Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer 10-003910-25
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Datum zitting: 6 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte: [verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1985 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. T. Sandrk.
Officier van justitie: mr. E. Blanken.
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3].
Advocaat van de benadeelde partijen: mr. R. Sturkenboom.
Kern van het vonnis
Op 5 januari 2025 heeft de verdachte haar onderbuurvrouw [naam slachtoffer] met een mes in het hart gestoken, waarna zij is overleden.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van moord omdat de voorbedachte raad heeft ontbroken, maar acht doodslag wel bewezen.
De deskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte vanuit een waanstoornis heeft gehandeld. Het verweer van de verdediging dat bij de verdachte daarom ieder inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de gevolgen daarvan ontbrak wordt echter verworpen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte ook in die waan met de voor doodslag vereiste opzet heeft gehandeld.
Omdat vaststaat dat de verdachte volledig vanuit die waanstoornis heeft gehandeld kan het feit haar niet worden toegerekend. De rechtbank acht de verdachte dan ook niet strafbaar en ontslaat haar van alle rechtsvervolging.
Vanwege het hoge risico op herhaling legt de rechtbank aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op.
Aan de kinderen van [naam slachtoffer] wordt een vergoeding toegekend voor affectieschade en materiele schade. Aan de schoondochter van [naam slachtoffer] wordt een vergoeding toegekend voor materiële schade.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij zich – samengevat – op 5 januari 2025 in Rotterdam schuldig heeft gemaakt aan moord of doodslag.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
zij op of omstreeks 5 januari 2025 te Rotterdam [naam slachtoffer] opzettelijk en al dan niet
met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door haar een of meerdere keren met een mes, althans scherp en/of puntig voorwerp in haar borst, althans het lichaam, te steken.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde moord en dat zij moet worden veroordeeld voor doodslag.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit voor moord, omdat voorbedachte raad ontbreekt. De verdediging voert verder aan dat niet bewezen kan worden dat de verdachte [naam slachtoffer] met opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gedood. De verdachte werd volledig in beslag genomen door haar waanideeën en heeft daardoor niet bewust gehandeld noch heeft zij de gevolgen van haar handelen aanvaard. De verdediging bepleit daarom gehele vrijspraak van het ten laste gelegde.
Oordeel van de rechtbank
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
Vrijspraak: moord (impliciet primair)
De rechtbank is van oordeel dat de beschuldiging van moord niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen: doodslag (impliciet subsidiair)
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de inhoud van de hieronder genoemde bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik was op 5 januari 2025 in het huis van mijn buurvrouw [naam slachtoffer] aan de [adres delict]. [naam slachtoffer] en ik waren daar samen. Er waren geen andere mensen in huis. Ik heb daar toen de politie gebeld en aan de lijn gehouden. Ik heb een mes uit de keukenlade van [naam slachtoffer] gepakt. Er was een schermutseling. Ik woonde toen zelf op [adres].
2. Proces-verbaal van de politie
Op 5 januari 2025 te [adres delict] zag ik dat een vrouw genaamd [naam slachtoffer] een steekwond boven op de rechter borst en boven op haar linkerborst had. [naam slachtoffer] zei dat zij gestoken was met een keukenmes uit haar eigen keuken, door haar buurvrouw die woonde op [adres].
3. Proces-verbaal van de politie
[verdachte] bleek op 5 januari 2025 te 19.14 uur naar 112 te hebben gebeld. Dit gesprek staat hieronder letterlijk uitgewerkt.
Meldkamer:
Politie meldkamer, goedendag , wat is het adres van uw noodgeval?
Antwoord van meldster naar meldkamer:
Meldkamer, dit is [naam 1] . . . Ik ben nationaal bekend als frontlinie, waterval massavernietiging dit is geen (een woord die niet te verstaan is). Het gaat nu uitgevoerd worden.
Meldster tegen persoon die bij haar is:
Je gaat blijven zitten.
Antwoord van meldster naar meldkamer:
Je gaat haarfijn opvolgen wat ik zeg. Er worden geen enkele sirenes geloeid. Heb je gehoord wat ik zeg? Of luisteren jullie allemaal op de achtergrond weer mee? Dit is geen . . . ? We gaan tactisch en met de nadruk op tact. Ik ga (zegt iets onverstaanbaars).
Meldster tegen persoon die bij haar is:
Blijf zitten, blijf zitten, blijf zitten.
(…)
Meldster tegen persoon die bij haar is:
Blijf zitten [naam slachtoffer]! Blijf zitten [naam slachtoffer], ik zweer het ik steek je en ik doe het echt. Ik ben de frontlinie! (…) [naam slachtoffer], ga zitten!
(…)
Antwoord van meldster naar meldkamer:
Jullie gaan binnen vijf minuten contact opnemen met Rajnath Singh minister India, binnen vijf minuten, Willem-Alexander.
(…)
Meldster tegen persoon die bij haar is:
Bek dicht, bek dicht [naam slachtoffer]. Bek dicht of ik steek je neer. Bek dicht of ik steek je neer. Bek dicht of ik steek je neer. Dit is geen oefening! Mond dicht, mond dicht, zitten. Zitten. Ik ben [naam 1] dit is geen oefening.
(…)
Meldster tegen meldkamer:
En ik wil een ambulance naar [adres delict] en die ruimen die troep op.
(…)
Meldkamer:
Ja maar wat moeten ze daar komen doen?
Meldster tegen meldkamer:
Jullie hebben vijf minuten.
Meldkamer:
Ja, maar wat voor rommel moet er opgeruimd worden?
Antwoord van meldster naar meldkamer:
(Onverstaanbare woorden) Wil je zeggen dat de politieprotocollen niet weten wie ik ben?
Meldkamer:
Ja tuurlijk wel, maar . . .
Meldster tegen meldkamer:
Stuur een ambulance naar [adres delict] er is een vrouw gewond van pak 'm beet 60 jaar
(…)
Meldster tegen meldkamer:
Breng de ambulance naar [adres delict] nu!
(…)
4. Deskundigenverslag van [naam 2]
[naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1957, is overleden op 7 januari 2025 in het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam.
Uit het forensisch pathologisch onderzoek op haar lichaam is het volgende gebleken.
Aan het lichaam waren in totaal 2 steekletsels ontstaan door krachtinwerking met eén of meerdere scherprandige voorwerpen(zoals een mes). Bij het steekletsel (B4I) aan de borst links was onder meer perforatie van het hartzakje, de afdalende tak van de linker kransslagader, het kamertussenschot en de rechterhartkamer. Volgens de verkregen informatie was er initieel sprake van bloedophoping in het hartzakje. Hierbij zijn hartpompfunctiestoornissen te verwachten, op basis waarvan het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand (met secundair zuurstoftekort van verscheidene organen en onbehandelbare verzuring van het bloed) en het uiteindelijke overlijden volledig kan worden verklaard.
Gebleken is dat zij is overleden aan de gevolgen van één steekletsel aan de borst links. Bij dit steekletsel zijn vitale structuren geraakt. Er vond perforatie plaats van onder meer het hartzakje, de afdalende tak van de linker-kransslagader en het kamertussenschot van de rechterharthamer.
Bewijsoverwegingen
Op 5 januari 2025 heeft de verdachte in de woning van [naam slachtoffer] een mes uit de keukenlade gepakt en [naam slachtoffer] daarmee tweemaal in haar borst gestoken. Zij heeft [naam slachtoffer] met een van die steken in het hart geraakt en [naam slachtoffer] is als gevolg daarvan op 7 januari 2025 overleden. De verdachte handelde op dat moment vanuit een waanstoornis.
Was er sprake van opzet?
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte opzet heeft gehad op het doden van [naam slachtoffer]. Vooropgesteld wordt dat het steken met een mes in de borst van [naam slachtoffer], ter hoogte van haar hart, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht is op de dood, dat dit niet anders kan worden uitgelegd dan als een bewust handelen dat is gericht op het om het leven brengen van iemand. Dit brengt mee dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [naam slachtoffer].
Staat de waanstoornis van de verdachte bewezenverklaring van opzet in de weg?
Hoewel duidelijk is dat de verdachte vanuit een waan heeft gehandeld (zie paragraaf 4.1) betekent dat nog niet zonder meer dat zij geen enkel inzicht heeft gehad in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.
Uit het gesprek met de meldkamer en haar verklaring ter zitting blijkt dat zij enig inzicht had in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Zo heeft de verdachte verklaard dat zij zich kan herinneren dat zij in de woning van [naam slachtoffer] is geweest en dat zij toen de politie heeft gebeld. Tijdens haar gesprek met de meldkamer heeft de verdachte een mes gepakt uit de keuken en [naam slachtoffer] meermalen gedreigd dat zij moest blijven zitten en haar mond moest houden. Daarbij riep zij onder andere “Blijf zitten [naam slachtoffer]! Blijf zitten [naam slachtoffer], ik zweer het ik steek je en ik doe het echt’ en ‘Bek dicht, bek dicht [naam slachtoffer]. Bek dicht of ik steek je neer. Bek dicht of ik steek je neer. Bek dicht of ik steek je neer. Dit is geen oefening! Mond dicht, mond dicht, zitten. Zitten. Dit is geen oefening.” Uit het 112-gesprek blijkt verder dat de verdachte dit dreigement meermalen heeft herhaald en ook meermalen dreigt het slachtoffer in de nek te steken. De verdachte heeft ook geweten dat zij haar dreigement om te steken daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Dit volgt onder meer uit haar verzoek aan de meldkamer om een ambulance te sturen om ‘de troep op te ruimen’, waarbij zij meldt dat er een vrouw van ongeveer 60 jaar oud gewond is.
Ook in haar waan heeft de verdachte dan ook met de voor bewezenverklaring vereiste opzet gehandeld. Het verweer van de verdediging dat opzet ontbreekt, wordt daarom verworpen.
Conclusie
De rechtbank acht doodslag, zoals impliciet subsidiair ten laste is gelegd, wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan op
de wijze dat:
zij op 5 januari 2025 te Rotterdam [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd,
door haar met een mes in haar borst te steken.
3. Kwalificatie en strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: doodslag.
Het feit is strafbaar.
4. Strafbaarheid verdachte
Toerekenbaarheid van het feit aan de verdachte
De verdachte is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum en haar geestvermogens zijn daar onderzocht. De verdachte heeft slechts gedeeltelijk meegewerkt aan dat onderzoek.
Psychiater [naam 3] en klinisch psycholoog [naam 4] van het Pieter Baan Centrum hebben op 8 december 2025 gerapporteerd over hun bevindingen waarbij zij haar beperkte medewerking toeschrijven aan haar psychopathologie.
De deskundigen hebben bij de verdachte namelijk een waanstoornis vastgesteld. De waan van de verdachte heeft zowel kenmerken van het grootheidstype als van het achtervolgingstype (paranoïde). In de belevingswereld van de verdachte kunnen personen snel veranderen van een goed persoon in een bedreigend persoon. Dat maakt dat zij oninvoelbaar en onvoorspelbaar is in haar gedrag. De verdachte kwam indirect agressief op de onderzoekers over door haar geagiteerde, dwingende en devaluerende houding.
De deskundigen concluderen dat de waanstoornis ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde aanwezig is geweest. De verdachte werd tijdens en na het ten laste gelegde volledig in beslag genomen door haar waanideeën. Dit blijkt onder meer uit de uitingen die staan vermeld in het transcript van het telefoongesprek dat de verdachte met de 112-meldkamer heeft gevoerd ten tijde van het ten laste gelegde. Ook nadat de verdachte was aangehouden voor dit feit riep ze dat de politie haar moest hebben en dat zij gehandeld had in opdracht van het Ministerie van Defensie van India. Ook tijdens de verhoren bij de politie deed de verdachte diverse uitspraken die wijzen op grootheids- en paranoïde wanen. De waanwereld is zo prominent aanwezig, ook tijdens de observatie in het Pieter Baan Centrum, waar zij steeds een psychotisch toestandsbeeld liet zien, dat het onwaarschijnlijk is dat de verdachte buiten deze waan heeft kunnen handelen. De deskundigen adviseren het ten laste gelegde niet aan de verdachte toe te rekenen.
Het risico op recidive van vergelijkbaar agressief gedrag en geweld is hoog, zelfs op korte termijn, zolang het huidige psychotische toestandsbeeld en dezelfde waandenkbeelden aanwezig zijn als ten tijde van het ten laste gelegde.
De verdachte toont geen berouw, omdat zij zich vanuit haar psychose gerechtvaardigd voelt om agressieve handelingen te verrichten. Door haar goede sociale voorkomen (goed verzorgd, goede manieren, sociaal vaardig, vriendelijk) kan de delictgevaarlijkheid van de verdachte onderschat worden. Zij is in werkelijkheid oninvoelbaar en onvoorspelbaar. De verdachte wordt bepaald door de ernstige psychotische stoornis, waarbij er sprake is van affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit. Het psychotische toestandsbeeld, het gebrek aan ziektebesef en -inzicht en daaruit voortvloeiend een gebrek aan motivatie voor behandeling zijn de belangrijkste risicofactoren.
De deskundigen adviseren de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Bij de behandeling van de verdachte dient de focus te liggen op behandeling van de psychotische problematiek. Het uitvoeren van de tbs-maatregel met voorwaarden is niet haalbaar vanwege het hoge recidiverisico, de afwezigheid bij de verdachte van ziektebesef en -inzicht en het ontbreken van enige motivatie voor behandeling. De inschatting is dat de verdachte zich niet aan gestelde voorwaarden (zoals medicatie en verblijf in een kliniek) zal willen en kunnen houden. Een behandeling in het kader van een zorgmachtiging is ook onhaalbaar, vanwege het hoge recidiverisico op de korte termijn, de korte duur van de behandeling en het te lage beveiligingsniveau.
Een klinische setting met voldoende beveiliging en forensische scherpte is zeker voor de beginfase van de behandeling noodzakelijk, evenals een forensisch kader. Een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) met beveiligingsniveau 4 is noodzakelijk. Medicatie en een intensieve langdurige klinische behandeling (van zeker meer dan een jaar) is nodig voor het verbeteren van de toestand van de verdachte, het beperken van het risico op herhaling en het bereiken van voldoende stabilisatie en behandeltrouw.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat het Pieter Baan Centrum conclusies heeft getrokken die niet door feiten worden gedragen en vraagt de rechtbank deze bevindingen niet over te nemen. De verdachte heeft zich immers jaren goed staande gehouden in de maatschappij. Zij zal zich niet meer overgeven aan het gevoel van ontregeling. Dat werd namelijk veroorzaakt door de onveilige situatie waarin zij zich heeft bevonden en die situatie is er nu niet meer. Het risico dat de verdachte in de toekomst vergelijkbaar gedrag met geweld zal laten zien is nihil.
Conclusies van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de psychiater en psycholoog hun conclusies goed hebben onderbouwd en dat de feiten waarop zij zich baseren ook aansluiten bij de inhoud van het procesdossier. De rechtbank vertrouwt op de deskundigheid van de onderzoekers en ziet ook verder geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hun conclusies. De rechtbank neemt daarom de conclusies van de deskundigen over.
Dit betekent dat de rechtbank, net als de officier van justitie, oordeelt dat de verdachte niet strafbaar is. Het bewezen feit kan haar namelijk vanwege de vastgestelde psychische stoornis niet worden toegerekend. De verdachte wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.
5. Maatregel
Eis van de officier van justitie
Aan de verdachte moet de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd (hierna: tbs-maatregel). Daarnaast verzoekt de officier van justitie de rechtbank om ambtshalve een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) aan de verdachte op te leggen, ter bescherming van personen. De reclassering kan dan na afloop van de tbs-maatregel bezien wat nog nodig is om het risico op recidive in te perken. Ook moet een contactverbod ervoor zorgen dat de verdachte geen contact kan leggen met de nabestaanden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om geen tbs-maatregel aan de verdachte op te leggen. Haar stoornis kan behandeld worden binnen een minder verstrekkend zorgkader. De kans op recidive is klein. In detentie gedraagt de verdachte zich correct. De medische dienst van de penitentiaire inrichting waar zij nu verblijft vindt medicatie niet nodig. Behandeling in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (hierna: FPC) met beveiligingsniveau 4 is dus niet nodig. Daarnaast wijst de verdediging op de lange wachttijden voor opname in een tbs-kliniek.
Beoordeling
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft [naam slachtoffer] in haar eigen woning met een messteek in het hart geraakt waardoor zij is overleden. Daarmee heeft de verdachte [naam slachtoffer] het meest kostbare bezit afgenomen: haar leven.
Het is nauwelijks voor te stellen hoe angstig de situatie voor [naam slachtoffer] moet zijn geweest. Zij heeft alles geprobeerd om te overleven. De artsen hebben nog geprobeerd het leven van [naam slachtoffer] te redden, helaas tevergeefs.
Uit de verklaringen van de zoon en dochter van [naam slachtoffer] op zitting blijkt hoe diep het leed is dat de verdachte ook hen heeft aangedaan door hun moeder van hen af te nemen. Dit verlies laat een enorme leegte achter. Het werkt door in hun gezinnen, in hun familie. Ook in de buurt waar [naam slachtoffer] woonde wordt ze gemist. Zo’n gebeurtenis schokt de samenleving en mensen voelen zich minder veilig.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Terbeschikkingstelling (TBS)
Alles afwegend oordeelt de rechtbank dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat zij onder dwang moet worden verpleegd.
Aan de eisen die de wet daaraan stelt is voldaan. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van het strafbare feit een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens, namelijk een waanstoornis met kenmerken van het grootheidstype en van het achtervolgingstype (paranoïde). Daarnaast is het door haar begane feit een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer op is gesteld. Gelet op de aard en ernst van het feit en het gevaar voor herhaling, eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd.
Het herhalingsgevaar is groot en ook ter zitting is nog gebleken dat bij de verdachte geen sprake is van ziektebesef of -inzicht. De wanen bij de verdachte lijken bovendien al langere tijd te bestaan en een eerdere gedwongen opname van de verdachte binnen de GGZ heeft het bestaan van die wanen, noch dit verschrikkelijke feit kunnen voorkomen. Van enige motivatie bij de verdachte voor behandeling is de rechtbank ook niet gebleken.
Dit betekent dat de rechtbank, met de deskundigen, een langdurige behandeling in een forensisch kader, in een klinische setting en met een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk vindt om de toestand van de verdachte te verbeteren, het herhalingsgevaar te beperken en voldoende stabilisatie en behandeltrouw bij de verdachte te bereiken. Dat geldt ook voor het gebruik van medicatie.
De verdediging heeft gesteld dat ook met een minder zwaar zorgkader kan worden volstaan en heeft erop gewezen dat de verdachte in detentie ook zonder medicatie al lange tijd gewenst gedrag laat zien.
De rechtbank is het met die inschatting van de verdediging niet eens. Er zijn zeker beschermende factoren, zoals de intelligentie van de verdachte, haar band met haar familie en het feit dat zij een tijdlang goed in de maatschappij heeft gefunctioneerd. Maar die factoren wegen niet op tegen de hiervoor al besproken bevindingen van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum. Zij achten behandeling van de verdachte in het kader van een zorgmachtiging of een tbs met voorwaarden vanwege de grote risico’s niet haalbaar.
Daar komt nog bij dat de huidige detentiesetting sterk verschilt van het leven in de vrije maatschappij en het verplicht moeten volgen van behandeling. Detentie is er immers niet op gericht om de stoornis van de verdachte te behandelen. En in de verslagen staat ook nu al omschreven dat de verdachte veel op zichzelf is (en zo wordt gelaten), maar als zij begrenst wordt of aangesproken wordt op haar gedrag de spanning al oploopt. Met een minder zware maatregel dan een tbs met dwangverpleging kan dan ook niet worden volstaan.
De rechtbank onderschrijft de conclusies van de deskundigen dat oplegging van deze maatregel noodzakelijk is.
De rechtbank adviseert dat de terbeschikkingstelling met dwangverpleging direct, dan wel zo spoedig mogelijk, aanvangt. De rechtbank legt de terbeschikkingstelling op omdat de verdachte met de doodslag een misdrijf heeft gepleegd dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De eventuele terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom langer duren dan vier jaar.
GVM
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een GVM. Aan de verdachte wordt een ongemaximeerde tbs-maatregel opgelegd. Beëindiging daarvan zal alleen kunnen plaatsvinden als het recidiverisico voldoende is teruggebracht. Dit maakt het opleggen van een GVM in dat geval overbodig.
6. Vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering [benadeelde partij 1]
, de zoon van het slachtoffer, heeft – na wijziging ter zitting – als benadeelde partij vergoeding van zijn schade gevorderd, te weten een bedrag van € 19.736,07, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van € 2.236,07 voor materiële schade, namelijk de uitvaartkosten van het slachtoffer en een vergoeding van € 17.500,- voor immateriële schade, namelijk affectieschade.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit, waarbij hij zijn moeder heeft verloren. De verdediging heeft de vordering niet betwist en de officier van justitie heeft deze toewijsbaar geacht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen.
Dit betekent dat de verdachte een totaalbedrag aan de [benadeelde partij 1] moet betalen van € 19.736,07, bestaande uit € 2.236,07 als vergoeding van materiële schade en
€ 17.500,- als vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 5 januari 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 123 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Vordering [benadeelde partij 2]
, de dochter van het slachtoffer, heeft – na wijziging ter zitting – als benadeelde partij vergoeding van haar schade gevorderd, een bedrag van € 17.500,- voor immateriële schade, namelijk affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit, waarbij zij haar moeder heeft verloren. De verdediging heeft de vordering niet betwist en de officier van justitie heeft deze toewijsbaar geacht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen.
Dit betekent dat de verdachte een totaalbedrag aan de [benadeelde partij 2] moet betalen van € 17.500,- als vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 5 januari 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 112 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Vordering [benadeelde partij 3]
, de schoondochter van het slachtoffer, heeft – na wijziging ter zitting – als benadeelde partij vergoeding van haar schade gevorderd, een bedrag van € 199,97 voor materiële schade, namelijk een bedrag van € 139,97 voor kleding uitvaart en een bedrag van € 60,- voor een rouwboeket, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit, waarbij zij haar schoonmoeder heeft verloren. De verdediging heeft de vordering niet betwist en de officier van justitie heeft deze toewijsbaar geacht.
De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom als niet betwist voor dit bedrag toegewezen.
Dit betekent dat de verdachte een totaalbedrag aan de [benadeelde partij 3] moet betalen van € 199,97, bestaande uit materiële schade.
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 5 januari 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;
TBS-maatregel
beveelt dat de verdachte voor het feit ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;
adviseert dat de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege direct, dan wel zo spoedig mogelijk, aanvangt;
Vorderingen benadeelde partijen
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 19.736,07, bestaande uit € 2.236,07 als vergoeding van materiële schade en € 17.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 5 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 2] te betalen een bedrag van € 17.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 5 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 3] te betalen een bedrag van € 199,97 als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf
5 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1]
aan de staat € 19.736,07 te betalen, en de wettelijke rente vanaf
5 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 123 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2]
aan de staat € 17.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf
5 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 112 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 3]
aan de staat € 199,97 te betalen, en de wettelijke rente vanaf
5 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,
en mrs. H. Wielhouwer en R.E. Drenth, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 maart 2026.
Mr. R.E. Drenth is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.