ECLI:NL:RBROT:2026:2995

ECLI:NL:RBROT:2026:2995

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer ROT 25/9768
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Sv, vovo, bijstandsuitkering, afgewezen, inkomsten hoger dan de norm, berekening. Het college heeft met het bestreden besluit de aanvraag van verzoekster om een (aanvullende) uitkering op grond van de Participatiewet afgewezen. Verzoekster is het met de afwijzing niet eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat verzoekster geen aanspraak maakt op een (aanvullende) bijstandsuitkering en wijst het verzoek daarom af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/9768

en

(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Het college heeft met het bestreden besluit de aanvraag van verzoekster om een (aanvullende) uitkering op grond van de Participatiewet afgewezen. Verzoekster is het met de afwijzing niet eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat verzoekster geen aanspraak maakt op een (aanvullende) bijstandsuitkering en wijst het verzoek daarom af.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft op 7 oktober 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd als aanvulling op de uitkering die zij op grond van de werkloosheidswet ontvangt (WW-uitkering).

Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft op 18 februari 2026 een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

2. Verzoekster (1959) woont sinds 2016 in bij haar zus, als mantelzorger. Nadat haar zus op 14 december 2023 is overleden is verzoekster, met toestemming van de familie, in de woning blijven wonen. Tot het overlijden van haar zus betaalde verzoekster haar maandelijks een bedrag van € 300,- aan huur. Na het overlijden is zij gestopt met huur betalen. Op dit moment loopt er nog een gerechtelijke procedure met betrekking tot de erfenis en de boedelverdeling.

3. Met ingang van 1 maart 2024 heeft het Uitkeringsinstituut werknemers-verzekeringen verzoekster een WW-uitkering toegekend, aangevuld met een uitkering op grond van de Toeslagenwet (de toeslag). Het recht op een WW-uitkering eindigt op 3 maart 2026.

Waar gaat deze zaak om?

4. Het college heeft de bijstandsaanvraag afgewezen, omdat de maandelijkse uitkering die verzoekster op grond van de WW (inclusief toeslag en vakantietoeslag) ontvangt hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. In het verweerschrift van 18 februari 2026 heeft het college dit standpunt nader onderbouwd met een gedetailleerde berekening.

5. Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met haar verzoek bereiken dat haar alsnog een bijstandsuitkering wordt toegekend als aanvulling op de WW-uitkering, tot 24 september 2026, zijnde de datum waarop zij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Spoedeisend belang

6. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.

7. Verzoekster voert aan dat zij met haar WW-uitkering op dit moment onder het bestaansminimum uitkomt en moeite heeft om de maandelijkse lasten en andere noodzakelijke kosten (medische kosten, aanmaningskosten, juridische kosten en gemeentelijke en regionale heffingen) te betalen. Hoewel deze kosten niet zijn onderbouwd en niet is gebleken dat verzoekster door het niet betalen van de vaste lasten het huis uit zal worden gezet, of van gas, water of elektriciteit zal worden afgesloten, en zij voor de genoemde kosten ook een betalingsregeling zou kunnen treffen, ziet de voorzieningenrechter hierin nog wel redenen voor het aannemen van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af

8. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

9. Verzoekster heeft een bijstandsuitkering aangevraagd ter aanvulling op haar WW-uitkering. Op het moment van de bijstandsaanvraag van 7 oktober 2025 ontving verzoekster een WW-uitkering (inclusief toeslag) tot een bedrag van € 1.065,- per maand. Dit bedrag is volgens verzoekster aanzienlijk lager dan het voor haar geldende wettelijk sociaal minimum van € 1.362,30. Verzoekster kan zich in de berekening van het college niet vinden.

De berekening kan volgens haar niet kloppen, omdat daarin geen rekening wordt gehouden met de maandelijkse reservering voor de huurbetaling. Verzoekster betaalt weliswaar op dit moment geen huur, maar acht zichzelf nog wel huurplichtig. Omdat zij zelf de executeur-testamentair is voor haar overleden zus en de huur niet aan zichzelf kan uitbetalen, reserveert zij maandelijks een bedrag van € 300,-. De gereserveerde bedragen zullen volgens verzoekster op termijn met de boedel worden verrekend en dienen daarom nu als (fictieve) huurbetaling bij de berekening van de hoogte van de bijstandsuitkering te worden meegenomen.

10. De voorzieningenrechter kan verzoekster in dit standpunt niet volgen.

Uit de uitkeringsspecificaties over de maanden september, oktober en november 2025 blijkt dat verzoekster ten tijde van de bijstandsaanvraag een bruto WW-uitkering (inclusief toeslag) ontving van € 1.260,90. Hiervan ontving zij een bedrag van € 1.065,32 (netto) op haar bankrekening.

Daarnaast heeft verzoekster recht op een vakantietoeslag van € 64,78 per maand. Het college heeft de netto WW-uitkering (€ 1.065,32) en de vakantietoeslag bij elkaar opgeteld en vastgesteld dat verzoekster feitelijk een inkomen heeft van € 1.130,10 (netto) per maand. De voorzieningenrechter ziet geen reden deze berekening voor onjuist te houden.

Het college heeft in het kader van de bijstandsaanvraag ook berekend wat verzoekster aan bijstand zou hebben ontvangen, indien zij geen andere inkomsten zou hebben. Daarbij is het college uitgegaan van de situatie dat verzoekster op dit moment geen huur betaalt. Het college heeft de eventuele bijstandsuitkering daarom berekend naar de norm van een 'alleenstaande zonder woonlasten’. De berekening wordt dan als volgt.

De gehuwdennorm bedroeg op het moment van de bijstandsaanvraag 100% van het minimumloon per 1 juli 2025: € 1.955,80 per maand.

De norm voor een alleenstaande is 70% van de gehuwdennorm: € 1.369,06.

De norm voor een alleenstaande zonder woonlasten is 50% van de gehuwdennorm: € 977,90 (inclusief vakantietoeslag).

Het college heeft hierbij nog een bedrag van € 150,- opgeteld, omdat verzoekster heeft aangegeven dat zij dit bedrag per maand kwijt is aan kosten voor bewoning van het huis (gemeentelijke belastingen: € 40,- per maand, regionale belastingen: € 30,- per maand en kosten bewoning en tuinonderhoud: € 80,- per maand). Het maandelijkse bedrag aan bijstandsuitkering waar verzoekster eventueel recht op zou hebben gehad als zij geen andere inkomsten zou hebben zou daarmee neerkomen op € 1.127,90.

Dit is € 2,20 minder dan de WW-uitkering (€ 1.130,10, inclusief vakantietoeslag) die verzoekster ontvangt.

De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in de stelling dat het college rekening had moeten houden met eventuele reserveringen voor de huurbetaling.

Verzoekster heeft zelf verklaard dat zij na het overlijden van haar zus is gestopt met het betalen van huur. Dit komt erop neer dat verzoekster al vanaf 1 januari 2024 feitelijk geen huur meer heeft betaald en daarom op dit moment geen woonlasten heeft in de vorm van huur. Dat verzoekster zichzelf nog wel steeds als huurplichtig ziet en daartoe naar eigen zeggen maandelijks een bedrag van € 300,- reserveert, betekent niet dat zij op dit moment daadwerkelijk huur betaalt. Het geld blijft immers bij haar en zij kan hier nog steeds vrijelijk over beschikken. Er is ook geen sprake van een afdwingbare en reële betalingsverplichting. Verzoekster is zelf de executeur-testamentair. Zij bouwt hoogstens een schuld op die bij de boedelverdeling kan worden verrekend.

Het college stelt zich daarom op goede gronden op het standpunt dat de inkomsten van verzoekster (lees: de WW-uitkering inclusief de toeslag en de vakantietoeslag) ten tijde van de aanvraag hoger waren dan de voor haar geldende bijstandsnorm.

Dit is nadien niet veranderd. Het college heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om verzoekster een aanvullende bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet toe te kennen.

11. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Wel is het zo dat het recht van verzoekster op een WW-uitkering (al) op 3 maart 2026 zal eindigen. De voorzieningenrechter raadt verzoekster daarom aan om tijdig een nieuwe bijstandsaanvraag te doen.

12. Hetgeen verzoekster verder nog op de zitting heeft aangevoerd, zoals haar grieven ten aanzien van de verhoging van de AOW-leeftijd, valt buiten de omvang van dit geschil en zal de voorzieningenrechter daarom verder niet bespreken.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen bijstandsuitkering krijgt als aanvulling op haar WW-uitkering. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?