RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
de burgemeester van de gemeente Nissewaard
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/736
(gemachtigde: mr. V. Poelmeijer),
en
(gemachtigde: [persoon A] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Woonbron uit Rotterdam (Woonbron).
De burgemeester heeft de woning van verzoeker met spoed gesloten voor de duur van drie maanden, omdat in de woning een handelshoeveelheid harddrugs, versnijdingsmiddel, drugsgerelateerde attributen en meerdere wapens zijn gevonden. Verzoeker is het hier niet mee eens en vraagt om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat zij de sluiting in dit geval een voldoende geschikt, noodzakelijk en ook evenwichtig middel vindt.
Procesverloop
1. Op 20 januari 2026 heeft de burgemeester de spoedsluiting bevolen van de woning aan de [adres] in [plaats 2] (de woning) voor de duur van drie maanden. Met het bestreden besluit van 22 januari 2026 heeft de burgemeester de sluiting schriftelijk aan verzoeker bevestigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Namens Woonbron is niemand verschenen.
Verder waren op de zitting aanwezig: de ouders van verzoeker en een ambulant begeleider.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker is huurder van de woning. De woning is eigendom van Woonbron. Naast verzoeker staat ook zijn zoon [naam zoon] (2013) op het adres van de woning ingeschreven.
3. De woning is op 31 december 2025 bij de politie in beeld gekomen nadat een 14-jarige jongen op straat door de politie werd staande gehouden met een taser (in de vorm van een zaklamp), die hij naar eigen zeggen bij verzoeker had gekocht.
Omdat in de politiesystemen, in de afgelopen vijf jaar, meerdere meldingen van (drugsgerelateerde) overlast en verboden wapenbezit over verzoeker en de woning bekend zijn, heeft de politie besloten de woning op grond van de Wet Wapens en Munitie (WWM) te doorzoeken. Hiertoe is in samenspraak met de officier van justitie een inval in de woning gedaan op 20 januari 2026. Tijdens de doorzoeking werden meerdere wapens, zoals een kruisboog met 12 pijlen, een sabel met foedraal, een luchtbuks en munitie (kogelpatronen) aangetroffen. Daarnaast werden ook meerdere zakjes met verdovende middelen (amfetamine en MDMA) in de woning aangetroffen, alsmede het versnijdingsmiddel polyetheen glycol, een weegschaal en verpakkingsmateriaal (schone lege gripzakjes).
In totaal werden bruto 120,8 gram harddrugs in de woning aangetroffen (naast netto 29,2 gram softdrugs).
De bevindingen van de huiszoeking zijn neergelegd in de voorlopige bestuurlijke rapportage van 22 januari 2026 en de aanvullende bestuurlijke rapportage van 26 januari 2026.
Waar gaat deze zaak om?
4. Na de huiszoeking heeft de politie de burgemeester op 20 januari 2026 verzocht om met spoed een bestuurlijke maatregel te treffen. De burgemeester heeft hierop het besluit genomen om de woning met onmiddellijke ingang voor de duur van drie maanden te sluiten. Dit besluit is op 22 januari 2026 op schrift gesteld. De burgemeester acht zich bevoegd om de woning te sluiten. Een sluiting van drie maanden is volgens de burgemeester een geschikt en noodzakelijk middel om de daarmee beoogde doelen te bereiken en daarnaast voldoende evenwichtig, gelet op de belangen die met de sluiting zijn gediend.
5. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat de woning weer open mag, totdat op het bezwaar is beslist.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
De voorzieningenrechter neemt in deze zaak het spoedeisend belang wel aan.
De spoedsluiting heeft tot gevolg dat verzoeker nu drie maanden lang geen toegang heeft tot zijn woning en, al dan niet tijdelijk, dakloos is. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij momenteel slaapt bij vrienden en kennissen, maar dat hij daar niet lang kan blijven.
De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Juridisch kader
8. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in de gemeente Nissewaard tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Nissewaard 2019. Volgens dit beleid gaat de burgemeester bij het aantreffen van meer dan 5 gram harddrugs in een woning in beginsel over tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.
Bevoegdheid
9. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen, indien in een lokaal (waaronder begrepen: een woning) een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is. Als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van 0,5 gram harddrugs (of minder) de aangetroffen hoeveelheid nog als een gebruikershoeveelheid kan worden gezien.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in de woning in ieder geval ruim 100 gram amfetamine en MDMA is aangetroffen. Amfetamine en MDMA komen voor op lijst I van de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheid betreft een ruime overschrijding van wat nog als een gebruikershoeveelheid wordt gedoogd. Naast de harddrugs zijn in de woning ook versnijdingsmiddel, een weegschaal, verpakkingsmateriaal, diverse wapens en munitie aangetroffen. De burgemeester heeft daarom kunnen aannemen dat de drugs in de woning aanwezig waren voor de verkoop, aflevering en/of verstrekking in of vanuit de woning. Verzoeker heeft niet betwist dat de burgemeester bevoegd is om de woning te sluiten.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om daar anders over te oordelen.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel moeten volstaan?
10. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Hij dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe de eerder genoemde Beleidsregels vastgesteld. Een sluiting van de woning voor drie maanden past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester dan in alle gevallen zonder meer tot sluiting kan overgaan. Steeds zal hij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn om de met de sluiting gediende doelen te bereiken.
Geschiktheid
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning op zichzelf een geschikt middel is om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het herstel van de openbare orde, het wegnemen van de loop op de woning en de bekendheid van de woning in het criminele (drugs)circuit en het verder voorkomen van overtredingen in of vanuit de woning. Een sluiting is tevens een geschikt middel om een signaal af te geven aan de omgeving en aan drugscriminelen, dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
Noodzaak
12. Indien de sluiting geschikt is dient de burgemeester wel de noodzaak van de sluiting te beoordelen. Daarbij gaat het om de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel (een waarschuwing of last onder dwangsom) had kunnen en dus moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
De burgemeester hanteert bij het toepassen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet het beleid dat bij het aantreffen van meer dan 5 gram harddrugs in een woning in beginsel wordt overgegaan tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden. Daarbij wordt volgens paragraaf 3.1.4. van de Beleidsregels ook de ernst van het geval betrokken. In dat kader wordt gekeken naar strafbare feiten van de overtreder, geweldsdelicten, wapenbezit of andere openbare orde problematiek die gerelateerd is aan de woning. Ook aantoonbare (drugs)overlast met betrekking tot het pand of andere panden van de eigenaar kan daarbij een rol spelen. Ook de betrokkenheid van minderjarigen wordt meegenomen in de vaststelling van de ernst van de situatie.
De voorzieningenrechter beoordeelt daarom aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding of de sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel in drugs in of vanuit het pand, zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal. Daarbij draagt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling aan de noodzaak voor een sluiting ook bij of het pand is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk.
De voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat de situatie die op 20 januari 2026 in de woning is aangetroffen als ernstig kan worden aangemerkt. Naast een (ruime) handelshoeveelheid van meer dan 100 gram harddrugs, zijn in de woning ook versnijdingsmiddel, een weegschaal, verpakkingsmateriaal en meerdere wapens en munitie aangetroffen. Daarnaast blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat er sinds 23 december 2023 zeker 33 meldingen bij de politie, gemeente en de verhuurder zijn binnengekomen van ernstige en structurele overlast op het adres van de woning. Het gaat daarbij om drugsgerelateerde overlast, woonoverlast, drugshandel, diefstal, intimidatie van omwonenden en politie-invallen op het adres van de woning. Uit deze overlastmeldingen valt ook af te leiden dat sprake is van (veel) loop op de woning, wat een sterke aanwijzing vormt dat in of vanuit de woning drugs werden verhandeld. De vergelijking met de uitspraak van deze rechtbank van 3 oktober 2022 gaat al daarom niet op.
Bij de ernst van de situatie speelt voor de voorzieningenrechter ook mee dat tijdens de politie-inval ook de minderjarige zoon van verzoeker in de woning aanwezig was.
De burgemeester heeft op basis van de aangetroffen zaken in de woning, de vele overlastmeldingen en het feit dat daaruit blijkt van sterke aanwijzingen voor drugshandel in of vanuit de woning, mogen aannemen dat de woning onderdeel uitmaakt van de keten van drugshandel, of in ieder geval bekend is in het criminele (drugs)circuit.
De burgemeester heeft voldoende gemotiveerd dat dit de sluiting van de woning noodzakelijk maakt om de loop op de woning eruit te halen, de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen en verdere herhaling en overlast te voorkomen.
Spoedsluiting
De burgemeester heeft tevens voldoende gemotiveerd waarom in dit geval een sluiting met onmiddellijke ingang noodzakelijk was. Niet alleen vanwege de hoeveelheid harddrugs en de wapens, maar met name ook vanwege de hoeveelheid overlastmeldingen en de strafrechtelijke antecedenten van verzoeker op het gebied van de Opiumwet en de WWM, heeft de burgemeester het redelijke vermoeden kunnen hebben dat de openbare orde en veiligheidssituatie in de buurt zwaar onder druk zijn komen staan en dat het risico op verdere (drugsgerelateerde) criminele activiteiten nog niet is geweken.
De burgemeester heeft deze situatie als dermate spoedeisend kunnen aanmerken dat een schriftelijk besluit niet kon worden afgewacht en daarom terecht besloten om de woning met onmiddellijke ingang te sluiten. Met de sluiting wordt niet alleen een signaal afgegeven aan criminelen, dat in deze woning niets meer valt te halen, maar ook naar omwonenden dat de klachten over de inbreuken op de openbare orde en de veiligheidssituatie in de buurt serieus genomen worden. Naar de voorzieningenrechter overigens begrijpt waren voor de burgemeester vooral de vele overlastmeldingen in de maanden voorafgaand aan de politie-inval op 20 januari 2026 doorslaggevend en dus niet (alleen) de meldingen die na de inval zijn ontvangen.
Na de spoedsluiting heeft de burgemeester met het besluit van 22 januari 2026 alsnog zo spoedig mogelijk de schriftelijke vastlegging van de sluiting aan verzoeker bekend gemaakt.
Aan de spoedsluiting doet niet af dat de politie bij de inval alle drugs en wapens al in beslag heeft genomen. De voorzieningenrechter is verder met de burgemeester van oordeel dat de doelen die met de sluiting zijn beoogd niet enkel kunnen worden bereikt met het geven van een waarschuwing of een last onder dwangsom.
Evenwichtigheid
13. Naast de noodzaak voor de sluiting, moet ook worden nagegaan of de sluiting evenwichtig is. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate waarin de drugshandel de bewoner kon worden verweten. De burgemeester moet de nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner(s) van de woning afwegen tegen de doelen die hij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het besluit tot sluiting ook de gevolgen daarvan betrekken.
Verwijtbaarheid
De voorzieningenrechter stelt voorop dat inherent is aan de sluiting dat verzoeker de woning al dan niet tijdelijk moet verlaten. Daarbij is verzoeker als hoofdbewoner van de woning verantwoordelijk voor wat er zoal in de woning gebeurt. Het kan verzoeker dan ook worden verweten dat hij personen in de woning heeft toegelaten die in het bezit zijn van (hard)drugs (en deze bij vertrek in de woning achterlaten). De voorzieningenrechter volgt verzoeker daarbij niet in de stelling dat hij geen weet had van de drugs die in de woning zijn aangetroffen.
Tegenover de politie heeft verzoeker verklaard dat de drugs in de EHBO-kist in de gangkast zonder zijn medeweten zijn achtergelaten door een vriend die tijdelijk bij hem inwoonde nadat zijn woning was gesloten en drie weken daarvoor was vertrokken.
De voorzieningenrechter acht het echter niet aannemelijk dat dit kistje verzoeker in die drie weken niet is opgevallen. Maar los daarvan heeft verzoeker tijdens de politie-inval ook verklaard dat er een klein beetje drugs voor eigen gebruik op de eettafel lag. Vervolgens heeft de politie in een lade onder de eettafel ongeveer 20 MDMA-pillen aangetroffen. Hiervan kan verzoeker in ieder geval een verwijt worden gemaakt.
Daarbij komt dat verzoeker op 23 augustus 2023 al eens een bestuurlijke waarschuwing heeft gehad voor verboden wapenbezit en indicaties van wapenhandel. Daarbij is hem meegedeeld dat bij een volgende vergelijkbare constatering de woning gesloten kan worden. Verzoeker wist dus van de mogelijkheid tot sluiten en had zich daarom bewust kunnen zijn van de consequenties van zijn gedrag en van de situatie in de woning. Dit heeft hem er niet van weerhouden strafbare feiten, onder meer op grond van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie, te blijven plegen.
Uit het voorgaande volgt dat verzoeker van de situatie wel degelijk een verwijt kan worden gemaakt.
Buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst.
Als gevolg van de sluiting is verzoeker al dan niet tijdelijk dakloos geworden. Daarbij heeft Woonbron verzoeker inmiddels bericht dat zij ook los van het besluit van de burgemeester van plan is om tot (buitengerechtelijke) ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan. Dit betekent dat verzoeker na ommekomst van de sluitingsduur van drie maanden zeer waarschijnlijk niet naar de woning kan terugkeren. De voorzieningenrechter acht dit echter van onvoldoende gewicht om de sluiting niet evenwichtig te achten.
Daarbij laat de voorzieningenrechter meewegen dat verzoeker tegen de ontruiming van de woning een rechtsmiddel kan indienen.
Situatie van de 12-jarige zoon
De situatie van de minderjarige zoon van verzoeker maakt de sluiting niet alsnog onevenwichtig. Niet is gebleken dat de zoon dakloos zal worden als gevolg van de sluiting. Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat vanaf de aanvang van de sluiting is gebleken dat de zoon kon terugvallen op een beschikbaar netwerk. Hij is ondergebracht bij zijn moeder, die ook het eenhoofdig gezag over hem heeft, en heeft dus nog steeds onderdak. Het enkele gegeven dat de zoon een autismespectrumstoornis heeft en naar een speciale school in Spijkenisse gaat, is onvoldoende om de sluiting niet evenwichtig te achten. Niet is gebleken dat de zoon op dit moment niet naar (deze) school kan gaan. Op de zitting heeft verzoeker verklaard dat de schoolgang van zijn zoon nu via zijn ouders loopt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester voldoende zorgvuldig meegewogen dat geen sprake was van een situatie die afwijking van het beleid rechtvaardigde.
Zienswijze
14. Gezien het spoedeisende karakter van de sluiting heeft de burgemeester verzoeker niet eerst in de gelegenheid hoeven stellen om een zienswijze in te dienen. Maar ook als sprake zou zijn van een gebrek ziet de voorzieningenrechter hierin nog geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat dit gebrek nog in de bezwaarprocedure kan worden hersteld. Daarbij heeft verzoeker in het kader van deze voorzieningenprocedure voldoende gelegenheid gehad om zijn zienswijze tegen de (spoed)sluiting naar voren te brengen.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woning gesloten blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: