RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaken tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
[verweerder] , verweerder
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/3467 en ROT 25/3492
en
(gemachtigden: mr. L.R. Gemser en mr I. Nijland).
1. Deze uitspraak gaat over de levensmiddelen ‘ [naam levensmiddel 1] ’ (zaaknummer ROT 25/3467) en ‘ [naam levensmiddel 2] ’ (zaaknummer ROT 25/3492). Deze producten bevatten de nieuwe voedingsmiddelen [voedingsmiddel 1] , onderscheidenlijk [voedingsmiddel 2] . Omdat eiser de levensmiddelen volgens de staatssecretaris in de handel heeft gebracht, terwijl deze nieuwe voedingsmiddelen bevatten die niet zijn toegestaan en in de Unielijst zijn opgenomen, heeft de staatssecretaris eiser daarvoor in twee afzonderlijke besluiten boetes opgelegd van elk € 525,-. Eiser is het niet eens met die boetes en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boetes.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de boete voor het product [naam levensmiddel 2] (zaaknummer ROT 25/3492) te laat is ingediend en dat eiser daarvoor geen verschoonbare reden heeft gegeven. Dat beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Met betrekking tot het beroep tegen de boete voor het product [voedingsmiddel 1] (zaaknummer ROT 25/3467) is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris terecht een boete heeft opgelegd omdat eiser dit levensmiddel in de handel heeft gebracht terwijl hij dat niet mocht. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 23 oktober 2024 en 13 januari 2025 (de boetebesluiten) heeft de staatssecretaris eiser boetes opgelegd van € 525,-. Eiser heeft tegen deze boetes bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 31 januari 2025 (bestreden besluit I) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser tegen het boetebesluit van 23 oktober 2024 ( [naam levensmiddel 2] ) ongegrond verklaard.
Met het besluit van 27 maart 2025 (bestreden besluit II) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser tegen het boetebesluit van 13 januari 2025 ( [voedingsmiddel 1] ) ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 22 april 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Ook heeft eiser beroep ingesteld tegen de aan hem opgelegde factuur voor de herinspectie op 15 oktober 2024. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ROT 25/3469. Ter zitting heeft eiser dit beroep ingetrokken.
De staatssecretaris heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiser is de eigenaar van de in Delft gevestigde eenmanszaak ‘ [naam eenmanszaak] ’. Deze onderneming biedt via de internetsite [naam website] (de website) onder meer voedingssupplementen aan.
Op 5 juni 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA een inspectie uitgevoerd op de website van eiser. Tijdens deze inspectie is geconstateerd dat eiser het voedingssupplement ‘ [naam levensmiddel 2] ’ op de website ter verkoop heeft aangeboden. Deze inspectie is opgevolgd met een bezoek aan het adres van eiser op 20 juni 2024. De bevindingen van deze inspectie zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 30 augustus 2024. Op basis van dit rapport heeft verweerder vastgesteld dat het voedingssupplement ‘ [naam levensmiddel 2] ’ een nieuw voedingsmiddel betrof dat niet is toegelaten in de Europese Unie. Omdat eiser dit supplement in de handel heeft gebracht, heeft verweerder eiser daarvoor een boete opgelegd van € 525,-. Het beroep tegen deze boete is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer ROT 25/3492.
Op 15 oktober 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA een digitale herinspectie uitgevoerd op de website van eiser. Tijdens deze inspectie is geconstateerd dat eiser het voedingssupplement ‘ [naam levensmiddel 1] ’ op de website ter verkoop heeft aangeboden. Vervolgens heeft de toezichthouder diezelfde dag een gesprek gehad met eiser op het kantoor van de NVWA. De bevindingen van deze herinspectie zijn vastgelegd in een rapport van bevindingen van 17 oktober 2024. Op basis van dit rapport heeft verweerder vastgesteld dat het voedingssupplement ‘ [naam levensmiddel 1] ’ een nieuw voedingsmiddel betrof dat niet is toegelaten in de Europese Unie. Omdat eiser dit supplement in de handel heeft gebracht, heeft verweerder eiser daarvoor opnieuw een boete opgelegd van € 525,-. Het beroep tegen deze boete is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer ROT 25/3467.
Op 27 november 2024 heeft de staatssecretaris eiser een schriftelijke waarschuwing gegeven. Redengevend daarvoor was dat tijdens de herinspectie op 15 oktober 2024 ook is gebleken dat eiser als exploitant van een levensmiddelenbedrijf onvoldoende zorg droeg voor het onderkennen van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moest worden gelet op de HACCP beginselen.
4. De besluitvorming van de staatssecretaris berust op het standpunt dat eiser via zijn website de levensmiddelen ‘ [naam levensmiddel 2] ’ en ‘ [naam levensmiddel 1] ’ te koop heeft aangeboden. Deze levensmiddelen bevatten respectievelijk de ingrediënten [voedingsmiddel 2] en [voedingsmiddel 1] die als nieuw voedingsmiddel in de Novel Food Catalogue zijn opgenomen. Alleen nieuwe voedingsmiddelen die zijn toegelaten en in de Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 zijn opgenomen mogen in de Europese Unie in de handel worden gebracht. Voor het in de handel brengen van het nieuwe voedingsmiddel [voedingsmiddel 2] en [voedingsmiddel 1] is geen toelating verleend. Omdat eiser via zijn website de levensmiddelen ter verkoop heeft aangeboden en daarmee de niet toegelaten nieuwe voedingsmiddelen in de handel heeft gebracht, heeft eiser volgens de staatssecretaris twee keer een overtreding begaan van artikel 6, tweede lid, van Verordening (EU) 2015/2283, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen (het Warenwetbesluit). Daarvoor heeft de staatssecretaris eiser twee boetes opgelegd van elk € 525,-.Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van het beroep in zaaknummer ROT 25/3492
5. Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, moet de vraag worden beantwoord of het beroep tijdig is ingediend. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daarbij als volgt.
Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het beroepschrift dient voor het einde van de termijn te zijn ontvangen. Als een beroepschrift niet voor het einde van de termijn is ontvangen, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De niet-ontvankelijkheid blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. Dit betekent dat het niet tijdig indienen van het beroepschrift niet aan eiser kan worden toegerekend. Als hiervan sprake is, laat de rechtbank een niet-ontvankelijkverklaring achterwege en neemt zij het beroep in behandeling.
Vaststaat dat bestreden besluit I is gedateerd op 31 januari 2025 en dat het besluit op die dag (ook) per e-mail aan eiser is verzonden. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift daarmee eindigde op 14 maart 2025. De rechtbank heeft het beroepschrift tegen bestreden besluit I op 22 april 2025 ontvangen. Dit is te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelt. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen en waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Eiser heeft in zijn brief van 30 april 2025 desgevraagd aangegeven dat hij de beroepen gevoegd heeft ingediend omdat de NVWA de overtredingen gelijktijdig heeft opgespoord en omdat het betalen van het griffierecht voor hem extra kostbaar is. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat eiser niet kan worden verweten dat hij het beroepschrift tegen bestreden besluit I niet tijdig heeft ingediend. Daartoe acht de rechtbank van belang dat, zoals ook blijkt uit wat in 3.1 en 3.2 staat, de twee aan eiser opgelegde boetes voortkomen uit twee verschillende inspecties. Beide boetebesluiten staan op zichzelf en eiser heeft daartegen ook afzonderlijk bezwaar gemaakt. Op deze bezwaren is vervolgens in twee afzonderlijke besluiten beslist. De besluiten bevatten bovendien een rechtsmiddelenclausule waarin onder meer staat dat tegen het besluit binnen zes weken beroep moet worden ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Daarnaast blijkt uit het dossier dat eiser er door de staatssecretaris meermaals op is gewezen dat hij binnen zes weken en uiterlijk 14 maart 2025 in beroep kon gaan tegen bestreden besluit I. In dit geval is eiser dus bij herhaling expliciet op de uiterste datum voor het indienen van beroep gewezen. Niet valt in te zien waarom eiser desondanks niet in staat is geweest om tijdig beroep in te stellen. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij lijdt aan psychogeriatrische klachten, merkt de rechtbank op dat het eiser niet heeft belet zelfstandig te procederen, zodat het te laat indienen van beroep voor zijn rekening en risico komt. Als eiser meent dat een aandoening hem belemmert in het zelfstandig voeren van procedures, dan ligt het op zijn weg om een gemachtigde aan te wijzen om dat namens hem te doen. Ook in de omstandigheid dat eiser griffierechten moet betalen voor beide procedures, maakt niet dat van eiser niet verwacht kon worden tijdig beroep in te stellen. De conclusie is dan ook dat het te laat indienen van het beroep niet verschoonbaar is.Ten aanzien van het beroep in zaaknummer ROT 25/3467
6. Eiser betwist dat hij de hem verweten overtreding heeft begaan. Daartoe betoogt hij dat hem wordt verweten een nieuw voedingsmiddel in de handel te hebben gebracht, terwijl dit niet in de Europese Unie is toegelaten. Eiseres stelt echter dat hij het product niet op voorraad had ten tijde van de inspecties, het product dus niet voorhanden had en het product ook niet heeft verkocht, wat volgens de definitiebepaling van ‘in de handel brengen’ volgens hem wel is vereist. Dit is nooit aangetoond. Het product is alleen op de website geplaatst om reclame te maken en de naamsbekendheid te vergroten van de eigen onderneming, aldus eiser. Dit betekent volgens eiser dat niet gesproken kan worden van in de handel brengen van een niet toegelaten nieuw voedingsmiddel, zodat niet is bewezen dat hij de hem verweten overtreding heeft begaan.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het voedingsmiddel [voedingsmiddel 1] een nieuw voedingsmiddel is in de zin van artikel 3, tweede lid en onder a van Verordening (EU) 2015/2238 en dat dit voedingsmiddel niet is toegelaten in de Europese Unie. Levensmiddelen waarin dit voedingsmiddel is verwerkt, zoals in dit geval de ‘ [naam levensmiddel 1] ’ mogen dus niet in de Europese Unie in de handel worden gebracht.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van Verordening (EU) 2015/2283, gelden voor toepassing van deze verordening de definities van de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) 178/2002.In artikel 3, aanhef en onder 8, van Verordening (EG) 178/2002 staat dat onder ‘in de handel brengen’ wordt verstaan het voorhanden hebben van levensmiddelen of diervoeders met het oog op de verkoop, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser het product in de handel heeft gebracht. Uit het rapport van bevindingen blijkt immers dat het product op de website van eiser werd getoond, inclusief een productbeschrijving, verkoopprijs en verwachte levertijd. Het product kon worden toegevoegd aan de online winkelwagen en vervolgens worden afgerekend. Verder blijkt uit de in het rapport opgenomen verklaringen van eiser dat het de bedoeling was om het product via zijn website aan consumenten te verkopen en te leveren. Op grond hiervan kan niet anders worden geoordeeld dan dat het product met het oog op de verkoop op de website is geplaatst. Eiser heeft later verklaard dat het product uitsluitend voor reclamedoeleinden op de website zou zijn geplaatst om daarmee de vindbaarheid van de website op Google te kunnen verbeteren, maar de rechtbank volgt dat gelet op het vorenstaande niet. Op geen enkele wijze blijkt uit de website dat het product niet te bestellen was. Dat eiser het product niet fysiek op voorraad had, wat daar ook van zij, doet aan het vorenstaande niet af en leidt niet tot de conclusie dat eiser het product niet in de handel heeft gebracht. De wijze waarop eiser het product te verkoop aanbiedt, komt de facto neer op zogeheten dropshipping, waarbij een product te koop wordt aangeboden en bestellingen direct worden doorgeleid naar een leverancier die het product naar de consument verzendt. Zoals onder meer volgt uit de Guidance on the implementation of articles 11, 12, 14, 17, 18, 19 and 20 of regulation (EC) 178/2002 on general food law, is de definitie van ‘in de handel brengen’ zeer breed en omvat alle vormen van verkoop. Nu eiser het product op zijn website te koop heeft aangeboden en het dus in zijn macht had dat de producten aan consumenten werden geleverd, heeft hij het product in de handel gebracht. Deze uitleg van het begrip in de handel brengen sluit naar het oordeel van de rechtbank ook aan bij het doel van Verordening (EU) 2022/, namelijk een hoog niveau van de bescherming van de menselijke gezondheid. Indien de lezing van eiser namelijk zou worden gevolgd, zouden alleen producten die fysiek voorhanden zijn onder het verbod vallen, en zouden e-commerce methoden zoals dropshipping buiten de reikwijdte van de Verordening vallen en zou via die weg de regelgeving van in dit geval Verordening (EU) 2015/2238 omzeild kunnen worden.
Dat, zoals eiser betoogt, sprake was van een beperkt aantal capsules doet aan het vorenstaande niet af. Het in de handel brengen omvat alle vormen van verkoop, inclusief kleine of afwijkende hoeveelheden.
7. Gelet op het vorenstaande is komen vast te staan dat eiser een overtreding heeft begaan van artikel 6, tweede lid, van Verordening (EU) 2015/2283, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit, door het product ‘ [naam levensmiddel 1] ’ in de handel te brengen. De staatssecretaris was daarom bevoegd eiser daarvoor een boete op te leggen.
Het betoog van eiser dat de onderneming inmiddels is beëindigd en er dus geen kans op herhaling van de overtreding bestaat, maakt niet dat de staatssecretaris van zijn bevoegdheid geen gebruik had behoren te maken. De boete betreft immers ook een punitieve sanctie. Daarnaast is ter zitting gebleken dat eiser nog steeds in de Kamer van Koophandel staat ingeschreven en dat op het adres van eiser nog een tweede website staat ingeschreven die operationeel is. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat het recidivegevaar volledig is geweken.
De omstandigheid dat eiser naar gesteld vanaf 2016 niet meer zou zijn gecontroleerd en vervolgens twee boetes krijgt voor soortgelijke overtredingen, maakt niet dat het opleggen van de onderhavige boete onevenredig is. Zoals de staatssecretaris terecht stelt, gaat het hier om twee afzonderlijke overtredingen. Eiser heeft naar aanleiding van de inspectie op 5 juni 2024 voor het in de handel brengen van het product [naam levensmiddel 2] een boete opgelegd gekregen. De staatssecretaris stelt terecht dat het vervolgens op de weg van eiser lag om naar aanleiding daarvan ook eventueel andere op de website aanwezige verboden producten te verwijderen om zodoende andere overtredingen te beëindigen. Nu bij de herinspectie vanwege het aanbieden van het product ‘ [naam levensmiddel 1] ’ een overtreding is geconstateerd, kon de staatssecretaris daarvoor een boete opleggen.
In wat eiser overigens heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opleggen van de boete onevenredig is. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een boete van € 525,- in dit geval passend en geboden. Meldplicht
8. Voor zover eiser in beroep wijst op de meldplicht als bedoeld in artikel 19, eerste of derde lid, van Verordening (EU) 178/2002, overweegt de rechtbank dat de boete niet aan hem is opgelegd omdat hij deze meldplicht zou hebben geschonden. Hetgeen eiser in dat verband heeft aangevoerd is dus niet relevant in het kader van deze procedure. De rechtbank zal hier dan ook niet verder op ingaan.
Waarschuwing 27 november 2024
9. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep en met name in zijn brief van 11 november 2025 ageert tegen de aan hem opgelegde schriftelijke waarschuwing van 27 november 2024. Deze waarschuwing staat echter los van de aan hem opgelegde boetes. De waarschuwing heeft namelijk betrekking op het niet of niet geheel juist toepassen van de HACCP beginselen en ziet dus op een andere overtreding. Wat eiser ten aanzien van de waarschuwing naar voren heeft gebracht, doet dan ook niet af aan de rechtmatigheid van de aan hem opgelegde boetes.
Voor zover eiser beoogd heeft beroep in te stellen tegen de waarschuwing van 27 november 2024 zelf, overweegt de rechtbank dat de waarschuwing geen directe rechtsgevolgen voor eiser in het leven heeft geroepen en daarmee niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar en beroep ingesteld kan worden. De rechtbank begrijpt eiser aldus, dat hij meent dat hij als gevolg van deze waarschuwing zijn bedrijfsvoering heeft moeten staken en producten heeft moeten wegdoen, wat tot schade heeft geleid. Wat daar van zij, dit was niet het rechtsgevolg van de waarschuwing. Eiser werd in de waarschuwing opgedragen de daarin genoemde overtreding onmiddellijk te beëindigen, en niet om zijn bedrijfsactiviteiten te staken. Evenmin kon uit de waarschuwing worden afgeleid dat de bedrijfsactiviteiten als zodanig tijdelijk of definitief moesten worden gestaakt. Eiser moest zijn bedrijfsvoering in overeenstemming brengen met de daarvoor geldende voedselveiligheidseisen, net zo als dat voor ieder ander vergelijkbaar bedrijf geldt. Dat eiser naar gesteld zijn bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt, komt voor zijn rekening en risico. Voor zover bij eiser onduidelijkheid bestond over de feitelijke gevolgen van de waarschuwing en welke acties hij in verband daarmee diende te ondernemen, had het om zijn weg gelegen daarvoor (juridische) hulp in te schakelen.
Voor zover eiser naar aanleiding van de waarschuwing een verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, overweegt de rechtbank dat omdat de waarschuwing geen besluit is, zij reeds om die reden niet op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder kan veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding. Eiser heeft niet gesteld dat de door hem geleden schade samenhangt met de hem opgelegde boete. Ook in zoverre bestaat reeds daarom geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek om een schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep in zaaknummer ROT 25/3492 is niet-ontvankelijk omdat het beroep tegen bestreden besluit I te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank beoordeelt deze zaak dus niet inhoudelijk.
10. Het beroep in zaaknummer ROT 25/3467 is ongegrond. Dat betekent dat de bestuurlijke boete van € 525,- voor het in de handel brengen van het product ‘ [naam levensmiddel 1] ’ in stand blijft.
12. Omdat de beroepen niet-ontvankelijk, respectievelijk ongegrond zijn verklaard, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak ROT 25/3492 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep in de zaak ROT 25/3467 ongegrond;
- wijst het verzoek om een schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.