijk is. De rechtbank beslist tot de tenuitvoerlegging van 60 (zestig) dagen gevangenisstraf. Op die manier blijven de bijzondere voorwaarden die bij dat vonnis horen nog van kracht.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van acht (8) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-054357-21)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 13 augustus 2021 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-221949-20)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 20 november 2020 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-311822-20)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 25 februari 2021 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-227061-25)
beveelt de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf van zestig (60) dagen gevangenisstraf, zoals opgelegd in het vonnis van 11 november 2025;
wijst de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige af.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
en mrs. J.A. Terstegge en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 maart 2026.
Mr. J.A. Terstegge is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.