Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/701068 / FA RK 25-4390
Beschikking van 2 maart 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. C.K. Visser te Oud-Beijerland,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.B. Chylinska te Zaandam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 10 juni 2025;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 23 januari 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 29 januari 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 02 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn de ouders van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 3 april 2023 hebben ondertekend. Zij zijn daarin het volgende overeengekomen:
de minderjarige verblijft vanaf maandag na school in de even weken bij de vrouw tot donderdag 19.00 uur, waarna de minderjarige tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft en door de vrouw wordt opgehaald;
de minderjarige verblijft dan tot en met woensdag in de oneven weken bij de vrouw, waarna de minderjarige tot en met maandag naar school in de even weken bij de man verblijft;
kerstvakantie: in de even jaren inclusief oud en nieuw bij de vrouw en op de kerstdagen bij de man, in de oneven jaren andersom.
De partijen hebben de Poolse nationaliteit.
3. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige en het verzoek tot wijziging van een zorgregeling.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
Raadsonderzoek
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om in deze zaak beslissingen te kunnen nemen zonder nader onderzoek van de raad. Zij zal dan ook in deze zaak niet vragen aan de raad om een onderzoek in te stellen.
Gezag
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan haar toekomt.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de rechtbank een raadsonderzoek te gelasten alvorens wordt overgegaan tot wijziging van het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad eveneens verzocht een raadsonderzoek te gelasten.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
De vrouw stelt dat [minderjarige] klem zit tussen zijn ouders. Als voorbeeld daarvan voert de vrouw aan dat zij sinds het gezamenlijk gezag drie procedures heeft moeten starten om vervangende toestemming te krijgen voor vakanties en een verhuizing naar [plaatsnaam] . Volgens de vrouw maakt de man misbruik van zijn gezag door zijn toestemming te weigeren voor bijvoorbeeld vaccinaties, hulpverlening en logopedie voor [minderjarige] . Daarmee stelt hij het belang van [minderjarige] niet voorop, aldus de vrouw. Verder stelt de vrouw dat zij en de man niet in staat zijn om overleg te voeren over [minderjarige] . De man betwist uitdrukkelijk de stellingen van de vrouw. Hij voert aan dat partijen wel degelijk communiceren over praktische zaken en dat het hen lukt om afspraken te maken met betrekking tot [minderjarige] . Het feit dat in enkele gevallen in het verleden vervangende toestemming nodig is geweest, betekent volgens de man niet dat sprake is van misbruik van gezag.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. In de eerste plaats is er geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem en verloren raakt tussen zijn ouders. Dat de vrouw driemaal een procedure heeft moeten starten is betreurenswaardig, maar dat leidt niet automatisch tot een onaanvaardbaar risico. De rechtbank is dan ook van mening dat de door de vrouw genoemde voorbeelden van onvoldoende gewicht zijn om het eenhoofdig gezag toe te wijzen. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat een wijziging van het gezag anderszins noodzakelijk is, zodat het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.
De rechtbank begrijpt dat het voor partijen lastig kan zijn om samen tot een beslissing te komen. Maar ook wanneer het lastig is, moeten partijen er samen uit zien te komen. Om die reden acht de rechtbank het, evenals de raad, van belang dat partijen eerst inzetten op hulpverlening ter verbetering van hun onderlinge communicatie. Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven open te staan voor hulpverlening. Daar zullen zij stappen moeten zetten.
De rechtbank waarschuwt de man wel dat er een grens zit aan het geduld dat met hem wordt betracht. De maat is nog niet vol, maar het zit er onderhand niet ver meer van af. Als er onvoldoende vooruitgang is in de communicatie en verhouding tussen partijen, dan zal op den duur gezamenlijk gezag niet te handhaven zijn. In het algemeen ligt het dan voor de hand dat degene bij wie de minderjarige het grootste deel van de tijd verblijft – de vrouw – dan degene is die het eenhoofdig gezag verkrijgt.
Zorgregeling
De vrouw verzoekt de zorgregeling dat is vastgelegd in het ouderschapsplan van 3 april 2023 als volgt te wijzigen:
- even weken:
- van maandagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school bij de vrouw;
- van donderdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school bij de man;
- van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de vrouw;
- oneven weken:
- van maandagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school bij de vrouw;
- van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man;
- kerstvakantie: in de even jaren geheel bij de man, in de oneven jaren geheel bij de vrouw.
Daarnaast verzoekt de vrouw vast te leggen dat de minderjarige in het weekend voorafgaand aan iedere vakantie vanaf zaterdag 18.00 uur verblijft bij de ouder met wie hij op vakantie gaat, ongeacht bij welke ouder hij dat weekend volgens de reguliere zorgregeling zou verblijven. Daarbij verzoekt zij tevens te bepalen dat de ouder met wie de minderjarige op vakantie gaat, kan beschikken over de identiteitskaart van [minderjarige] .
De man voert gemotiveerd verweer. Volgens de man biedt de huidige zorgregeling [minderjarige] stabiliteit en continuïteit en bestaat er geen noodzaak voor de door de vrouw verzochte wijziging.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De raad is van mening dat beide ouders vrije tijd met hun kind moeten kunnen doorbrengen. Omdat beide ouders werken, adviseert de raad dat beide ouders een weekend met de minderjarige moeten doorbrengen.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een gewijzigde omstandigheid, namelijk het feit dat de minderjarige inmiddels de leeftijd heeft bereikt waarop hij naar school gaat (en dat ook doet).
Ten aanzien van de reguliere zorgregeling is de rechtbank het met de raad eens dat beide ouders een weekend met de minderjarige moeten kunnen doorbrengen. Het is namelijk in het belang van de minderjarige dat hij ook voldoende vrije tijd met zijn moeder kan besteden, waaronder tijd in de weekenden. Om die reden zal de rechtbank het verzoek van de vrouw op dit punt toewijzen.
Wat de kerstvakantie betreft, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de minderjarige in de afgelopen kerstvakantie samen met de vrouw in Polen heeft verbleven. De man heeft geen steekhoudende argumenten aangedragen tegen de door de vrouw verzochte wijziging, die neerkomt op voortzetting van de huidige praktijk. De rechtbank zal het verzoek op dit punt toewijzen, omdat de regeling voor de kerstvakantie feitelijk anders verloopt dan in het ouderschapsplan is opgenomen.
Uit gebeurtenissen in het verleden is gebleken dat het ontbreken van afspraken tussen de partijen over de begin- en eindtijden van vakanties tot situaties heeft geleid waarbij [minderjarige] telkens op andere momenten bij de ouder verblijft waar hij volgens de vakantieregeling moet verblijven. De rechtbank is van mening dat het verzoek van de vrouw over de begin- en eindtijden bijdraagt aan duidelijkheid en voorspelbaarheid voor beide partijen en de minderjarige, zodat dit verzoek zal worden toegewezen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt het ouderschapsplan van 3 april 2022 in die zin dat de tussen partijen overeengekomen regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld als volgt:
- in de even weken:
- van maandagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school bij de vrouw;
- van donderdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school bij de man;
- van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de vrouw;
- in de oneven weken:
- van maandagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school bij de vrouw;
- van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man;
- kerstvakantie: in de even jaren geheel bij de man, in de oneven jaren geheel bij de vrouw;
- [minderjarige] verblijft in het weekend voorafgaand aan iedere vakantie vanaf zaterdag om 18.00 uur bij de ouder met wie hij op vakantie gaat, ongeacht bij welke ouder hij volgens de reguliere zorgregeling dat weekend zou verblijven. De ouder met wie [minderjarige] op vakantie gaat, beschikt gedurende die periode over zijn identiteitskaart;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.V. Calame, griffier, op 2 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.