ECLI:NL:RBROT:2026:2918

ECLI:NL:RBROT:2026:2918

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 09-03-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer ROT 25/4599
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Wabo – 46 flexwoningen voor starters, spoedzoekers en statushouders – onlosmakelijke samenhang gebiedsbescherming en soortenbescherming – vvgb gemeenteraad – laddertoets – mer – parkeren – belangenafweging – beroep gegrond rechtsgevolgen in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam, het college

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/4599

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],

5. [eiser 5],

6. [eiser 6] en [eiser 7],

7. [eiser 8],

8. [eiser 9],

9. [eiser 10],

10. [eiser 11],

11. [eiser 12],

12. [eiser 13],

13. [eiser 14],

uit Alblasserdam, eisers

(gemachtigde: mr. D.C. Alblas),

en

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

[naam stichting] uit Zwijndrecht (vergunninghoudster)

(gemachtigde: [naam 3]).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 46 flexwoningen ten behoeve van starters, spoedzoekers en statushouders voor de duur van maximaal vijftien jaar aan de [adres 1] (de locatie).

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eisers hebben op 25 juni 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het college heeft op 18 november 2025 nadere stukken ingediend en heeft op 15 december 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eisers hebben op 27 november 2025, 16 december 2025 en 2 januari 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het college heeft op 12 januari 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers [eiser 1], [eiser 2], [eiser 6], [eiser 8], [eiser 10], [eiser 12] en [eiser 14], allen bijgestaan door hun gemachtigde. Namens het college zijn hun gemachtigden verschenen en namens vergunninghoudster zijn verschenen haar gemachtigde en [naam 4].

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Op 20 december 2023 heeft vergunninghoudster bij verweerder een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van 46 flexwoningen voor de duur van maximaal vijftien jaar op de locatie (het project).

3. Het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het ontwerp van het bestreden besluit heeft vanaf 9 oktober 2024 voor de duur van zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben daartegen tijdig een zienswijze ingediend.

4. Het bestreden besluit is verleend voor de volgende activiteiten:

 bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo (hierna: a-activiteit);

 planologisch afwijken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (hierna: c-activiteit);

 Wet natuurbescherming flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo (hierna: i-activiteit).

Met het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend, waarbij het college ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en 1°, van de Wabo in samenhang met artikel 5.2.2 van de planregels van het bestemmingsplan “Parapluherziening Wonen en parkeernormen” van dat bestemmingsplan is afgeweken.

Daarnaast is het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en 3°, van de Wabo tijdelijk afgeweken van het bestemmingsplan “Herstelplan Alblasserdam” voor een periode van vijftien jaar. Aan die afwijking heeft het college onder andere ten grondslag gelegd dat de locatie via wijziging en aanvulling van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet (de Regeling; drieëntwintigste tranche) is toegevoegd. Hiermee wordt volgens het college een tijdelijke afwijking voor vijftien jaar in plaats van tien jaar mogelijk gemaakt.

Toetsingskader

5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, waaronder de Wabo, van toepassing blijft.

6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Artikel 6 van het BuChw

8. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college niet in redelijkheid een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen omdat de verlening ten onrechte is gebaseerd op artikel 6 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw). Niet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), maar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) is bevoegd om met een ministeriële regeling het toepassingsbereik van in een algemene maatregel van bestuur (amvb, namelijk artikel 6 van het BuChw) geregelde experimenten uit te breiden door aanwijzing van nieuwe gebieden en projecten. Dit maakt volgens eisers dat de in de Regeling aangebrachte wijziging, met toevoeging van de locatie aan artikel 6 van het BuChw, onverbindend is. Daarnaast kan artikel 6 van het BuChw en de reguliere procedure niet worden toegepast, omdat de aanvraag gedeeltelijk betrekking heeft op de natuurtoestemming. In dat geval volgen de a- en de c- activiteiten de procedure voor het verkrijgen van de natuurtoestemming. Dit betekent dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd en dat alleen kan worden afgeweken met artikel 2.12, eerste lid, onder a en 3°, van de Wabo. Gelet op artikel 6 van het BuChw is artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo niet van toepassing, maar het college heeft desondanks de uitgebreide voorbereidingsprocedure doorlopen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de Crisis- en herstelwet (Chw) niet meer geldt en dat, anders dan in de omgevingsvergunning is vermeld, geen rechtstreeks beroep mogelijk is bij de Afdeling, omdat artikel 2.3 van de Chw niet aan de orde is en er ook geen sprake is van een projectbesluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Chw. Verder is tussen partijen niet in geschil dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure is gevolgd. In het bestreden besluit staat onder de kopjes ‘Beroep instellen’ en ‘Voorlopige voorziening’ dat beroep kan worden ingesteld en dat om een voorlopige voorziening kan worden verzocht bij de Afdeling. Nu de Chw niet van toepassing is, stelt de rechtbank vast dat de rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit onjuist is wat in strijd is met artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat eisers bij de rechtbank tijdig een beroepschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening hebben ingediend.

Het college heeft verder op de zitting toegelicht dat artikel 6 van het BuChw niet als grondslag is gebruikt voor het bestreden besluit, maar dat dit artikel en de toelichting daarbij enkel is aangehaald als motivering voor de tijdelijkheid van het project. Het college stelt dat uit het bestreden besluit ook volgt dat het bestreden besluit is verleend op grond van de Wabo. Volgens het college is de tijdelijkheid van de omgevingsvergunning gebaseerd op artikel 2.23 van de Wabo in samenhang met artikel 5.16, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het college verwijst hiervoor naar voorschrift 1 in het bestreden besluit.

Eisers hebben op de zitting nog aangevoerd dat het college ten onrechte de grondslag van de aanvraag heeft verlaten. Eisers voeren hiertoe aan dat uit de aanvraag volgt dat de Chw van toepassing is op de aanvraag.

De rechtbank komt op basis van de stukken en wat daarover is aangevoerd tot het oordeel dat uit het bestreden besluit volgt dat het college een aanvraag heeft ontvangen op grond van de Wabo en niet de Chw, en dat uiteindelijk ook op die basis is beslist. De rechtbank ziet in wat eisers op de zitting hebben aangevoerd geen aanleiding om te concluderen dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten, zoals zij betogen.8.5 Deze beroepsgronden van eisers slagen niet.

Onlosmakelijke samenhang – gebiedsbescherming

9. Eisers betogen dat het college in redelijkheid niet een omgevingsvergunning heeft mogen verlenen, omdat niet alle onlosmakelijke activiteiten zijn aangevraagd. Volgens eisers is er sprake van strijd met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Bor. Eisers verwijzen hiervoor naar de artikelen 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Eisers achten het van belang te wijzen op de definitie voor ‘project’ als bedoeld in de Wabo, die anders is dan de definitie van het begrip ‘project’ in de zin van de Wnb. Ook het slopen van de bestaande bebouwing of het vergunningsvrij uitbreiden van beoogde bebouwing maken deel uit van het project in de zin van de Wnb. Ook als alle onderdelen van het project (alsnog) worden betrokken bij de beoordeling van de vergunningaanvraag, is dat onvoldoende omdat een plan moet worden beoordeeld in combinatie met andere plannen om na te gaan of geen sprake is van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. De stikstofgevolgen moeten volgens de jurisprudentie van de Afdeling tot 25 kilometer worden beoordeeld. Het college had het bouwplan in combinatie met andere plannen moeten beoordelen op significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Eisers verwijzen hiervoor specifiek naar de omgevingsvergunning voor de woning- en appartementsbouw op het terrein van voormalig Mercon Kloos, de Tuindershof, Wipmolenterrein, Fatimakerk, de bouw van een transferium en transformatorstation en het vervangen van de damwand en groot onderhoud in de rivierenbuurt. Omdat stikstof niet gemeente gebonden is, had het college de stikstofdepositie van andere bouwplannen vanuit andere gemeenten moeten betrekken. Uit de beschikbare gegevens bij de verleende omgevingsvergunning volgt niet dat een dergelijke beoordeling is gemaakt. Ook is de gebruiksfase en de verplaatsing van de speeltoestellen ten onrechte niet betrokken. Aan gedeputeerde staten is ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen gevraagd in verband met de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. In de aanvullende gronden van 25 juni 2025 hebben eisers nog aangevoerd dat uit de redactie van artikel 2.7 van de Wnb volgt dat beoordeeld moet worden of een plan in combinatie met andere plannen significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Het begrip ‘significante gevolgen’ moet ruim worden uitgelegd. Eisers verwijzen daarvoor naar pagina 44 van het richtsnoer van 21 november 2018 van de Europese Commissie over de uitleg van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dat met artikel 2.7 van de Wnb is geïmplementeerd. In het bestreden besluit en de ruimtelijke onderbouwing is geen aandacht besteed aan de significante gevolgen van stikstofdepositie en is er geen aandacht besteed aan cumulatie van projecten.

De rechtbank begrijpt het betoog van eisers aldus, dat hier weliswaar een natuurtoestemming is verleend door het opnemen van de i-activiteit in de omgevingsvergunning maar dat deze ten onrechte slechts ziet op de beschermde soorten (flora en fauna) terwijl er ook een natuurtoestemming noodzakelijk is vanwege de gebiedsbeschermingsbepalingen uit de Wnb. Vanwege de effecten van het bouwplan, in combinatie met andere bouwplannen, op beschermde Natura 2000-gebieden in de omgeving, ontbreekt in zoverre ten onrechte een natuurtoestemming in de omgevingsvergunning. Over dit betoog, overweegt de rechtbank als volgt.

De Afdeling heeft geoordeeld dat uit artikel 8:69a van de Awb volgt dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin betrokkene door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van betrokkene. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van een omgevingsvergunning die gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van 13 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR141) waaruit volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of dat soort verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van betrokkene, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met wat aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied, aldus de Afdeling in eerstgenoemde uitspraak. Deze vaste rechtspraak betekent voor deze zaak het navolgende.

De bouwlocatie en de woningen van eisers die daaromheen liggen bevinden zich in de dorpskern van Alblasserdam. Het dichtst bij de bouwlocatie en de woningen van eisers gelegen Natura 2000-gebied is Boezems Kinderdijk op een afstand van ongeveer tweeënhalve kilometer. De overige door eisers genoemde Natura 2000-gebieden zijn nog (veel) verder weg gelegen van de bouwlocatie en de woningen van eisers. De afstand tot de door eisers genoemde Natura 2000-gebieden is volgens de rechtbank te groot om verwevenheid aan te nemen. Andere omstandigheden die kunnen leiden tot zulke verwevenheid zijn gesteld noch gebleken. Vanwege het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a Awb kunnen eisers zich niet succesvol beroepen op schending van de bepalingen uit de Wnb die strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Dit betekent dat de gestelde schending van artikel 2.7 van de Wabo niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van wat eisers over gebiedsbescherming hebben aangevoerd, omdat het relativiteitsvereiste daaraan in de weg staat.

Onlosmakelijke samenhang – soortenbescherming

10. Eisers betogen dat het college in redelijkheid geen omgevingsvergunning heeft mogen verlenen, omdat niet alle onlosmakelijke activiteiten zijn aangevraagd. Eisers stellen zich op standpunt dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor. De Quickscan van Ecoresult (Quickscan) van 16 juni 2023 en het nader onderzoek van Ecoresult van 7 november 2023 zijn niet langer actueel, zodat deze onderzoeken niet aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd. De verklaring van geen bedenkingen van gedeputeerde staten is onvolledig omdat die alleen ziet op de gewone dwergvleermuis, terwijl ook andere diersoorten (onder andere de huismus) volgens eisers in aanmerking moeten worden genomen. Bovendien is de verklaring van geen bedenkingen ten onrechte niet voorafgaand aan de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd maar gelijktijdig.

Uit de Afdelingsjurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1830), volgt dat een natuurlijke persoon zich in beginsel niet succesvol kan beroepen op een algemeen belang zoals de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de plant- en diersoorten. Niet in alle gevallen kan op voorhand uitgesloten worden dat de bepalingen over soortbescherming in de Wnb ook bescherming bieden aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving van natuurlijke personen. De belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving kunnen zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk ook strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning van betrokkene en het plangebied, of in voorkomend geval, de locatie waarop het in een omgevingsvergunning voorziene project, dan wel andere handelingen worden uitgevoerd. In een geval waarin een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling op gronden waarop beschermde diersoorten voorkomen en de afstand van de woning van de betrokkene tot die gronden hemelsbreed meer dan honderd meter bedraagt, dan zal in zijn algemeenheid niet zo’n verwevenheid worden aangenomen.

Omdat eisers op korte afstand van de bouwlocatie wonen, zal de rechtbank eisers het relativiteitsvereiste niet tegenwerpen voor wat zij hebben aangevoerd over de soortenbescherming.

De Quickscan is uitgevoerd om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied tot een afstand van vijf kilometer tot dat gebied. Ten aanzien van de soorten is geconcludeerd dat negatieve effecten op bepaalde beschermde soorten en functies niet op voorhand zijn uitgesloten. Daarbij gaat het om verschillende soorten vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis). Negatieve effecten op overige soorten die vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of die nationaal beschermd zijn kunnen (wel) op voorhand worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of de potentiële natuurwaarden aanwezig zijn binnen het plangebied en om te bepalen of de werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben. Op 7 november 2023 heeft het vervolgonderzoek van Ecoresult naar vleermuizen plaatsgevonden. In dit onderzoek is geconcludeerd dat de activiteiten schadelijke gevolgen kunnen hebben op vleermuizen. Een verklaring van geen bedenkingen (van gedeputeerde staten) is nodig op grond van artikel 6.10a, eerste lid, in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor. Gedeputeerde staten heeft op 28 mei 2025 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor de gewone dwergvleermuis.

De rechtbank oordeelt dat wat eisers hebben aangevoerd te weinig concrete gegevens bevat om als aanknopingspunt te kunnen dienen om te twijfelen aan de actualiteit en de zorgvuldigheid van de door Ecoresult uitgevoerde Quickscan en het vervolgonderzoek die aan de verklaring van geen bedenkingen en de omgevingsvergunning ten grondslag zijn gelegd. Eisers hebben hun stellingen ten aanzien van de aanwezigheid van de beschermde soorten, zoals de huismus, ook niet met een deskundig tegenadvies onderbouwd. Nu er geen objectieve feiten naar voren zijn gebracht voor twijfel aan de ecologische onderzoeken ziet de rechtbank geen reden waarom het college niet heeft mogen uitgaan van het onderzoek van Ecoresult.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat het ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen ten onrechte niet voorafgaand aan de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd maar gelijktijdig met de ontwerp-omgevingsvergunning, overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, wordt een omgevingsvergunning niet verleend in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.

Op grond van artikel 3.11, derde lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, kunnen zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Awb naar voren worden gebracht mede betrekking hebben op het ontwerp van de verklaring bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo.

Op grond van artikel 6.10a, eerste lid, van het Bor wordt voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

In de (parlementaire) geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo staat dat de verklaring van geen bedenkingen alleen voorkomt in de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Wanneer een aanvraag is ontvangen, beoordeelt het bevoegd gezag of er aspecten zijn waarover een ander bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven. Als dat het geval is, stuurt het de aanvraag zo spoedig mogelijk naar het orgaan dat bevoegd is die verklaring te geven. Het ontwerp van de beslissing omtrent de verklaring van geen bedenkingen doorloopt dezelfde procedure als het ontwerpbesluit, wat betekent dat ten aanzien van beide onderdelen (ontwerpbesluit en ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen) zienswijzen kunnen worden ingediend. De beoordeling en eventuele verwerking daarvan in de definitieve beslissing over de verklaring worden gedaan door het orgaan dat bevoegd is de verklaring te geven.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de tekst van artikel 3.11, derde lid, van de Wabo en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo dat als een verklaring van geen bedenkingen is vereist, eerst een ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen ter inzage moet worden gelegd waartegen zienswijzen kunnen worden ingediend. Het ontwerp van de beslissing over een verklaring van geen bedenkingen dient tegelijkertijd met het ontwerp van het besluit waarop de verklaring betrekking heeft, ter inzage worden gelegd. Uit de ontwerp-omgevingsvergunning van 9 oktober 2024 volgt dat het college op 15 augustus 2024 een ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen heeft ontvangen. Het college heeft vervolgens het ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen in de ontwerp-omgevingsvergunning van 9 oktober 2024 opgenomen en voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Hiertegen konden zienswijzen worden ingediend. Eisers hebben bij brief van 18 november 2024 hun zienswijzen ingediend. Gedeputeerde staten hebben de verklaring van geen bedenkingen afgegeven op 28 mei 2025 en de zienswijzen bij de beoordeling betrokken. De rechtbank is gelet op deze gang van zaken van oordeel dat is voldaan aan de eisen die gelden voor het doorlopen van de procedure voor de verklaring van geen bedenkingen. Hierbij wordt nog overwogen dat er geen verplichting op gedeputeerde staten rust om in de verklaring van geen bedenkingen een eigen inhoudelijke beoordeling te geven, zoals eiser kennelijk (ten onrechte) veronderstelt (zie bijvoorbeeld ECLI:RVS:2016:921).

De beroepsgrond van eisers slaagt niet.

Termijn vijftien jaar

11. Eisers betogen dat het college in redelijkheid geen omgevingsvergunning heeft mogen verlenen, omdat de omgevingsvergunning ten onrechte geen grondslag bevat waarmee een tijdelijke omgevingsvergunning kan worden verleend. Uit de stukken blijkt niet op grond van welke bepaling een omgevingsvergunning voor de duur van vijftien jaar kan worden verleend.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het bestreden besluit volgt dat aan de omgevingsvergunning een maximale instandhoudingstermijn van vijftien jaar is verbonden, ingaande de dag na de oplevering van de woningen. In het bestreden besluit wordt voor de termijn van vijftien jaar onder andere verwezen naar de toelichting bij artikel 6 van het BuChw. Het college betoogt dat als het gaat om het bevorderen van duurzame en innovatieve toepassingen voor een activiteit er ‘voor een bepaalde termijn’ kan worden afgeweken en dat dit zo kan worden gelezen dat het (dus) voor een periode van langer dan 10 jaar kan. Uit voorschrift 1 van de omgevingsvergunning volgt dat op grond van artikel 2.23 van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 5.16, eerste lid, van het Bor na het verstrijken van de instandhoudingstermijn van vijftien jaar, vergunninghoudster gehouden is om de bouwwerken te slopen dan wel in de oorspronkelijke toestand terug te brengen. Het college heeft op de zitting toegelicht dat niet artikel 6 van het BuChw, maar de Wabo ten grondslag is gelegd aan de tijdelijkheid van het project en dat artikel 6 van het BuChw kan worden gezien als een motivering voor de tijdelijkheid van het project. Uit het bestreden besluit volgt dat de gemeente met het tijdelijk toestaan van de woningen op de locatie wil bijdragen aan een gezamenlijke huisvesting voor de drie doelgroepen. Doordat de woningen grotendeels in de fabriek worden geproduceerd, is de CO2- en stikstofuitstoot lager dan bij traditioneel bouwen op een bouwplaats. De woningen worden in een fabriek vervaardigd uit circulaire materialen en hebben een levensduur van meer dan 15 jaar. De woningen kunnen echter na verloop van tijd in hun geheel op een andere locatie worden gezet en worden hergebruikt. De rechtbank stelt vast dat artikel 2.23 van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 5.16, eerste lid, van het Bor een juridische grondslag bevatten voor de tijdelijkheid van de omgevingsvergunning. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunt om tot het oordeel te komen dat het college met het voorgaande onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is gekozen voor een periode van vijftien jaar.

De beroepsgrond slaagt niet.

Kruimelgevallenregeling

12. Eisers hebben hun betoog dat het juridisch niet mogelijk is om in een uitgebreide voorbereidingsprocedure alsnog de kruimelgevallenregeling toe te passen, ter zitting ingetrokken. Dit onderwerp behoeft daarom geen beoordeling.

Verklaring van geen bedenkingen

13. Eisers betogen dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend, omdat de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven terwijl dit op grond van artikel 6.5 van het Bor wel is vereist.

Tussen partijen is niet in geschil dat ten onrechte niet voorafgaand aan het bestreden besluit een verklaring van geen bedenkingen is gevraagd aan de gemeenteraad. Dit betekent dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft vanwege strijd met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor. In dat artikel is bepaald dat bij een aanvraag die betrekking heeft op een c-activiteit, de omgevingsvergunning (waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo via het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt afgeweken van het bestemmingsplan) niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. Zoals hiervoor in rechtsoverwegingen 10.3.1. en 10.3.2. is opgenomen, volgt uit de tekst van artikel 3.11, derde lid, van de Wabo en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo dat als een verklaring van geen bedenkingen is vereist, eerst een ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen ter inzage moet worden gelegd waartegen zienswijzen kunnen worden ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval geen ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen ter inzage is gelegd, maar dat op 4 november 2025 een definitieve verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad is afgegeven. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat niet is voldaan aan de eisen die gelden voor het doorlopen van de procedure voor de aanvraag van de verklaring van geen bedenkingen.

De beroepsgrond van eisers slaagt. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 6.5 van het Bor en artikel 3.11, derde lid, van de Wabo. Het beroep is daarom op deze punten gegrond. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd. Als een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer wordt bezien of aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten dan wel met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

Bij e-mail van 8 november 2025 heeft het college de verklaring van geen bedenkingen van 4 november 2025 overgelegd. Daarnaast heeft het college een raadsmemo van 30 oktober 2025 overgelegd.

Eisers stellen zich op het standpunt dat de verklaring van geen bedenkingen van 4 november 2025 niet alsnog aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd. Eisers stellen verder dat de raadsmemo van 30 oktober 2025 niet kan worden gekwalificeerd als een raadsvoorstel, omdat de raadsmemo niet aan de gemeenteraad voorstelt om een verklaring van geen bedenkingen af te geven. De raadsmemo is slechts ter kennisname aan de raadsleden toegezonden. Ook volgt uit de raadsmemo dat de inhoud daarvan niet in een collegevergadering is besproken en dat de raadsmemo niet door het college is vastgesteld. Eisers voeren tot slot nog aan dat de verklaring van geen bedenkingen geen blijk geeft van een belangenafweging door de gemeenteraad.

De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt hiertoe als volgt. In de verklaring van geen bedenkingen van 4 november 2025 staat dat de gemeenteraad met inachtneming van de in de omgevingsvergunning neergelegde ruimtelijke onderbouwing een verklaring van geen bedenkingen afgeeft. In de verklaring van geen bedenkingen staat ook dat de gemeenteraad het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 september 2025 heeft gelezen. Hieruit volgt volgens het college dat de gemeenteraad zich heeft kunnen vinden in de reactie van het college op de ontvangen zienswijzen en de nader gemotiveerde ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning. Het college verwijst hiervoor naar de raadsmemo van 30 oktober 2025. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat de raadsmemo van 30 oktober 2025 niet gezien kan worden als een raadsvoorstel, maar dat in de raadsmemo nadere informatie staat ter kennisgeving aan de gemeenteraad. Uit het dossier volgt verder dat het college in mei 2024 en september 2024 raadsinformatiebrieven naar de gemeenteraad heeft gestuurd. Uit deze raadsinformatiebrieven blijkt dat het college de gemeenteraad op de hoogte heeft gehouden van de ontwikkelingen van het project. Ook zit er in het dossier een raadsmemo van 20 juni 2025. Uit deze raadsmemo volgt dat de wethouder de gemeenteraad op de hoogte heeft gesteld van de recente ontwikkelingen van het project. Het college heeft in het verweerschrift nog meegedeeld dat een ieder in de gelegenheid is gesteld om zijn of haar zienswijzen bij de gemeenteraad kenbaar te maken. Eisers hebben daar volgens het college ook gebruik van gemaakt, namelijk tijdens de vergadering van de raadscommissie grondgebied van 28 oktober 2025. Dat eisers hebben ingesproken, hebben zij op de zitting bevestigd. Op de zitting heeft het college nog toegelicht dat de gemeenteraad over voldoende informatie over het project beschikte om over de verklaring van geen bedenkingen te kunnen beslissen. Gelet op genoemde stukken in het dossier en de toelichting van het college in het verweerschrift en op de zitting, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de gemeenteraad niet over voldoende relevante informatie heeft kunnen beschikken om tot een zelfstandig afgewogen oordeel te komen omtrent het project. De verklaring van geen bedenkingen kan daarmee de rechtsgevolgen van de besluitvorming dragen, ook al is deze pas na het bestreden besluit verstrekt. In dit kader acht de rechtbank het van belang dat eisers op de zitting hebben aangegeven dat zij daarover inmiddels ook alles hebben kunnen aanvoeren wat zij hebben willen aanvoeren, zodat zij niet in hun belang geschaad zijn. In deze situatie is het terugsturen van het bestreden besluit voor bestuurlijke besluitvorming door het college onnodig, omdat de gemeenteraad bij afgifte van de verklaring van geen bedenkingen beschikte over de voor zijn besluitvorming relevante informatie, waaronder de zienswijzen van eisers.

Omgevingsverordening Zuid-Holland

14. Eisers betogen dat het college in redelijkheid geen omgevingsvergunning heeft mogen verlenen, omdat de omgevingsvergunning in strijd is met de artikel 6.9 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (de Omgevingsverordening). Eisers voeren hiertoe aan dat in de omgevingsvergunning noch in de ruimtelijke onderbouwing inzichtelijk is gemaakt in hoeverre het bouwplan zich verhoudt tot de algemene richtpunten uit de Omgevingsvisie. Eisers stellen dat de omgevingsvergunning ten onrechte geen aandacht besteedt aan de transformatie dan wel de aanpassing van de gebiedsidentiteit als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling. Eisers hebben dit in hun zienswijze op het ontwerpbesluit al aangevoerd, maar het college heeft hier ten onrechte niet op gereageerd. Eisers stellen dat er sprake is van ‘aanpassen’ dan wel ‘transformeren’ en daarom dient de omgevingsvergunning een motivering te bevatten van de effecten van de ontwikkeling op het gebied en diende er een zorgvuldige afweging te worden gemaakt over de locatiekeuze. Verder stellen eisers dat op 28 mei 2024 Stichting Dorp, Stad en Land negatief heeft geadviseerd over de stedenbouwkundige inpassing van het project. Het college had zich volgens eisers aan dit advies moeten houden.

De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar de memo van BRO van 17 januari 2025. Uit deze memo volgt dat getoetst is aan de Omgevingsverordening. Ook volgt uit de memo waarom het college heeft geconcludeerd dat sprake is van ‘inpassen’. Volgens BRO is een ontwikkeling waarbij sprake is van ‘inpassen’, een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. Bij ‘inpassing’ veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. Het project is volgens BRO gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van het gebied. Volgens BRO is ter plaatse van het plangebied sprake van een woonwijk/stedelijk landschap en wordt het project ingepast in de bestaande identiteit en structuur van het landschap. Er worden nieuwe tijdelijke woningen gerealiseerd binnen een woonwijk op een kavel dat al bebouwd is (’grijs voor grijs’). Het plangebied wordt omlijst met een dichte groenstructuur. Tegelijkertijd wordt er hiermee voor gezorgd dat het effect van de nieuwe bebouwing op de omgeving beperkt is. De ruimtelijke kwaliteit blijft volgens BRO per saldo ten minste gelijk en waar mogelijk ontstaat er een verbetering.

De rechtbank oordeelt dat het college met verwijzing naar voornoemde motivering van BRO voldoende gemotiveerd heeft dat voldaan is aan de Omgevingsverordening en dat er sprake is van ‘inpassing’ en niet van ‘aanpassing’ of ‘transformatie’ zoals eisers hebben gesteld. Verder volgt uit de memo van BRO dat getoetst is aan de richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Eisers hebben niet aangevoerd waarom zij het hier niet mee eens zijn dan wel dat de verrichte toetst onvoldoende is. Het betoog van eisers slaagt niet.

De stelling van eisers dat het college zich had moeten houden aan het negatieve advies van de Stichting Dorp, Stad en Land, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In het bestreden besluit staat dat het college op 1 oktober 2024 heeft besloten om af te wijken van het negatieve stedenbouwkundige advies. De motivering daarvoor luidt als volgt:

“(…) Het plan bestaat uit 28 grondgebonden woningen van 2 bouwlagen en 18 studio’s van 3 bouwlagen. Stedenbouwkundig is aansluiting gezocht met de bestaande omgeving. Derhalve zijn aan de oostzijde de grondgebonden woningen gepositioneerd. Dit was ook vanuit omwonenden aan die zijde vanuit de participatie een vereiste. Het blok met de 18 studio's is aan de zijde van de Pieter de Hoochplaats gepositioneerd. In het plan komen 33 parkeerplaatsen verdeeld over twee parkeerkoffers gesitueerd bij de entrees. Op deze manier ontstaat er een autovrije groene ruimte in het midden van het plangebied. Om een kwalitatieve en veilige openbare ruimte te creëren is ervoor gekozen de woningen naar binnen te oriënteren. Op deze manier ontstaat er een groene verblijfsruimte als veilige thuishaven waar de toekomstig bewoners op uitkijken. De dichte groene rand, die zoveel als mogelijk behouden blijft, zorgt ervoor dat dit een logischer keuze is. Daarnaast is dezelfde groene rand van grote invloed op de posities van de woningen (door de kroon van de bomen). De verbinding met de omgeving wordt voornamelijk gemaakt door de nieuwe langzaam verkeersroutes op de omgeving te laten aansluiten, voornamelijk gericht op de verbinding aan de noordzijde met het park/speeltuin. Als de woningen naar de bestaande omgeving georiënteerd zouden worden is het gevolg dat meer groen (onderbeplanting) moet worden gesnoeid. Met die keuze was tevens geen sociaal, groen hart mogelijk geweest, waar huidige en toekomstige bewoners elkaar kunnen ontmoeten, maar een achterpad-situatie. Ook was meer verharding in de vorm van trottoirs nodig geweest. (…)” Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee toereikend gemotiveerd waarom het is het afgeweken van het aan haar uitgebrachte stedenbouwkundig advies. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.

De beroepsgrond van eisers slaagt niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking (laddertoets)

15. Eisers stellen zich op het standpunt dat sprake is van strijd met artikel 6.10 van de Omgevingsverordening, omdat ten onrechte geen laddertoets is verricht zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Eisers verwijzen hiervoor naar de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724). Voorts stellen eisers, onder verwijzing naar de Woonvisie Drechtsteden 2017-2031 en het Lokaal Uitvoeringsprogramma Wonen 2018-2031, dat voor de sociale huurwoningvoorraad gekozen wordt voor een pas-op-de-plaats-beleid en dat het streven is om het aantal sociale huurwoningen gelijk te houden. Uit het beleid volgt duidelijk dat er geen behoefte is aan een ruimtelijke ontwikkeling zoals hier aan de orde, aldus eisers.

Van een stedelijke ontwikkeling is volgens artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro, voor zover relevant, sprake bij een ruimtelijke ontwikkeling van woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij de bouw van meer dan elf woningen. De rechtbank stelt vast dat in dit geval meer dan elf woningen worden gebouwd, namelijk 46 woningen. Het college heeft in haar verweerschrift en op de zitting toegelicht dat sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ en dat de laddertoets is verricht. Dit is tussen partijen niet meer in geschil. De vraag die partijen nog verdeeld houdt is of er sprake is van een behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Uit de ruimtelijke onderbouwing van 12 december 2023 volgt dat het bouwplan voorziet in de realisatie van 40 tot maximaal 46 flexwoningen. De flexwoningen zijn bestemd voor starters, voor mensen die met spoed een huis nodig hebben en voor statushouders. De gemeente wil met het realiseren van flexwoningen de krapte op de huizenmarkt enigszins te verminderen. In paragraaf 3.4.2 (Lokaal Uitvoeringsprogramma Wonen) van de ruimtelijke onderbouwing wordt verder ingegaan op de woningbehoefte. De zogenoemde doorstroomwoningen blijven maximaal vijftien jaar staan. Het planvoornemen is passend binnen het Lokaal Uitvoeringsprogramma Wonen. Het college heeft in zijn verweerschrift nog toegelicht dat de gemeente, voor wat betreft de huisvesting van statushouders en de opvang van asielzoekers, een taakstelling heeft. De gemeenten in de regio Zuid-Holland Zuid hebben hierover afspraken met elkaar gemaakt waarbij is afgesproken dat de gemeente Alblasserdam voor extra plekken voor statushouders zorgt, terwijl andere gemeenten asielzoekers onderdak bieden.

Beoordeeld dient te worden of de beschrijving van de woningbouwbehoefte in de ruimtelijke onderbouwing gebrekkig is of leemten in kennis of onjuistheden bevat waardoor het college zich hierop niet heeft mogen baseren. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat er behoefte bestaat aan de bouw van 46 flexwoningen. Daarmee heeft het college voldaan aan de verantwoordingsplicht die uit artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voortvloeit. De stelling van eisers dat uit de Woonvisie Drechtsteden 2017-2031 en het Lokaal Uitvoeringsprogramma Wonen volgt dat er geen behoefte bestaat aan de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, volgt de rechtbank niet. Het college heeft in zijn verweerschrift voldoende toegelicht dat het pas-op-de-plaats-beleid niet betekent dat er geen sociale huurwoningen meer mogen worden toegevoegd, maar enkel dat het college het percentage sociale huurwoningen ten opzichte van de totale voorraad ongeveer gelijk wil houden.

De beroepsgrond van eisers slaagt niet.

Milieueffectrapportage

16. Eisers stellen zich op het standpunt dat ten onrechte geen m.e.r.-beoordeling is verricht, omdat sprake is van een activiteit in de zin van onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer). Het project is volgens eisers te kwalificeren als een stedelijk ontwikkelingsproject. Eisers stellen verder dat uit vaste rechtspraak volgt dat de tijdelijkheid van een ontwikkeling niet van belang is bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en evenmin of het perceel binnen of buiten de bebouwde kom ligt.

De Afdeling heeft overwogen dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie de uitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055). Uit deze uitspraak volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in onderdeel D, kolom 1, categorie 11.2 van de bijlage bij het Besluit mer, niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

In de ruimtelijke onderbouwing van 12 december 2023 is weergegeven dat het realiseren van tijdelijke flexwoningen niet onder onderdeel D, kolom 1, categorie 11.2, van het Besluit mer valt. Er is volgens het college dan ook geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. In dit geval gaat om het ontwikkelen 46 flexwoningen voor een termijn van maximaal vijftien jaar. De projectlocatie ligt niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies en worden er geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of -technologieën toegepast waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Verder blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Dit maakt de ontwikkeling in het plangebied volgens het college niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van de bijlage bij het Besluit mer. Daarom is het niet noodzakelijk een (zogenaamde vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

Het college heeft in haar verweerschrift nog het volgende toegelicht. In onderhavig project wordt een voormalig schoolgebouw in een woonwijk vervangen door 46 flexwoningen. Deze woningen zijn snel demonteerbaar en kunnen makkelijk worden verplaatst/verwijderd. De oppervlakte van de locatie is ongeveer 3.926 m² en het gehele bouwplan bedraagt 1.121 m². Wat de omvang betreft, is sprake van een beperkte wijziging van het toegestane gebruik, maar niet dusdanig dat gesproken kan worden van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het project blijft voor wat betreft het aantal woningen en oppervlakte ver onder de drempelwaarde van onderdeel D, kolom 2, categorie 11.2, van de bijlage van het Besluit mer.

De rechtbank is van oordeel dat het project, gelet op de aard en de omvang ervan, niet is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer zodat voor het bestreden besluit geen m.e.r.-beoordeling was vereist. De ruimtelijke impact van de functiewijziging op de omgeving is naar het oordeel van de rechtbank beperkt. De bestemming “Maatschappelijk – 1” wordt weliswaar gewijzigd naar de bestemming “Wonen”, maar op grond van de planregels mag op de locatie al een groot bouwvolume worden gerealiseerd tot een hoogte van vier meter. Verder acht de rechtbank van belang dat het plangebied in bestaand stedelijk gebied ligt, de oppervlakte van de locatie ongeveer 3.926 m² bedraagt en het bouwplan zelf 1.121 m² bedraagt. Bovendien wordt er binnen het bouwvlak gebouwd en wordt het project grotendeels binnen een bestaande omlijsting van een dichte groenstructuur. Ten aanzien van de stelling van eisers dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject om de enkele reden dat er 46 woningen worden gebouwd, merkt de rechtbank op dat de definitie van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer anders is dan de definitie van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de laddertoets waarbij de definitie is gekoppeld aan de bouw van meer dan elf woningen. Eisers gaan ten onrechte van dit laatste uit.

De beroepsgrond van eisers slaagt niet.

Parkeren

17. Eisers betogen dat het college het aantal parkeerplaatsen onjuist heeft berekend. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college ten onrechte, in aansluiting bij de parkeernormen die gehanteerd worden voor asielzoekers, een parkeernorm van 0,2 voor statushouders heeft gehanteerd. Daarnaast is ten aanzien van de groep spoedzoekers niet concreet gemaakt dat het voor deze groep realistisch is dat 60% een auto bezit. Ook dat starters minder dan één auto per woning zouden hebben is niet realistisch. Eisers stellen verder dat het op zichzelf waar kan zijn dat de provincie een parkeernorm van 0,7 hanteert, maar dat deze norm in Alblasserdam niet realistisch is. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze norm passend is voor dit project. Eisers stellen zich op het standpunt dat een parkeernorm van 1,2 of 1,5 per woning realistisch is en dat het project op eigen terrein in de parkeerbehoefte moet voorzien. 33 parkeerplekken voor 46 woningen is niet toereikend en zal bijdragen aan het afwentelen van de parkeerdruk op de omgeving. De parkeerdruk in de omgeving is al onevenredig hoog. Het college heeft daarnaast ten onrechte geen rekening gehouden met bezoekersparkeren.

In artikel 5.1 van het bestemmingsplan “Parapluherziening Wonen en parkeernormen” is opgenomen dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of gebruik dat in strijd is met het bestemmingsplan voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de beleidsregels in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan Alblasserdam van 29 oktober 2019 (het Vervoersplan) moet worden gerealiseerd.

De gemeentelijke parkeernormen zijn ontleend aan de algemene landelijke parkeercijfers van de CROW-publicatie (317) ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’.

Op grond van artikel 5.2.2. van het bestemmingsplan “Parapluherziening Wonen en parkeernormen” kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.1 indien (a) sprake is van sociale huurwoningen, en (b) de aanvraag is onderbouwd met een goede ruimtelijk onderbouwing en motivering waaruit blijkt dat de afwijking niet leidt tot onevenredige overlast in de omgeving.

Tussen partijen is niet in geschil dat het Vervoersplan en de CROW-publicatie geen specifieke parkeernormen bevatten voor de beoogde tijdelijke huisvesting van de drie betrokken doelgroepen (statushouders, spoedzoekers en starters). Uit de ruimtelijke onderbouwing van 12 december 2023 volgt dat het college de parkeernorm uit het parkeerbeleid van de provincie heeft overgenomen, namelijk een parkeernorm van 0,7 (inclusief bezoekers) per sociale woning. Uit het bestreden besluit volgt dat er 33 parkeerplaatsen door vergunninghoudster worden aangelegd. Naar aanleiding van de zienswijzen van eisers heeft Goudappel B.V. (Goudappel) in opdracht van het college een parkeernotitie geschreven. Uit deze parkeernotitie volgt dat het woningtype en de beoogde doelgroepen voor de parkeerbehoefte wezenlijk afwijken van de standaard woningtypen waardoor de verwachting is dat de parkeerbehoefte van de flexwoningen lager zal zijn dan bij standaard woningen. Goudappel heeft toegelicht wat onder de doelgroepen statushouders, spoedzoekers en starters wordt verstaan en heeft onderzocht wat het autobezit per doelgroep zal zijn. Voor de doelgroep starters (reguliere woningzoekenden sociale huur) gaat Goudappel uit van een autobezit van 0,62. Voor de doelgroep spoedzoekers is Goudappel op een autobezit van 0,46 auto per woning gekomen. Voor de doelgroep statushouders gaat Goudappel uit van 0,3 (inclusief bezoek) parkeerplaatsen en voor bezoekers 0,15 parkeerplaatsen. Op het maatgevende moment (zaterdagmiddag) is 0,53 parkeerplaats per flexwoning benodigd. De parkeerbehoefte wordt berekend door de parkeernorm te vermenigvuldigen met het aantal woningen. Op basis van deze berekeningen is de parkeerbehoefte maximaal (0,53 x 46 =) 24 parkeerplaatsen op het maatgevende moment (zaterdagmiddag) inclusief bezoekers voor de nieuwe flexwoningen. Goudappel concludeert dat nu vergunninghoudster voornemens is om 33 parkeerplaatsen op de locatie te realiseren, er ruim voldoende parkeergelegenheid in het bouwplan is opgenomen om in de parkeerbehoefte van de flexwoningen te voorzien. Het college heeft de conclusies uit de parkeernotitie van Goudappel overgenomen. Met de voorziene 33 parkeerplaatsen op de locatie voldoet de omgevingsvergunning ruim aan de parkeernormen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de rapportage van Goudappel worden aangemerkt als een deskundigenrapportage en het college heeft zich in redelijkheid hierop mogen baseren. De daarin gegeven motivering voor de te hanteren parkeernormen per flexwoning is voldoende overtuigend en het rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Eisers hebben geen tegenrapport ingediend en eisers hebben ook geen concrete aanknopingspunten ingebracht die aanleiding geven voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of aan de conclusies over de parkeerbehoefte.

De beroepsgrond van eisers slaagt niet.

Wet geluidhinder

18. Eisers betogen dat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening, omdat het college ten onrechte geen besluit over hogere grenswaarden heeft vastgesteld. Eisers voeren hiertoe aan dat het college met het akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder heeft gerekend met te weinig verkeersbewegingen. Uit het verkeerskundig onderzoek van Econsultancy van 28 maart 2024 volgt dat de geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 48 db(A) mag zijn. De geluidbelasting die is gemeten bedraagt 48 db(A). Volgens eisers had het college, omdat de geluidbelasting al het maximum bereikt, naar aanleiding van hun zienswijze nader onderzoek moeten verrichten.

Op de zitting hebben eisers deze beroepsgrond desgevraagd toegelicht en meegedeeld dat het eisers niet gaat om de geluidsbelasting door het wegverkeerslawaai op de gevels van de flexwoningen, maar om de te verwachte geluidsoverlast door het wegverkeerslawaai in het kader van een goed woon- en leefklimaat te plaatse van de woningen van eisers. Gelet hierop behoeft wat is aangevoerd met betrekking tot het besluit hogere grenswaarden geen beoordeling. Wat eisers aanvoeren in het kader van een goed woon- en leefklimaat wordt hieronder behandeld.

Het college stelt zich terecht op het standpunt dat de Wet geluidhinder alleen strekt tot bescherming van de belangen van (toekomstige) bewoners of gebruikers van de nieuwbouwwoningen. Eisers zijn geen eigenaren dan wel gebruikers van de flexwoningen. De rechtbank is van oordeel dat de eisen voor wat betreft de geluidbelasting door wegverkeerslawaai op de gevels van de flexwoningen kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eisers. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit.

Locatie niet geschikt en alternatieve locatie

19. Eisers stellen zich op het standpunt dat de locatie niet geschikt is. Het college heeft op basis van het locatieonderzoek de conclusie getrokken dat de locatie Sportpark Molenzicht ongeschikt is vanwege het principe ‘geen groen inwisselen voor stenen’. Eisers stellen dat de locatie Sportpark Molenzicht niet de bestemming ‘groen’ heeft maar ‘sport’. Volgens eisers is de locatie Sportpark Molenzicht aantoonbaar geschikter dan onderhavige locatie omdat de bebouwing niet gesaneerd hoeft te worden en de bodem niet bouwrijp gemaakt hoeft te worden. Ook is de omgevingsstructuur ruimer opgezet. Verder stellen eisers dat het suggestief is om de locaties vanuit financieel oogpunt te vergelijken zoals is gedaan in het due diligence onderzoek van maart 2023. Eisers stellen verder dat het college ten onrechte de kosten van planschade niet heeft meegenomen bij de afweging voor de keuze van een locatie.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet het college beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dit betekent dat, als het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren.Het is aan degene die stelt dat er betere alternatieven zijn, om dit aannemelijk te maken.

De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college vanwege de locatie de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Het college heeft in haar verweerschrift genoegzaam toegelicht dat het terrein op de locatie Sportpark Molenzicht nog geheel onbebouwd is, het terrein op dit moment niet beschikbaar is, dat het bestuur van sportvereniging CKC Kinderdijk niet positief is over bebouwing op hun terrein en dat het grasveld bij Sportpark Molenzicht in beeld is voor de aanleg van een beachvolleybalveld. Het college voegt hier nog aan toe dat de sportvoorzieningen bij Molenzicht in dit deel van Alblasserdam de enige plek is waar gesport kan worden en dat het grasveld ook wordt gebruikt door de kinderopvang ‘Wasko’. Het college concludeert dat de locatie Sportpark Molenzicht niet geschikt is voor de voorziene flexwoningen. Naar het oordeel van de rechtbank kan wat door eisers is aangevoerd niet tot de conclusie leiden dat het college had moeten kiezen voor het door eisers aangedragen alternatief omdat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren.

De beroepsgrond van eisers slaagt niet.

Sociale veiligheid

20. Eisers stellen zich op het standpunt dat uit het bestreden besluit niet volgt op welke wijze de sociale veiligheid van omwonenden is betrokken bij de belangenafweging. Het bij elkaar huisvesten van drie kwetsbare groepen personen in één ruimtelijke ontwikkeling leidt tot overlast in de nabije woonomgeving. De omgeving is volgens eisers niet geschikt voor deze doelgroepen. Ook voorziet het bestreden besluit niet in een beheerplan of een ander deugdelijk en adequaat beleid hoe wordt toegezien op de toekomstige bewoners van het project en in welke mate zij ondersteuning dan wel begeleiding ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft toegelicht dat bij het bestreden besluit het belang van het waarborgen van de sociale veiligheid is afgewogen. Uit het bestreden besluit volgt dat vergunninghoudster en de gemeente rekening houden met de (sociale) veiligheid van zowel de toekomstige bewoners als van de huidige omwonenden. Vergunninghoudster en de gemeente zijn in gesprek gegaan met een partij die het beheer, ook in de avond en in het weekend, voor haar rekening gaat nemen. Naast het beheer zal deze partij ook zorgen voor verbinding in de wijk. Hiervoor zal samenwerking worden gezocht met het al bestaande project Buurtkracht. Hierin werken vergunninghoudster, de gemeente en bewoners samen aan onderlinge verbinding om de ervaren veiligheid te versterken. Verder wordt het beheerplan vormgegeven door vergunninghoudster en de gemeente. Hier wordt een externe partij voor ingeschakeld. Vergunninghoudster heeft op de zitting meegedeeld dat dit proces loopt. Verder is overleg geweest over hoe omwonenden betrokken kunnen worden bij het beheerplan en de op te richten beheercommissie. Het college heeft in haar verweerschrift en op de zitting nog toegelicht dat tussen de gemeente en vergunninghoudster samenwerkingsafspraken zijn vastgelegd. Ook is er een selectieproces opgesteld waarbij kandidaten voor de flexwoningen worden gescreend en zijn er leefregels (of huisregels) opgesteld die onderdeel uitmaken van de af te sluiten huurcontracten met de toekomstige bewoners.

De beroepsgrond van eisers slaagt niet.

Bouwbesluit 2012 – brandveiligheid

21. Eiser voeren aan dat zij zich ernstig zorgen maken over de brandveiligheid in en rondom het project. Uit het onderzoek ‘Brandveiligheid van verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen’ van 18 april 2024 van het Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid volgt dat verduurzaamde en snel gerealiseerde woningen een ander brandverloop hebben dan gebruikelijke woningen. Gelet op de beperkte afstand tussen de flexwoningen en de woningen van eisers moet hier expliciet aandacht voor komen. Het bestreden besluit en het advies van de brandweer bevat zo’n afweging niet. Ook uit het rapport van Nelissen (Nelissen Ingenieursbureau B.V.) van 18 april 2024 volgt zo’n beschrijving niet. Dit rapport refereert zelfs aan een onjuist toetsingskader, namelijk het Besluit bouwwerken leefomgeving in plaats van het Bouwbesluit 2012. Verder volgt uit het rapport van Nelissen dat de berekening van brandoverslag alleen naar de flexwoningen zelf is gekeken en niet naar de omgeving. Eisers stellen dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012.

De rechtbank stelt vast dat de brandveiligheidseisen waarop eisers een beroep doen, zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze eisen strekken ter bescherming van de belangen van eigenaren en gebruikers van gebouwen waarvoor die eisen gelden en eigenaren van gebruikers van belendende gebouwen. Eisers behoren niet tot deze groep van personen. De woningen van bijna alle eisers staan op ruime afstand van de te bouwen flexwoningen. Eisers 11 en 12 wonen het dichtstbij de locatie, maar doordat tussen de flexwoningen op de locatie en de woningen van eisers 11 en 12 nog een looppad zit, ziet de rechtbank geen aanleiding om de woningen van eisers 11 en 12 als belendende gebouwen aan te merken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de brandveiligheidseisen niet strekken tot bescherming van de belangen van eisers. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat eraan in de weg dat het bestreden besluit om deze reden wordt vernietigd.

Zorgvuldigheidsbeginsel

22. Eisers stellen zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat ten onrechte geen bewonersadviesgroep (BAG) is opgericht. Ook is er strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat het college steeds schermt met de urgentie van het realiseren van de ruimtelijke ontwikkeling, terwijl het na het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning nog tien maanden heeft geduurd voordat het college een ontwerpbeschikking ter inzage had gelegd. Daarna heeft het nog acht maanden geduurd voordat de omgevingsvergunning was verleend.

De rechtbank stelt vast dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het oprichten van een BAG. Het college heeft op de zitting nog toegelicht dat met omwonenden is gesproken over het oprichten van een BAG, maar dat de groep de naam ‘Klankbordgroep’ heeft gekregen. De rechtbank oordeelt dat wat eisers op dit punt aanvoeren, en ook overigens, geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel oplevert. Ook het enkele tijdsverloop van acht maanden voor vergunningverlening is geen aanleiding om het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel te vernietigen.

Deze beroepsgrond slaag niet.

Verdeling doelgroepen

23. Eisers stellen zich op het standpunt dat de verdeling van de doelgroepen ten onrechte niet in het bestreden besluit is gewaarborgd. Het voorschrift op pagina 30 van het bestreden besluit is niet ondubbelzinnig en onvoldoende concreet. Ook is de verdeling van 1/3 starters, 1/3 spoedzoekers en 1/3 statushouders niet vastgelegd in het voorschrift. Verder stellen eisers dat de samenwerkingsovereenkomst en de anterieure overeenkomst niet door het college zijn overgelegd waardoor er strijd is met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank stelt vast dat in het voorschrift op pagina 30 van het bestreden besluit is vastgelegd dat de woningen bedoeld zijn voor drie doelgroepen, te weten starters, spoedzoekers en statushouders. Daarin staat ook dat de drie doelgroepen gelijk worden verdeeld over de flexwoningen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat er sprake is van een gelijke verdeling van 1/3 starters, 1/3 spoedzoekers en 1/3 statushouders. Het college heeft op de zitting nog toegelicht dat omdat het om 46 woningen gaat, het voor één doelgroep om 16 woningen zal gaan. De rechtbank oordeelt dat dit laatste niets afdoet aan het uitgangspunt ten aanzien van de gelijke verdeling van de doelgroepen en dat de gelijke verdeling voldoende gewaarborgd is. De rechtbank stelt verder vast dat samenwerkingsovereenkomst en de anterieure overeenkomst onderdeel uitmaken van de processtukken in beroep. Eisers hebben hiertegen geen nadere gronden aangevoerd, zodat aan dit punt voorbij wordt gegaan.

De beroepsgrond van eisers slaagt niet.

Belangenafweging

24. Eisers betogen dat het bestreden besluit ten onrechte geen belangenafweging bevat. Het standpunt van het college dat er wordt voldaan aan de ruimtelijk relevante wetgeving en dat daarom de omgevingsvergunning is verleend, is volgens eisers onvoldoende. De belangen van omwonenden zijn volgens eisers onvoldoende meegewogen in de besluitvorming. Eisers stellen verder dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de te verwachten geluidsoverlast door het wegverkeerslawaai en dat niet is onderzocht of de geluidbelasting op de woningen van eisers aanvaardbaar is. In de ruimtelijke onderbouwing wordt de verkeersafwikkeling van de ruimtelijke ontwikkeling afgezet tegen het huidig gebruik van de wegen terwijl de voormalige school Loopplank al drie jaar niet meer wordt gebruikt als schoolgebouw. Ook het aantal verkeersbewegingen is niet realistisch, omdat kinderen van groep 5 meestal zelf op de fiets naar school gaan. De school was bovendien wijkgebonden waardoor kinderen veelal met de fiets naar school werden gebracht. Het college heeft daarnaast ten onrechte alleen rekening gehouden met het gebruik van de woningen van de Ferdinand Bolsstraat, Paulus Potterstraat, Willem Marisstraat, Tooropstraat en Pieter de Hoochplaats. Het college had ook het kerkbezoek van de Eben-Haëzerkerk aan de [adres 2] mee moeten nemen. Verder is ten onrechte geen rekening gehouden met de verkeersstroom van de Ds. Joannes Beukelmanschool.

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat een goed woon- en leefklimaat niet aan de verlening van de vergunning in de weg staan. Uit paragraaf 1.1 van hoofdstuk 1 ‘Inleiding’ van de ruimtelijke onderbouwing van 12 december 2023 van BRO volgt dat voor het project een ruimtelijke onderbouwing is opgesteld waarmee wordt aangetoond dat het project niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat en dat voldaan wordt aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is van oordeel dat het college de belangen in voldoende mate heeft afgewogen. Het college heeft op de zitting toegelicht dat met ‘overige belangen’ die zijn afgewogen ook de belangen van omwonenden worden bedoeld. Het college heeft geconcludeerd dat het belang van vergunninghoudster bij dit project in dit geval zwaarder weegt dan de belangen van eisers. De belangen van eisers worden volgens het college niet onevenredig geschaad aangezien er geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat is.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de te verwachten geluidsoverlast door het wegverkeerslawaai, overweegt de rechtbank dat wat eisers aanvoeren geen aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid heeft mogen baseren op het rapport wegverkeerslawaai van Econsultancy van 28 maart 2024. Daartoe wordt het volgende overwogen. Het college heeft toegelicht dat bij het bepalen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening binnen de Drechtsteden gebruik wordt gemaakt van een nauwkeurig verkeersmodel waarin alle vastgestelde ruimtelijke plannen zijn opgenomen, te weten de Regionale Verkeers- en Milieu Kaart (RVMK). De door eisers aangehaalde Ferdinand Bolstraat, Paulus Potterstraat, Willem Marisstraat, Tooropstraat en de Pieter de Hoochplaats zijn niet opgenomen in de RVMK. Voor de bepaling van de etmaalintensiteit op deze wegen is uitgegaan van acht verkeersbewegingen per woning. Gezien het type woningen in dit woongebied betreft dit een worstcasescenario en daarom zal de werkelijke geluidbelasting vermoedelijk eerder lager dan hoger uitvallen. Verkeersstromen als gevolg van de Eben-Haëzerkerk en de Ds. Joannes Beukelmanschool zijn wel meegenomen in de RVMK. Vanwege hun ligging dragen zij niet of verwaarloosbaar bij aan een toename van de verkeersintensiteit op de Pieter de Hoochplaats. Daarbij kan ook gesteld worden dat niet alle bezoekers van de kerk en het personeel van de school altijd met de auto zullen komen. Ten aanzien van de stelling van eisers dat het huidige gebruik op de projectlocatie nul moet zijn, stelt het college terecht dat het bestemmingsplan leidend is en dat het gaat om wat planologisch maximaal mogelijk is. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in het geluidonderzoek gehanteerde aannames en berekeningen onjuist zijn en zij hebben ook geen deskundig tegenrapport ingediend. Gelet hierop mocht het college het verkeersmodel ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. Uit de ruimtelijke onderbouwing van 12 december 2023 (pagina 11) volgt dat sprake zal zijn van een afname van 144 bewegingen van motorvoertuigen per etmaal.

Naar het oordeel van de rechtbank is er verder geen grond voor het oordeel dat het college in de aan de omgevingsvergunning ten grondslag liggende belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van omwonenden of dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de te verwachten gevolgen van realisering van het project, waaronder de belangen van het voorkomen van verkeerslawaai. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen grondslag voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van eisers niet onevenredig wordt aangetast.

De beroepsgrond van eisers slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 6.5 van het Bor en artikel 3.11, derde lid, van de Wabo. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand. Dit omdat het college het gebrek heeft hersteld door alsnog een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad te overleggen die de rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen dragen.

26. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat het college het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

27. Eisers hebben bij brieven van 16 december 2025 en 2 januari 2026 de rechtbank gevraagd om twee extra procespunten.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) neergelegde vergoedingsstelsel een forfaitair karakter heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:787). Indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, kan op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit van dit forfaitaire stelsel worden afgeweken. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van dit forfaitaire stelsel onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.

Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat die tot een hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding zouden moeten leiden. Eisers stellen dat zij meermaals aanvullende beroepsgronden hebben moet aanvoeren omdat het college meermaals nadere stukken heeft overgelegd, maar dat levert op zichzelf geen bijzondere of ‘schrijnende’ omstandigheid op. Het verzoek om een hogere vergoeding van de proceskosten wordt afgewezen. De vergoeding voor de proceskosten wordt met toepassing van het Bpb als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt dan ook € 1.868,-. Het college moet de proceskostenvergoeding betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, voorzitter, en mr. J.J.R. Lautenbach en mr. C.M. van Hoorn, leden, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning geweigerd voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, indien: de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Op grond van artikel 2.17 van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken algemene maatregel van bestuur.

Op grond van artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

Op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°.

Op grond van artikel 3.11, derde lid van de Wabo kunnen zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren worden gebracht, en adviezen van de krachtens artikel 2.26 aangewezen adviseurs mede betrekking hebben op het ontwerp van de verklaring. Voor zover dat het geval is, zendt het bevoegd gezag ze onverwijld aan het bestuursorgaan dat de verklaring geeft. Dit deelt zijn oordeel daarover mee aan het bevoegd gezag.

Bouwbesluit 2012

Op grond van artikel 1.14, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 zijn op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk wat betreft de hoofdstukken 2 tot en met 6 de voorschriften voor een bestaand bouwwerk van toepassing, tenzij in de desbetreffende afdeling voor een voorschrift anders is aangegeven.

Omgevingsverordening Zuid Holland (geldend in december 2023)

Artikel 6.9 (Ruimtelijke kwaliteit)

1.Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

2.Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap.

3.Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid.

4.Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij:

a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of

b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid.

5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden:

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen;

b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen;

c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

6.Specifieke regels voor de gebiedstypen als opgenomen in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d. 6.9e, 6.9f en 6.9g, zijn van toepassing, tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 6.9e, in de weg staat.

7.Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van:

a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt;

b. wegnemen van verharding;

c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;

d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij

i. aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering;

ii. indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast.

(…)

Artikel 6.10 (Stedelijke ontwikkelingen)

1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;

b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.

Bestemmingsplannen

Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen “Parapluherziening Wonen en parkeernormen” en “Herstelplan Alblasserdam”.

Binnen het bestemmingsplan “Herstelplan Alblasserdam” heeft de locatie de enkelbestemming “Maatschappelijk-1” en de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 5”. Binnen de bestemmingen geldt een maximaal toegestane bouwhoogte van vier meter en daarnaast is er een bouwvlak.

Op grond van artikel 20.1 van het bestemmingsplan “Herstelplan Alblasserdam” zijn de voor Maatschappelijk - 1 aangewezen gronden bestemd voor:

Artikel 5.1 van het bestemmingsplan “Parapluherziening Wonen en parkeernormen” luidt:

Aan de bestemmingsplannen die genoemd zijn in Artikel 3 onder a worden de volgende regels toegevoegd:

Artikel 5.2.2 van het bestemmingsplan “Parapluherziening Wonen en parkeernormen” luidt:

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.1:

Besluit omgevingsrecht (Bor)

Artikel 2.2aa

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

Artikel 6.5

Artikel 6.10a, eerste lid,

Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

Wet natuurbescherming (Wnb)

Artikel 2.7:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?