Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer TUL: 10-090133-22
Datum uitspraak: 16 februari 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,
raadsman mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam.
1. Feiten
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2022 is de veroordeelde wegens een poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Een deel van die straf, groot 12 maanden is voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Tevens is aan de veroordeelde de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd (hierna: GVM-maatregel). De einddatum van de detentie van de veroordeelde is 21 februari 2026.
2. Procesverloop
De rechtbank heeft op 16 december 2025 van het openbaar ministerie (hierna: OM) een vordering tot tenuitvoerlegging van de GVM-maatregel ontvangen. De vordering is tijdig ingediend; het OM is daarom ontvankelijk in de vordering.
Aan de vordering ligt ten grondslag een rapport van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de reclassering) van 24 november 2025 over de veroordeelde.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 13 januari 2026 en 16 februari 2026. Op de zitting van 13 januari 2026 bleek dat het OM de verkeerde deskundige had opgeroepen. Het onderzoek op de zitting is daarom geschorst en aangehouden tot de zitting van 16 februari 2026.
Op de zitting van 16 februari 2026 zijn de officier van justitie, mr. J.B. Wooldrik, en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. Tevens is een vervanger van degene die met het reclasseringstoezicht is belast (hierna: de reclasseringswerker) als deskundige gehoord.
3. Beoordeling
Toetsingskader
De GVM-maatregel ex artikel 38z lid 1 Sr is primair bedoeld voor de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank kan de tenuitvoerlegging van de GVM-maatregel op grond van artikel 6:6:23b lid 1 Sv gelasten als:
a. er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen; of
b. dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.
Motivering rechtbank oplegging GVM-maatregel
De rechtbank Rotterdam heeft in haar vonnis van 9 augustus 2022 geoordeeld dat de GVM-maatregel aangewezen is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen en goederen, gelet op wat is vermeld in de over de veroordeelde opgemaakte rapporten. De rechtbank heeft de GVM-maatregel opgelegd zodat, indien dat te zijner tijd noodzakelijk wordt geacht, toezicht kan worden gehouden op de situatieve context waarin de verdachte zich dan beweegt. De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:
‘Daarnaast is een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als
bedoeld in artikel 38z. eerste lid, Sr (hierna: maatregel langdurig toezicht) noodzakelijk. Uit
de justitiële documentatie en het reclasseringsadvies blijkt dat sprake is van een groot
gevaar voor herhaling van geweldsfeiten. Om de veiligheid van anderen en de algemene
veiligheid van personen of goederen te beschermen, dient de verdachte langdurig onder
toezicht te staan.
Ook aan de overige wettelijke vereisten voor de oplegging van de maatregel langdurig
toezicht is voldaan. De verdachte zal namelijk worden veroordeeld tot een (gedeeltelijk
voorwaardelijke) gevangenisstraf wegens een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Gelet op het voorgaande zal de maatregel langdurig toezicht worden opgelegd.’
Advies reclassering
Het reclasseringsadvies van 24 november 2025 houdt onder meer het volgende in.
In 2017 is de veroordeelde gediagnostiseerd met aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD, overwegend onoplettend), post traumatische stress-stoornis en zwakbegaafdheid (IQ 70). Volgens de reclassering en de casemanager van de PI [naam P.I.] lijkt deze diagnose nog actueel. De reclassering ziet als risicoverhogende factoren van de veroordeelde: het niet verblijven in een forensische woonsetting, zijn verslavingsproblematiek, zijn licht verstandelijke beperking, zijn houding en het niet in staat zijn om zich te conformeren aan regels, afspraken en bijzondere voorwaarden. De veroordeelde verblijft niet meer in een forensische woonsetting vanwege een aantal (seksuele) incidenten. Daarnaast is hij een aantal keer veroordeeld in 2025 en laat hij ook binnen de gestructureerde setting van de PI Vught agressief gedrag zien. Daarom schat de reclassering het recidiverisico nog altijd als hoog in.
Volgens de reclassering kan of wil de veroordeelde niet inzien dat hij hulp nodig heeft en dat hij zelfstandig niet in staat is om de meeste praktische zaken te regelen. De reclassering ziet de veroordeelde als een man die vooral zelfbepalend wenst te zijn. Volgens de reclassering zal de veroordeelde in 2026 zonder enige vorm van begeleiding, ondersteuning of toezicht detentie verlaten. Het re-integratietraject blijkt in de praktijk nog geen vorm te hebben gekregen. Uit referenteninformatie blijkt dat de veroordeelde nog nergens voor is aangemeld. Alleen de gemeente Rotterdam heeft laten weten dat zij de veroordeelde zullen ondersteunen indien hij bereid is zijn volledige medewerking te geven.
De reclassering vindt het noodzakelijk dat er een vangnet is voor de veroordeelde na zijn detentie. De reclassering adviseert tenuitvoerlegging van de GVM-maatregel onder de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan bewindvoering, mentorschap en/of curatelestelling en eventueel een uitreisverbod.
Op de zitting heeft de deskundige verklaard dat de reclassering blijft bij haar advies. De toezichthouder heeft vorige week nog contact gehad met de casemanager en met de gemeente Rotterdam. De reclassering vindt toezicht noodzakelijk gelet op de motivatieproblematiek van de veroordeelde. De veroordeelde is inmiddels aangemeld voor ambulante behandeling, maar er is geen zicht op wanneer de behandeling van start kan gaan. Ook staat hij op een wachtlijst voor begeleid wonen, maar de verdere status daarvan is op dit moment onbekend. De veroordeelde kan naar een nachtopvang in Rotterdam als hij in vrijheid wordt gesteld en begeleid wonen nog niet beschikbaar is.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de GVM-maatregel gevorderd voor een periode van twee jaar, met twee weken vervangende hechtenis voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Op de zitting heeft zij de vordering nader gespecificeerd door aan de bijzondere voorwaarde van de ‘ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)’ toe te voegen dat de klinische opname enkel kan worden uitgevoerd na goedkeuring van de rechtbank.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van de GVM-maatregel niet noodzakelijk is. De veroordeelde werkt wel degelijk mee aan zijn re-integratie. Hij heeft zich aangemeld voor ambulante behandeling van Humanitas en begeleid wonen bij Antes. De veroordeelde kan een uitkering aanvragen en starten met bewindvoering zodra hij in vrijheid wordt gesteld. Reclasseringstoezicht is daar niet bij nodig en zou de veroordeelde kunnen overvragen.
Beoordeling vordering
Op grond van het advies van de reclassering, de mondelinge toelichting daarop door de deskundige en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een misdrijf zal begaan waarvoor een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd.
Ten tijde van de strafzaak oordeelde de rechtbank het recidiverisico als hoog. Hoewel de veroordeelde heeft aangetoond zijn best te doen voor zijn re-integratie, blijkt dat het recidiverisico (nog steeds) hoog wordt ingeschat. De rechtbank vindt de toewijzing van deze vordering daarom noodzakelijk ter voorkoming dat de veroordeelde wederom een misdrijf begaat waarvoor een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd. De veroordeelde heeft ondersteuning nodig op verschillende sociaal-maatschappelijke gebieden. De reclassering kan toezicht en ondersteuning bieden aan de veroordeelde bij het organiseren van passende zorg- en hulpverlening na afloop van zijn detentie, voor het geval de huidige aanmeldingen (toch) niet passend blijken voor de veroordeelde of niet tijdig kan worden aangevangen met de zorg- en hulpverlening. Op deze manier kan de veroordeelde op een veilige manier terugkeren in de samenleving. Reclasseringsbegeleiding kan daarbij ook als waarborg gelden om snel en adequaat te kunnen ingrijpen op eventuele ontregelingen van de veroordeelde.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de tenuitvoerlegging van de GVM-maatregel gelasten voor een periode van twee jaren, zoals door de officier van justitie is gevorderd.
De veroordeelde zal zich daarnaast aan de voorwaarden moeten houden die van rechtswege aan de bijzondere voorwaarden zijn verbonden, zoals vermeld in artikel 6:6:23b lid 3 Sv.
Wanneer de veroordeelde (de gestelde voorwaarden gekoppeld aan) de GVM-maatregel niet naleeft, zal vervangende hechtenis worden toegepast bij iedere keer dat de veroordeelde een voorwaarde overtreedt. De rechtbank zal de duur van die vervangende hechtenis per keer bepalen op ten hoogste twee weken. De totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de GVM-maatregel niet op.
4. Beslissing
De rechtbank:
gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 9 augustus 2022 van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam aan veroordeelde opgelegde maatregel trekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, voor een periode van twee jaren;
stelt daarbij de volgende bijzondere voorwaarden:
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 6:3:14 Sv, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van ten hoogste twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Daarbij geldt dat de totale duur van de vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt en de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de maatregel niet opheft;
verstaat dat de termijn van deze maatregel heden aanvangt.
Deze beslissing is genomen door mr. N. van Esch, voorzitter,
en mrs. S. Zuidwijk en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 februari 2026.
Mrs. Zuidwijk en Polet zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.