Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/707985 / FA RK 25-7610
Beschikking van 2 maart 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. L.M. Baltazar de Seixas te Spijkenisse,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 7 oktober 2025;
het bericht met bijlagen van de man van 26 januari 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 27 januari 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] .
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hun mening schriftelijk kenbaar gemaakt.
2. De vaststaande feiten
De vrouw en [naam 2] (hierna: de vader) zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] .
De vader van de minderjarigen is overleden.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.
De man heeft in kort geding gevorderd een omgangsregeling vast te stellen, maar deze vordering is afgewezen bij vonnis van 13 november 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:13433).
3. De beoordeling
Omgangsregeling
De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de minderjarigen in de even weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij hem verblijven, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen waarbij hij de voorkeur heeft in de even jaren en de vrouw in de oneven jaren. De man realiseert zich dat een dergelijke regeling zal moeten worden opgebouwd.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechter kan op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, een omgangsregeling vaststellen of de omgang ontzeggen op grond van zwaarwegende belangen van het kind, waarvan een aantal is uitgeschreven in het vierde lid.
Nauwe persoonlijke betrekking
Net als in kort geding is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende nauwe persoonlijke betrekking om de man te kunnen ontvangen in zijn verzoek. Als onbetwist staat tussen partijen vast dat
de man al jaren deel uitmaakt van het leven van de minderjarigen;
langere tijd – in elk geval een half jaar – met de vrouw en de minderjarigen als gezin in één woning heeft samengeleefd;
de minderjarigen hem hebben aangesproken als papa;
na het beëindigen van hun relatie, partijen afspraken hebben gemaakt die neerkomen op een omgangsregeling en die veel verder gingen dan contacten tussen een min-of-meer-buitenstaander en een minderjarige.
Daar tegenover staat weliswaar dat de minderjarigen de man niet langer (willen) aanspreken als papa, maar dat op zichzelf is onvoldoende om de eerdere band verbroken te achten. Ook het feit dat het contact tussen de man en de minderjarigen eerst is verminderd en later is verbroken leidt er in deze zaak nog niet toe dat er geen nauwe en persoonlijke betrekking meer bestaat. Er zijn talloze gevallen waarin contact voor kortere of langere duur wordt onderbroken en bovendien is het niet op initiatief van de man dat dit is gebeurd, maar op initiatief van de vrouw. De man heeft na verbreking van het contact ook niet stilgezeten of onredelijk lang gewacht met deze procedure. Als nu (al) zou worden geoordeeld dat de nauwe en persoonlijke betrekking is verbroken, zou de man door de feitelijke handelingen van de vrouw de mogelijkheid worden ontnomen zijn zaak aan de rechter voor te leggen. Dat is in strijd met het recht.
De rechtbank verwerpt dan ook het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vrouw en gaat over tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het bepalen van een omgangsregeling strijdt is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen.
De minderjarigen hebben volstrekt duidelijk aangegeven dat zij de man niet langer zien als papa en ook niet langer zo willen zien. Dat is ook niet zo vreemd, want er is geen biologische band met de man. De rechtbank realiseert zich dat dit heel hard is voor de man, maar hij is niet de vader van de minderjarigen. Dat weten en begrijpen de minderjarigen heel goed en daar handelen ze naar. Dat valt hen niet te verwijten.
Daarnaast, als de rechtbank toch een omgangsregeling zou vaststellen dan worden de minderjarigen in een onmogelijke positie geplaatst. De spanningen die contacten tussen de man en de vrouw en overdrachten van de minderjarigen met zich zullen brengen, zullen niet verborgen blijven en dan vallen die (ook) op hun schouders. Zij zien dat hun primaire hechtingsfiguur het simpelweg niet trekt. Dat levert ernstige loyaliteitsconflicten op. Die zijn niet in het belang van de minderjarigen.
Deze omstandigheden doen zich in meer zaken voor waarin ouders uit elkaar gaan en een slechte onderlinge verhouding met elkaar hebben. In veel van die zaken worden dan hulpverlening en andere middelen ingezet. Maar, die zaken verschillen allemaal op een wezenlijk punt van deze zaak: de man is niet de vader van de kinderen. Hij is noch de biologische vader, noch de juridische vader. Het is belangrijk dat hij zich realiseert dat de situatie sinds het beëindigen van zijn relatie met de vrouw wezenlijk veranderd is en dat hij zich daaraan aanpast. Hoe hard voor de man ook: er moet duidelijkheid komen en deze beschikking zorgt voor die duidelijkheid. Dat is belangrijk voor alle partijen, maar vooral ook voor hen in wier belang die duidelijkheid het allermeest is: de minderjarigen.
Proceskosten
De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de kosten van de procedure. Zij voert daarvoor aan dat de procedure tot financiële zorgen en problemen heeft geleid en dat zij duidelijk genoeg heeft gemaakt dat zij een omgang niet in het belang van de minderjarigen acht.
Het uitgangspunt in familiezaken is dat, vanwege de relatie tussen partijen, de
proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten
draagt.
Het financiële argument van de vrouw is niet onderscheidend. Dat procederen geld kost, geldt immers voor alle rechtszaken en de overheid heeft een stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand in het leven geroepen dat dit punt adresseert. Als daarvan geen gebruik kan worden gemaakt, moet ervan uit worden gegaan dat de financiële positie van de vrouw voldoende is om de kosten te kunnen dragen.
Dat de vrouw vindt dat er geen recht op omgang bestaat is al evenmin een relevant argument, want het gegeven dat partijen het niet met elkaar eens zijn, ligt ten grondslag aan elk omgangsgeding. Dit is bovendien de eerste bodemzaak over de kwestie, dus de man kan niet worden verweten dat hij na herhaaldelijke negatieve rechterlijke beslissingen het tegen beter weten in nog eens probeert.
Kortom: de proceskosten zullen zoals gebruikelijk worden gecompenseerd tussen partijen.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 2 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.