ECLI:NL:RBROT:2026:2805

ECLI:NL:RBROT:2026:2805

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 06-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer ROT 25/3792
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Tabaks- en rookwarenwet; Eiseres biedt een elektronisch verhittingsapparaat aan waarbij de consument het product voor een bedrag van € 3,- gedurende 14 dagen kan gebruiken. Na deze termijn kan de consument het apparaat ofwel kosteloos retourneren binnen zeven dagen, ofwel aanschaffen, waarbij na 31 dagen na de eerste betaling het resterende bedrag van € 26,- automatisch van de rekening werd afgeschreven. De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van gefaseerde verkoop is aan te merken als een handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen en is dus aan te merken als reclame in de zin van artikel 1 van de Trw. Omdat deze reclame niet valt onder een van de in de wet genoemde uitzonderingsgronden, heeft de staatssecretaris eiseres terecht een boete opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] . , uit [plaats] , eiseres

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/3792

(gemachtigde: mr. L.J.G. Knorringa),

en

[verweerder] ,

(gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen).

1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 45.000 die verweerder bij besluit van 16 juli 2024 aan eiseres heeft opgelegd vanwege een overtreding van bij of krachtens de Tabaks- en rookwarenwet (Trw) gestelde voorschriften. Eiseres is het niet eens met die boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de wijze waarop eiseres het elektronisch verhittingsapparaat van het merk [merknaam 1] te koop heeft aangeboden, valt onder het reclameverbod en dat deze handelswijze niet valt onder een van de uitzonderingen op dat verbod. [verweerder] heeft eiseres dan ook terecht een boete opgelegd. De rechtbank ziet wel aanleiding om de hoogte van de boete te matigen vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Het beroep is dus om die reden gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich hierbij laten vertegenwoordigen door mr. R.J. de Heer en mr. A. Mahmoud, kantoorgenoten van de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [persoon A] . Namens verweerder is verschenen mr. D.W. Gerritsen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 15 augustus 2023 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een anonieme inspectie uitgevoerd bij [naam bedrijf] te Utrecht. De bevindingen van de toezichthouder zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 21 december 2023 (het rapport).

Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat de toezichthouder blijkens het rapport heeft vastgesteld dat in de tabaksspeciaalzaak het elektronisch verhittingsapparaat van het merk [merknaam 1] te koop werd aangeboden, waarbij de consument de mogelijkheid werd geboden van een gefaseerde aankoop. Daarbij kreeg de consument de mogelijkheid om de [merknaam 1] voor een bedrag van € 3,- gedurende 14 dagen te gebruiken. Na deze termijn kon de consument het apparaat ofwel kosteloos retourneren binnen zeven dagen, ofwel aanschaffen, waarbij na 31 dagen na de eerste betaling het resterende bedrag van € 26,- automatisch van de rekening werd afgeschreven. Deze gefaseerde aankoop is volgens verweerder aan te merken als een laagdrempelige instapactie waarmee consumenten worden verleid tot het uitproberen van het [merknaam 1] apparaat en waarmee de behoefte van de consument wordt aangewakkerd, met als doel de verkoop van dit product te bevorderen. Deze handeling heeft volgens verweerder daarnaast tot indirect gevolg dat de verkoop van de [merknaam 2] -sticks wordt bevorderd, aangezien uitsluitend deze sticks geschikt zijn voor de [merknaam 1] en beide producten dus nauw met elkaar zijn verbonden. Gelet op de allesomvattende definitie van reclame die in de meest brede zin des woords moet worden begrepen en waarop alleen de wettelijk geregelde uitzonderingen gelden, stelt verweerder zich op het standpunt dat deze handelswijze is aan te merken als reclame. Nu deze reclame niet is uitgezonderd van het reclameverbod, heeft eiseres gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid, van de Trw. Verweerder heeft daarvoor een boete opgelegd van € 45.000,-. Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres betoogt dat haar ten onrechte een boete is opgelegd omdat verweerder daartoe niet bevoegd was. In dat verband voert zij aan dat zij het reclameverbod niet heeft overtreden. De gefaseerde verkoop van de [merknaam 1] valt niet onder het reclamebegrip omdat deze niet kwalificeert als een handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 20 februari 2024 betoogt eiseres dat de definitie van reclame niet onbegrensd is en dat de wetgever niet heeft beoogd de verkoop van tabaksproducten te verbieden. Handelingen die niet meer doen dan de verkoop van tabaksproducten mogelijk maken vallen niet onder het reclameverbod. Voor de totstandkoming van een koopovereenkomst is een aanbod en aanvaarding nodig. De wetgever heeft gefaseerde aankoop bij wet voorzien en heeft geen beperkingen opgenomen ten aanzien van de aanbiedingsvorm van de verkoop van tabaksproducten en het reclameverbod kan volgens eiseres niet dusdanig breed worden uitgelegd dat een gefaseerde aankoop onder het reclameverbod zou moeten vallen. De verkoopbeperkingen die uit de Trw volgen hebben volgens eiseres betrekking op de context en de locaties van de verkoop en uitdrukkelijk niet op de rechtsfiguur of het type (koop)overeenkomst dat voor de verkoop wordt gebruikt. Daarbij komt volgens eiseres dat de voorwaarden van de transactie, anders dan verweerder stelt, vrijwel gelijk zijn aan die van de reguliere vorm van koop. De uiteindelijke aanschafprijs is in beide gevallen gelijk en een gebruikte [merknaam 1] kan ook bij een reguliere aankoop worden teruggestuurd als het product gebreken vertoont. Verder miskent [verweerder] volgens eiseres dat de aanschaf van het [merknaam 1] -apparaat losstaat van de verkoop van [merknaam 2] -sticks, zodat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de gefaseerde aankoop van de [merknaam 1] (indirect) de verkoop van de [merknaam 2] -sticks bevordert. De verbondenheid tussen de [merknaam 1] en de [merknaam 2] -sticks is bij iedere aanschaf van de [merknaam 1] aan de orde, ongeacht de transactiewijze, zodat onduidelijk is waarom de gefaseerde verkoop indirect de verkoop van [merknaam 2] -sticks zou bevorderen en de reguliere verkoop niet. Als al sprake zou zijn van reclame, stelt eiseres zich daarnaast op het standpunt dat geen sprake is van overtreding van het reclameverbod omdat de transactie valt onder de uitzondering voor reclame in tabaksspeciaalzaken, als bedoeld in artikel 5, zesde lid onder b, van de Trw. Anders dan verweerder stelt, kan uit de Trw, noch uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat de uitzondering is beperkt tot fysieke reclame. Dat de Trr aanvullende eisen stelt voor (uitsluitend) fysieke reclame betekent volgens eiseres niet dat alleen fysieke reclame in tabaksspeciaalzaken is toegestaan. Daarbij komt dat verweerder ook lange tijd het standpunt heeft ingenomen dat de uitzondering niet enkel ziet op fysieke reclame, aangezien de NVWA op haar website aangaf dat koppelverkoop, zijnde een niet fysieke reclame-uiting, is toegestaan in tabaksspeciaalzaken.

Eiseres betwist de in het rapport opgenomen feitelijke bevindingen van de toezichthouder als zodanig niet. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat de [merknaam 1] door middel van een speciale actie in de vorm van een gefaseerde aankoop door consumenten voor een bedrag van € 3,- voor een periode van 14 dagen uitgeprobeerd kon worden. Daarna kon de consument ervoor kiezen het product te houden waarbij het resterende bedrag van € 26,- automatisch werd afgeschreven of het product kosteloos te retourneren. Kan de gefaseerde aankoop worden aangemerkt als reclame in de zin van de Trw?

In artikel 5, eerste lid, van de Trw is bepaald dat elke vorm van reclame of sponsoring is verboden. De definitie van het begrip 'reclame' staat in artikel 1, eerste lid, van de Trw:

“elke handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen en elke vorm van commerciële mededeling die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met inbegrip van reclame waarmee, zonder het tabaksproduct of aanverwant product rechtstreeks te noemen, wordt getracht het reclameverbod te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk, symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct of aanverwant product”.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de handelswijze waarbij het [merknaam 1] apparaat gefaseerd kan worden aangekocht, moet worden gezien als een laagdrempelige instapactie, waarmee consumenten worden verleid tot het uitproberen van het [merknaam 1] apparaat, met als doel de verkoop van dit product te bevorderen. Dat de consument uiteindelijk hetzelfde bedrag betaalt voor de [merknaam 1] bij een reguliere verkoop doet hier niet aan af, omdat dit onverlet laat dat dezelfde consument met het aantrekkelijke instapaanbod wordt verleid het apparaat te proberen. Daarbij kan de bedoeling van eiseres niet anders zijn dan dat de consument het product behoudt waarna de volledige verkoop wordt afgerond. Overigens volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat de voorwaarden voor het overige gelijk zijn, omdat zij zelf heeft aangegeven dat bij reguliere verkoop het product uitsluitend geretourneerd kan worden bij onvolkomenheden, terwijl dat bij de gefaseerde aankoop niet het geval is. Ook daarmee wordt de consument verleid om het product tegen een kleine vergoeding te proberen. Gelet hierop stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de gefaseerde verkoop van het [merknaam 1] apparaat geen ander doel kan hebben om consumenten over de drempel te trekken het product aan te schaffen. Al met al volgt de rechtbank eiseres dus niet voor zover zij stelt dat hier sprake is van handelingen die niet meer doen dan de verkoop van tabaksproducten mogelijk maken. In geval van de gefaseerde aankoop komt daar een element bij, namelijk een laagdrempelige verleiding om de [merknaam 1] uit te proberen, voordat en zodat tot daadwerkelijke aankoop wordt overgegaan. Juist dat element maakt dat deze actie verder gaat dan reguliere verkoophandelingen. Verweerder heeft het op deze wijze aanbieden van de [merknaam 1] dan ook terecht aangemerkt als een handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten of aanverwante producten te bevorderen.

Hoewel eiseres terecht betoogt dat gefaseerde aankoop een reguliere vorm van koop is (huurkoop), bevat de Trw een “allesomvattende definitie” van het reclamebegrip die “in de meest brede zin des woords” moet worden begrepen en waarop alleen de wettelijk geregelde uitzonderingen gelden. Daarmee beperkt het reclameverbod de mogelijkheden tot gefaseerde aankoop in die zin dat een dergelijke vorm van verkoop niet tot doel mag hebben de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen. Het CBb heeft in de door eiseres aangehaalde uitspraak van 20 februari 2024 weliswaar geoordeeld dat de allesomvattende definitie van reclame niet onbeperkt is en dat de wetgever de verkoop van tabaksproducten op zichzelf niet heeft willen verbieden, maar verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de door eiseres gebruikte gefaseerde verkoop niettemin onder het reclamebegrip valt. De gefaseerde verkoop is niet noodzakelijk om de verkoop van tabaks- en aanverwante producten mogelijk te maken en gaat verder dan de reguliere verkoop. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de mogelijkheid tot gefaseerde aankoop een marketingmethode of promotietechniek en kan, zoals hierboven is overwogen, het doel daarvan niet anders zijn dan om kopers ertoe te verleiden om voor de [merknaam 1] te kiezen waarvan bekend is dat dit product in combinatie met de [merknaam 2] -sticks een verslavende werking heeft en waarvan eiseres weet, althans had behoren te weten, dat het doel van de wetgever is om dergelijke verkopen te verminderen. Daarmee overschrijdt de laagdrempelige instapactie de lijn tussen voorzien in een behoefte en het mogelijk maken van de verkoop van tabaks- en aanverwante producten enerzijds en het aanwakkeren van die behoefte anderzijds en valt de gefaseerde verkoop van de [merknaam 1] in beginsel onder het reclameverbod.

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding om eiseres te volgen in haar standpunt dat verweerder het reclameverbod oprekt en dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het lex certa-beginsel. Naar het oordeel van de rechtbank was voorzienbaar dat de wijze waarop eiseres de [merknaam 1] ter verkoop heeft aangeboden tot doel heeft de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen en daarmee onder de reikwijdte van het reclameverbod valt. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel.

Valt de handelswijze van eiseres onder een uitzondering op het reclameverbod?

5. Bij de beoordeling van de vraag of de gefaseerde aankoop valt onder de uitzondering van het reclameverbod als bedoeld in artikel 5, zesde lid, aanhef en onder b, van de Trw, wijst de rechtbank erop dat de wetgever een allesomvattend reclameverbod voor ogen heeft gehad en dat de mogelijkheden om onder een uitzondering te kunnen vallen, beperkt zijn. Alleen de limitatief in de Trw opgenomen uitzonderingen kunnen de reikwijdte van het reclameverbod beperken. Gelet hierop ligt het in de rede om de uitzonderingen op het reclameverbod beperkt te interpreteren.

Op grond van artikel 5, zesde lid, aanhef en onder b, van de Trw geldt het reclameverbod niet voor uitsluitend voor de koper van tabaksproducten of aanverwante producten bestemde reclame in aangewezen verkooppunten als bedoeld in het derde lid, mits de reclame niet op minderjarigen is gericht en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen regels.

In de memorie van toelichting is deze uitzondering als volgt toegelicht:“Onderdeel c van dit derde lid strekt ertoe wildgroei van tabaksreclame te voorkomen en impliceert dat tabaksreclame alléén zal zijn toegestaan in en aan de voorgevel van tabaksspeciaalzaken (buiten in totaal maximaal 2 m2, ook ingeval van een hoekpand) en ín de genoemde aparte tabaksverkooppunten in levensmiddelenzaken en warenhuizen, en dan in beide gevallen uitsluitend onder de genoemde voorwaarden. Tabaksmarketing,-reclame,-promotie en-sponsoring zal dus niet zijn toegestaan in, op, aan, tegen of bij onder meer benzinestations, kiosken, sportkantines, Dranken Horecawet-inrichtingen, snackbars, bioscopen, pretparken, stations, automaten, evenementen of festivals en evenmin in, op, aan, tegen of bij alle andere niet in onderdeel c bedoelde tabaksverkooppunten. Dit is gedaan om te voorkomen dat reclame-inspanningen geconcentreerd zouden kunnen gaan worden in deze locaties, waar in het algemeen nogal veel jongeren en jong volwassenen komen. Eveneens poog ik op deze manier te voorkomen dat tabaksfabrikanten mogelijk de totstandkoming van nieuwe, speciaal voor jongeren en jong volwassenen aantrekkelijke verkooppunten zouden willen gaan stimuleren. De zinsnede «uitsluitend is gericht op personen die in het tabaksverkooppunt zelve aanwezig zijn» impliceert dat tabaksreclame in een tabaksverkooppunt in een levensmiddelenzaak of warenhuis alleen naar binnen gericht mag zijn. Dit betekent bijvoorbeeld onder meer dat in etalages van dergelijke verkooppunten geen reclame mag worden geplaatst, noch dat bijvoorbeeld affiches op inpandige ruiten zo mogen worden opgehangen dat deze naar de levensmiddelenzaak of het warenhuis gericht zijn.”

Naar het oordeel van de rechtbank stelt [verweerder] zich terecht op het standpunt dat uit de memorie van toelichting als ook uit de tekst van de artikelen 6.2 tot en met 6.7 van de Trr moet worden afgeleid dat de uitzondering voor reclame in tabaksspeciaalzaken ziet op (het plaatsen en/of bevestigen van) fysieke reclame-uitingen in en aan tabaksspeciaalzaken. Bevestiging daarvoor kan worden gevonden in de onder 5.2 opgenomen passage waarin staat dat de reclame-uitingen alleen zijn toegestaan in en aan de voorgevel. Daarnaast wordt in de artikelen 6.2 tot en met 6.7 waarin de voorschriften zijn opgenomen waaraan reclame in een uitgezonderde speciaalzaak moet voldoen, gesproken over ‘aanbrengen’, ‘voorzien van’, ‘getoond’, ‘geplaatst of bevestigd’, wat er veeleer op duidt dat het om een fysieke boodschap of duiding moet gaan.

Gelet op het vorenstaande is de uitzondering voor reclame in tabaksspeciaalzaken dus beperkt tot fysieke reclame-uitingen. In de wetsgeschiedenis noch in de tekst van de Trw en Trr ziet de rechtbank aanknopingspunten voor het door eiseres ingenomen standpunt dat ook niet fysieke uitingen onder de reikwijdte van de uitzondering zouden moeten vallen. Het allesomvattende reclamebegrip en de beperkte uitzonderingen op het reclameverbod brengen naar het oordeel van de rechtbank met zich dat er geen ruimte is voor uitbreiding van de expliciet in de wet opgenomen uitzonderingen op het reclameverbod. De door eiseres voorgestelde lezing zou de uitzondering voor reclame in tabaksspeciaalzaken te ver oprekken en dat is niet de bedoeling van de wetgever geweest. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd over koppelverkoop ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, temeer ook omdat het daarbij slechts gaat om het fysiek koppelen van één of meerdere producten bij de aanschaf van een tabaks- of aanverwant product.

6. Gelet op het vorenstaande heeft [verweerder] zich terecht op het standpunt gesteld dat de gefaseerde verkoop van de [merknaam 1] is aan te merken als een handeling in de economische sfeer met als doel om de verkoop van aanverwante producten en tabaksproducten te bevorderen en daarmee is aan te merken als reclame. Op deze handeling is de uitzondering voor reclame in tabaksspeciaalzaken, als bedoeld in artikel 5, zesde lid, aanhef en onder b, van de Trw, niet van toepassing. Daarmee is komen vast te staan dat eiseres artikel 5, eerste lid, van de Trw heeft overtreden, zodat [verweerder] op grond van artikel 11b, eerste lid, van de Trw bevoegd was om eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. Evenredigheid van de boete

7. Eiseres voert aan dat de boete niet evenredig is en dat sprake is van bijzondere omstandigheden die dienen te resulteren in een matiging van de opgelegde boete. Deze omstandigheden zijn volgens eiseres gelegen in het feit dat zij niet op de hoogte was van de reikwijdte van het reclameverbod en het reclameverbod niet willens en wetens heeft overtreden. Ook wijst eiseres erop dat de overtreding niet op grote schaal plaatsvond en niet tot minderjarigen was gericht, wat op basis van rechtspraak reden voor boetematiging zou moeten zijn. Evenmin is zij niet in vergaande mate buiten de grenzen getreden van hetgeen is toegestaan.

Uit het in de bijlage bij artikel 11b van de Trw neergelegde systeem van gefixeerde boetes volgt dat de overtreding van artikel 5, eerste lid, van de Trw door fabrikanten, groothandelaren of importeurs van tabaksproducten of aanverwante producten valt in boetecategorie B. Als uitgangspunt geldt dat deze overtreding wordt bestraft met een bestuurlijke boete van € 45.000,-. Indien sprake is van recidive kan dit bedrag worden verhoogd tot € 135.000, vervolgens tot € 225.000 en ten slotte tot € 450.000,-. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Awb kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken en om de boete te matigen.

Niet in geschil is dat eiseres kan worden aangemerkt als fabrikant, groothandelaar en/of importeur. Verweerder heeft de door eiseres gepleegde overtreder daarom terecht geschaard onder boetecategorie B.

In hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft verweerder geen bijzondere omstandigheden hoeven aannemen die aanleiding vormen de hoogte van de boete te verlagen. Van eiseres mag als professionele partij worden verwacht dat zij op de hoogte is van de reikwijdte van het reclameverbod. Zoals hiervoor reeds is overwogen was voor eiseres voorzienbaar dat de wijze waarop zij het [merknaam 1] apparaat op de markt heeft gebracht een overtreding van het reclameverbod zou opleveren. Het is vervolgens een weloverwogen keuze van eiseres geweest om de [merknaam 1] op de markt aan te bieden op een wijze die verder gaat dan de reguliere verkoop. Ook de omstandigheid dat het verkoopprogramma niet gericht was op minderjarigen, levert geen bijzondere omstandigheid op omdat dit niet betekent dat geen sprake was van tabaksreclame. Ook het beroep van eiseres op de uitspraak van het CBb van 15 december 2006 kan haar niet baten. Deze uitspraak gaat over een dermate ander feitencomplex dat de rechtbank eiseres reeds hierom niet volgt in haar standpunt dat uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat ook in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden die dienen te resulteren in matiging van de boete. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding om de boete te matigen met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Redelijke termijn

8. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn is overschreden.

Volgens vaste rechtspraak geldt bij bestraffende sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan betrokkene de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Verder geldt dat de boete wordt verminderd met 5% per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval (bijvoorbeeld vanwege de ingewikkeldheid van de zaak of het processuele gedrag van partijen) van dit uitgangspunt af te wijken.

De redelijke termijn is in dit geval aangevangen met het uitbrengen van het voornemen tot boeteoplegging op 22 december 2023.

De redelijke termijn verstreek dus op 22 december 2025. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn in totaal met ruim twee maanden overschreden. De rechtbank ziet in deze overschrijding aanleiding om de boete te matigen met 5% tot een bedrag van € 42.750,-.

Voor toerekening van de termijnoverschrijding aan de bestuurlijke of de rechterlijke fase geldt dat de bestuurlijke fase onredelijk lang heeft geduurd als deze de duur van een jaar overschrijdt. Hetzelfde geldt voor de rechterlijke fase. Het bestreden besluit is genomen op 28 maart 2025. Daarmee is in de bestuurlijke fase sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie maanden. Het pro forma beroep is ingesteld op 7 mei 2025. In de rechterlijke fase is geen sprake van een termijnoverschrijding. Gelet hierop bestaat aanleiding om de overschrijding volledig aan [verweerder] toe te rekenen.

Conclusie en gevolgen

9. De boete is terecht opgelegd, maar het boetebedrag moet worden verlaagd omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de boete. Verder bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72a van de Awb dat het primaire besluit moet worden herroepen, ook alleen wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank stelt de hoogte van de boete zelf vast op € 42.750,-.

10. Omdat het beroep gegrond is vanwege de overschrijding van de redelijke termijn moet [verweerder] het griffierecht aan eiseres vergoeden. Omdat de rechtbank ambtshalve tot het oordeel komt dat de redelijke termijn is overschreden, bestaat in zoverre geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 maart 2025 wat betreft de hoogte van de boete;

- herroept het boetebesluit van 16 juli 2024 in zoverre;

- stelt de boete vast op € 42.750,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit van 28 maart 2025;

- bepaalt dat [verweerder] het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.S.J. Letschert, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:46, eerste en derde lid

1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.

3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Artikel 8:72a

Indien de bestuursrechter een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt, neemt hij een beslissing omtrent het opleggen van de boete en bepaalt hij dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking.

Tabaks- en rookwarenwet

Artikel 1, eerste lid

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

reclame: elke handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen en elke vorm van commerciële mededeling die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met inbegrip van reclame waarmee, zonder het tabaksproduct of aanverwant product rechtstreeks te noemen, wordt getracht het reclameverbod te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk, symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct of aanverwant product.

Artikel 5, eerste lid

Elke vorm van reclame of sponsoring is verboden.

Artikel 11b, eerste en tweede lid

1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen (…) 5 (…) van deze wet (…).

2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage (…).

Categorie B

Onder categorie B vallen overtredingen door fabrikanten, groothandelaren en importeurs van tabaksproducten of aanverwante producten van het bepaalde bij:

(…)

– Artikel 5, eerste lid. (…)

Overtredingen behorend tot categorie B worden bestraft met een bestuurlijke boete van € 45.000. (…).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?