Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Enkelvoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-407956-24
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Datum zitting: 18 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteland],
ingeschreven op het adres
[adres 1], [postcode] te [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. M. van Loon
Officier van justitie: mr. T.W. van Gessel
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. T. Eskes, waarnemend voor mr. T. Oosthout-Eskes
Kern van het vonnis
De politierechter oordeelt dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt voor het geven van een klap in het gezicht van het slachtoffer, waardoor het slachtoffer ten val kwam. De verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde zwaar lichamelijk letsel als gevolg van deze mishandeling. Wel heeft de verdachte het slachtoffer mishandeld door hem meermaals te duwen, waardoor het slachtoffer ten val is gekomen. De verdachte wordt veroordeeld voor eenvoudige mishandeling.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – het slachtoffer heeft mishandeld, terwijl dit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 3 november 2024 te Dordrecht,
[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,
- tegen het lichaam te duwen en/of slaan (ten gevolge waarvan hij ten val is gekomen) en/of
- in/op/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting tussen schedel en hersenen ten gevolge heeft gehad.
2. Bewijs en partiële vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
Primair dient de verdachte te worden vrijgesproken omdat niet is gebleken dat de gedragingen in de slaapkamer pijn of letsel hebben opgeleverd. Daarnaast komt de verdachte voor de klap in het gezicht op de gang een geslaagd beroep op noodweer toe.
Subsidiair is hooguit sprake van een eenvoudige mishandeling door de duw in de slaapkamer en dient vrijspraak te volgen van de strafverzwarende omstandigheid.
Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 3 november 2024 te Dordrecht,
[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen
tegen het lichaam te duwen (ten gevolge waarvan hij ten val is gekomen).
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Op 3 november 2024 ben ik de kamer van [slachtoffer] ingegaan. Ik opende de deur en zag [slachtoffer] op zijn bed liggen. Ik ben op de camerabeelden te zien. Mijn gedraging in de kamer deugde niet. Ik had hem niet mogen duwen.
2. Proces-verbaal van de politie, beschrijving camerabeelden
Ik zag dat het camerabestand [bestand] een vooraanzicht had van de binnenkant van de kamer van het slachtoffer en op de deur was gericht. Ik zag dat de camerabeelden van goede kwaliteit waren en van een datum en tijdstempel voorzien waren. De datum betrof 3 november 2024. Ik zag op het aangeleverde bestand [bestand] het volgende:Om 22:59:10 uur zag ik een man in de deuropening van een kamer staan met een telefoon in zijn linkerhand. Ik noem hem man 1. Ik zag ook een man uit het bed stappen dat in deze kamer stond. Ik noem hem man 2.Om 22:59:12 uur zag ik dat man 1 met man 2 begon te praten. Ik zag dat man 2 uit bed stapte en alleen zijn ondergoed droeg. Ik zag dat man 2 naar man 1 toe liep.
Om 23:59:33 uur zag ik dat man 1 (hierna: verdachte) plotseling met zijn rechterarm naar man 2 (hierna: slachtoffer) uithaalde. Ik zag dat de hand van de verdachte contact maakte met de keel en het bovenlichaam van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer achteruitvloog en midden in zijn kamer hard op de grond terechtkwam op zijn rug.
Om 23.00:30 uur zag ik dat de verdachte het slachtoffer tegen de grond duwde. Het slachtoffer kwam voor de tweede keer hard op de grond terecht. Ditmaal kwam het slachtoffer op zijn rechterarm en zij terecht.
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever
Ik ben woonachtig in [naam gebouw] aan [adres 2]. Dit is een opvang voor Oekraïense vluchtelingen. Op 3 november 2024 omstreeks 23:00 uur lag ik te slapen. Ik hoorde dat de kamerdeur openging en ben toen gaan kijken. Ik zag dat er een man binnenliep. Ik herkende de man als mijn buurman. Ik hoorde mijn buurman tegen mij zeggen dat ik aan het schreeuwen was. Ik probeerde mijn buurman uit mijn kamer te krijgen. Ik zag dat mijn buurman voor mij stond. Ik voelde dat ik werd geduwd. Ik viel achterover met mijn rug op de grond. Ik stond weer op en werd even later weer hard op de grond geduwd.
Bewijsmotivering
Feiten en omstandigheden
Op 3 november 2024 waren zowel de verdachte als het [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) woonachtig bij de opvang van Oekraïense vluchtelingen in Dordrecht. Rond 23:00 uur is de verdachte de slaapkamer van het slachtoffer binnengegaan, omdat het slachtoffer veel geluid maakte en de verdachte wilde gaan slapen. In de slaapkamer ontstond een handgemeen, waarbij de verdachte het slachtoffer tweemaal geduwd heeft en waardoor het slachtoffer tweemaal ten val is gekomen. Vervolgens hebben zowel de verdachte als het slachtoffer de slaapkamer verlaten. Op de gang is wederom een handgemeen ontstaan, waardoor het slachtoffer opnieuw ten val is gekomen. Het slachtoffer is opgenomen in het ziekenhuis en vast is komen te staan dat het slachtoffer een bloeduitstorting had tussen de schedel en de hersenen aan de rechterzijde.
De politierechter begrijpt dat de opsteller van de tenlastelegging de bedoeling heeft gehad om het tenlastegelegde feit in twee fasen op te delen: het meermaals duwen van het slachtoffer in de slaapkamer enerzijds en het slaan van het slachtoffer in de gang anderzijds. Aan de hand hiervan wordt het feit beoordeeld.
De slaapkamer: eenvoudige mishandeling?
De politierechter stelt op basis van de aangifte, de verklaring van de verdachte en het proces-verbaal waarin de camerabeelden van de slaapkamer worden beschreven vast dat de verdachte het slachtoffer twee keer heeft geduwd, waardoor het slachtoffer twee keer met een behoorlijke kracht tegen de grond ten val is gekomen.
In het ziekenhuis is lichamelijk letsel geconstateerd bij het slachtoffer, maar omdat na het incident op de kamer nog een tweede voorval heeft plaatsgevonden waarbij hij letsel heeft opgelopen, is op basis van de medische gegevens niet vast te stellen welk letsel door het duwen in de kamer is veroorzaakt. Het is echter wel een feit van algemene bekendheid dat als iemand met een dergelijke kracht op de grond wordt gegooid, men daardoor pijn bekomt. Op de camerabeelden is te zien dat het slachtoffer niet met zijn hoofd de grond raakt. Aldus kan het zwaar lichamelijke letsel dat het slachtoffer aan zijn hoofd heeft opgelopen, niet als gevolg worden toegerekend aan de eenvoudige mishandeling in de slaapkamer.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering, acht de politierechter het ten laste gelegde onder het eerste gedachtestreepje bewezen. Dit levert een eenvoudige mishandeling op.
De gang: mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge?
De politierechter stelt op grond van de getuigenverklaringen van de medebewoners [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], en de verklaring van de verdachte het volgende vast. Na het incident in de slaapkamer, liep de verdachte vanuit de slaapkamer van het slachtoffer achteruit de gang op, met zijn handen omhoog. Het slachtoffer liep achter hem aan ook de gang op. Vervolgens ging het slachtoffer meerdere malen aan de armen van de verdachte hangen en bleef het slachtoffer de verdachte vasthouden. De verdachte zei meermaals dat het slachtoffer moest stoppen en hem met rust moest laten, en probeerde afstand te creëren tussen het slachtoffer en zichzelf door achteruit te lopen, maar het slachtoffer bleef op de verdachte afkomen. Ook probeerde het slachtoffer de verdachte te slaan. Vervolgens heeft de verdachte met de vlakke hand een klap gegeven op de rechterwang van het slachtoffer, waardoor het slachtoffer op de grond viel. De verdachte heeft verklaard dat hij dit deed uit zelfverdediging en met het doel het slachtoffer wakker te schudden. Dat de klap niet hard was wordt bevestigd door de getuigen Muksa en Zinchenko.
Of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het noodweerverweer is voldaan, moet de politierechter toetsen of de klap die de verdachte heeft gegeven (a) gericht was tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en (b) of die klap was “geboden door de noodzakelijke verdediging” waarin de zogenoemde subsidiariteits- en de proportionaliteitseis tot uitdrukking zijn gebracht.
De politierechter overweegt daarover als volgt.
De verdachte zag zich geconfronteerd met het slachtoffer dat hem, toen hij de kamer verliet, bleef volgen en agressief benaderde, hem niet los wilde laten, op hem af bleef komen en hem dreigde te slaan. Het is het slachtoffer dat nadat de situatie in de kamer beëindigd is omdat de verdachte de kamer verlaat, achter hem aan gaat en de confrontatie zoekt. De politierechter is van oordeel dat het handelen van het slachtoffer beoordeeld kan worden als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.
Dat deed verdachte door de aangever met een vlakke hand één klap in het gezicht te geven. Hierdoor kwam het slachtoffer te vallen en liet hij de verdachte los, waarna de verdachte zich kon onttrekken aan de situatie. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het handelen van de verdachte daarmee aan zowel de proportionaliteits- als de subsidiariteitseis. Dat maakt dat het beroep op noodweer slaagt.
Nu de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, ontbreekt de wederrechtelijkheid aan het handelen van de verdachte zoals ten laste gelegd onder het tweede gedachtestreepje. De wederrechtelijkheid vormt een impliciet bestanddeel, hetgeen leidt tot een partiële vrijspraak van het tenlastegelegde tweede gedachtestreepje. Daarmee zal de verdachte ook partieel worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid, nu dit hiermee in directe verbinding staat.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
mishandeling.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 2 dagen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een medebewoner van de vluchtelingenopvang door hem tweemaal hard te duwen, waardoor het slachtoffer tweemaal ten val kwam. Daarmee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De politierechter rekent het de verdachte aan dat dit geweld plaatsvond in de slaapkamer van het slachtoffer waar hij lag te slapen, bij uitstek een plek waar hij zich veilig zou moeten kunnen voelen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 16 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de aard en ernst van het strafbare feit en de draagkracht van de verdachte legt de rechtbank een geldboete van € 700,- op, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering is gesteld.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 21.655,- als vergoeding voor materiële schade, € 35.613,- als vergoeding voor immateriële schade en € 2.764,- aan wettelijke rente over de immateriële schade gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 280,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij kan voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat de vordering dermate onduidelijk is dat verdere behandeling een te zware belasting zou vormen voor het strafproces.
Standpunt van de verdediging
Primair moet de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak.
Subsidiair moet de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk worden verklaard, gelet op de omvang en de complexiteit van de vordering.
Meer subsidiair dient de vordering aanzienlijk te worden gematigd en kan de vordering slechts gedeeltelijk worden toegewezen.
De post ‘verblijf ziekenhuis’ dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de toelichting ziet op parkeergeld van familieleden en vrienden en dagelijkse consumptie in het ziekenhuis, hetgeen geen schade is die door de benadeelde partij zelf is geleden.
De post ‘verlies aan arbeidsvermogen’ dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze post onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.
De post ‘smartengeld’ is onvoldoende onderbouwd, waardoor ten aanzien van het letsel aan de hersenen aansluiting dient te worden gezocht bij een minder ernstige categorie van de Rotterdamse Schaal. Daarnaast dient het gevorderde bedrag ten aanzien van de gehoorschade te worden gematigd, gelet op de omstandigheden van het geval. Tot slot wordt verzocht de verhoging van 10% niet over te nemen, nu deze onvoldoende is gemotiveerd.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de posten ‘verblijf ziekenhuis’ en ‘verlies aan arbeidsvermogen’ met argumenten betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 350,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen.
De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte een beroep op noodweer toekomt ten aanzien van de klap in het gezicht van het slachtoffer waardoor mogelijk het zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Aldus is dit letsel in strafrechtelijke zin niet aan de verdachte toe te rekenen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 350,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 3 november 2024.
De rechtbank bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten draagt, omdat aan de verdachte een beroep op noodweer toekomt en een groot deel van de gevorderde schadevergoeding ziet op het onderdeel van de tenlastelegging waarvan de verdachte aldus wordt vrijgesproken.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 3 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 23, 24c, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Geldboete
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 700,-;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de geldboete volgens de maatstaf van € 50,- per dag, zodat € 600,- geldboete moet worden betaald;
beveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 350,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 3 november 2024 tot de dag van volledige betaling.
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 350,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 3 november 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 3 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.J.C. Spoormaker, politierechter,
in tegenwoordigheid van mrs. E.D. Bijl en P.M.J. Maas, griffiers,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 4 maart 2026.