Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10-192984-25
Parketnummers vorderingen TUL VV: 23-001600-24 en 13-076887-23
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
raadsman: mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 13 februari 2026.
2. Tenlastelegging
De verdachte staat terecht op de verdenking dat hij samen met anderen geprobeerd heeft een taxichauffeur te ontvoeren waarbij met een vuurwapen op het slachtoffer is geschoten. Dat is ten laste gelegd als een poging moord/doodslag (feit 1) en een poging ontvoering (feit 2). De precieze tekst van de beschuldiging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J.B. Uiterwijk heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht de poging tot doodslag en de poging tot ontvoering wettig en overtuigend bewezen. De verdachte en de drie medeverdachten hebben het slachtoffer, terwijl zij gezichtsbedekking droegen, middels een GPS-tracker achtervolgd. Het slachtoffer is door de verdachten klemgereden op de oprit van een tankstation en ze zijn daar uit de auto gestapt. Uit de verklaringen van getuigen en het slachtoffer kan worden opgemaakt dat toen wapens zijn gezien. Daarbij verklaart [medeverdachte 1] dat hij kort daarvoor in de auto een wapen bij de bijrijder heeft gezien. Het slachtoffer is uit paniek weggereden. De verdachte stapte na de situatie bij het tankstation weer in de auto en stapte weer uit na de aanrijding op de snelweg. Daar heeft hij aan het slachtoffer in de auto getrokken. Uit deze omstandigheden had de verdachte kunnen opmaken dat het slachtoffer niet vrijwillig zou meegaan. Met deze omstandigheden is er bovendien een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat het meegebrachte vuurwapen gebruikt zou worden. De verdachte heeft met zijn bijdrage ook bewust de mogelijkheid dat het vuurwapen gebruikt zou worden aanvaard. Dat er met dat vuurwapen is geschoten kan de verdachte dan ook worden toegerekend. De officier van justitie ziet geen bewijs dat er sprake is van voorbedachte rade, en concludeert daarom tot vrijspraak van de poging moord.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de poging tot moord/doodslag. De verdediging heeft zich ten aanzien van de poging tot ontvoering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De verdediging heeft aangevoerd dat het aannemelijke scenario is dat is gepoogd om het slachtoffer te ontvoeren en dat door een medeverdachte is geschoten om het verzet te breken. De ontvoering is een contra-indicatie voor een poging doodslag, ook in de vorm van voorwaardelijke opzet. Er zijn ook geen verdere handelingen verricht om het slachtoffer van het leven te beroven. Aan de verdachte is een vuurwapen getoond toen hij de opdracht aanvaardde. Dat betekent niet dat hij er daarom rekening mee moest houden dat het vuurwapen meegenomen zou worden naar de poging tot ontvoering en gebruikt zou worden.
Beoordeling
Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen zoals die in bijlage II zijn opgesomd, stelt de rechtbank vast dat op 10 juni 2025 geprobeerd is om het slachtoffer te ontvoeren. Het slachtoffer is door de verdachte en drie medeverdachten, allen met gezichtsbedekking, middels een GPS-tracker onder zijn auto achtervolgd en hij is door hen bij een tankstation klemgereden. Het slachtoffer kon door hard achteruit rijden wegkomen en is vervolgens na een achtervolging op de A13 met hoge snelheid bewust aangereden door de auto met daarin de verdachten. De auto van het slachtoffer raakte in een spin en kwam uiteindelijk in de vangrail tot stilstand. De verdachten zijn uit de auto uitgestapt en in de richting van de auto van het slachtoffer gelopen. Er is toen met geweld geprobeerd om het slachtoffer uit de auto te trekken. Daarbij is het slachtoffer met een vuurwapen tegen zijn hoofd geslagen. Daarnaast is hij door een van de medeverdachten beschoten. Het slachtoffer is daarbij geraakt in zijn arm en een van de kogels heeft zijn pet doorboord. Toen het slachtoffer zich hevig bleef verzetten zijn de verdachten uiteindelijk onverrichterzake in hun auto weggevlucht en hebben hun auto in Den Haag bij een benzinestation achter gelaten. Deze gang van zaken staat in de kern genomen niet ter discussie. De verdachte bekent ook dat hij deelgenomen heeft aan de poging tot ontvoering.
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte, toen hij de auto instapte met als doel het slachtoffer te ontvoeren, wist dat zijn medeverdachten het slachtoffer zouden proberen van zijn leven te beroven. Naar het oordeel van de rechtbank kan eveneens niet worden bewezen dat de verdachte wist of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een of meer van zijn medeverdachten een vuurwapen mee zou(den) nemen en dat daarmee zou worden geschoten. Op basis van het dossier kan namelijk niet worden vastgesteld dat er afspraken zijn gemaakt over het meebrengen of gebruiken van een wapen of dat de verdachte hier anderszins voor of tijdens het incident van op de hoogte was of raakte. De verdachte heeft verklaard dat hij het wapen pas heeft gezien nadat de auto na de mislukte ontvoeringspoging wegreed van de snelweg (dus na het schieten). Dat [medeverdachte 1] in de auto het wapen bij de bijrijder heeft gezien, betekent nog niet dat het wapen op dat moment ook duidelijk zichtbaar is geweest voor de verdachte. Hij zat immers achterin. Ook kan niet worden vastgesteld dat er (een) wapen(s) zichtbaar was/waren voor de verdachte tijdens de eerdere situatie bij het tankstation. Hoewel er over het ook daar al tonen van wapen(s) is verklaard, heeft geen van de getuigen bij de politie verklaard daadwerkelijk een vuurwapen te hebben gezien en ook uit de verklaringen van het slachtoffer kan dat niet zonder meer worden afgeleid (hij verklaart wisselend hierover). Er zijn geen camerabeelden van het incident aldaar. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte van tevoren wist van de aanwezigheid en het gebruik van een vuurwapen.
Conclusie
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de poging tot moord/doodslag. De rechtbank zal de verdachte veroordelen voor de poging tot ontvoering, met uitzondering van het ten laste gelegde onderdeel waarin tot uitdrukking komt dat ‘(van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten’ en dat met een vuurwapen geslagen is. Niet kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte hierop was gericht, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 laste gelegde voor het overige wettig en overtuigend bewezen is.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van de bewijsmiddelen waarop de veroordeling voor feit 2 gebaseerd is.
Het is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 2 heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn/hun gezicht(en) had(den) bedekt
met een helm en/of bivakmuts danwel gezichtsbedekkende kleding,
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond heeft/hebben gevolgd/achtervolgd (via GPS tracker) en/of
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond (van achteren) heeft/hebben
aangereden en/of tot stilstand gedwongen en/of (vervolgens) naar de personenauto
van die [slachtoffer] is/zijn gelopen en/of
- de ruit van het bestuurdersportier heeft/hebben ingeslagen en/of het
bestuurdersportier heeft/hebben geopend en/of
- aan de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of
- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: “open, open, open” en/of
“uitstappen, meekomen, uitstappen meekomen. Vandaag ga je dood vriend.
Uitstappen, meekomen.” en/of "schiet hem, schiet hem, schiet hem gewoon",
althans woorden van gelijke aard en strekking, en/of
- (van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in
de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) (met een vuurwapen) op/tegen
het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of
gestompt, en/of
- tyraps heeft/hebben meegenomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
medeplegen van een poging tot het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Motivering maatregel
Algemene overweging
De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de maatregel is gebaseerd
De destijds zeventienjarige verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot ontvoering door het slachtoffer te (achter)volgen, zijn auto op de snelweg met hoge snelheid bewust aan te rijden en daarmee tot stilstand te dwingen en hem met geweld en met gezichtsbedekking op uit zijn auto proberen mee te nemen. De verdachte en mededaders zijn uiteindelijk onverrichterzake in hun auto weggevlucht. Het medeplegen van een poging tot ontvoering is een zeer ernstig strafbaar feit. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Het slachtoffer kampt blijkens de toelichting op de vordering benadeelde partij met psychische problematiek. Hij is enorm geschrokken. De rechtbank overweegt voorts dat de poging tot ontvoering heeft plaatsgevonden op de openbare weg, dat met zeer hoge snelheid de achtervolging is ingezet, het slachtoffer roekeloos is aangereden op de snelweg en dat er (ook los van het schieten) geweld is toegepast. Dit heeft gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders en in de samenleving in het algemeen veroorzaakt. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan. De rechtbank vindt het ook zorgelijk dat de nog jonge verdachte een dergelijk ernstig misdrijf heeft gepleegd, enkel voor financieel gewin.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
GZ-psycholoog, [naam], heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 3 december 2025.
Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
De verdachte heeft ADHD, een gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Daarnaast loopt de verdachte achter in zijn emotionele ontwikkeling. Hiervan was ook tijdens het ten laste gelegde sprake. De verdachte kan de ernst van zijn gedrag onvoldoende inzien. Hij heeft onvoldoende inlevingsvermogen en een verminderende gewetensfunctie.
Het risico op recidive wordt hoog ingeschat. De risico’s zijn met name gelegen in het jonge emotionele niveau van de verdachte in combinatie met zijn ADHD. Bij de verdachte is een gebrek aan zelfsturing, mede als gevolg waarvan hij beïnvloedbaar is. Daarnaast vergroot het ontbreken van een haalbaar schoolperspectief en een positieve vrijetijdsbesteding het risico op recidive.
Het advies is om een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. Het is van het belang dat de verdachte hulp krijgt. De hulp moet gericht zijn op delictanalyse. Het is belangrijk dat er zicht komt op de rol, sociale contacten en overtuigingen van de verdachte. Daarnaast is hulpverlening vanuit de Waag gericht op voeling krijgen met emoties, leren beter te metalliseren, het vergroten van empathisch vermogen en het reflecteren op handelen passend en geboden. Bij de Waag dient ook aandacht te zijn voor het verwerken van pijn uit het verleden, de relatie met de moeder en het middelengebruik van de verdachte. Het is daarnaast belangrijk dat de verdachte onder begeleiding van een coach leert om op zichzelf te focussen, pro-sociale keuzes te maken en zijn probleemoplossende vaardigheden verbetert. De begeleiding van Vittaa dient zich te richten op het volhouden van dagbesteding en vrijetijdsbesteding. Om de hulp te laten slagen is een duidelijk en strak kader met snelle sanctiemogelijkheden bij ongewenst gedrag noodzakelijk.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 februari 2026.
Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Het algemeen recidiverisico wordt heel hoog ingeschat. De risicofactoren zijn gelegen in de domeinen school, middelengebruik, geestelijke gezondheid en agressie. De verdachte heeft geen startkwalificatie en volgt op dit moment geen onderwijs. Daarnaast schuwt de verdachte geen agressie en is hij veelvuldig blootgesteld aan situaties waarin sprake is (geweest) van agressie. De verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking gekomen vanwege verschillende strafbare feiten en hij heeft diverse straffen opgelegd gekregen. Daarnaast is er sprake van structureel middelengebruik en is de invloed hiervan op zijn (delict)gedrag tot op heden onduidelijk. Ook op het domein relaties is nog veel onduidelijkheid over de sociale contacten van de verdachte en welke rol deze spelen in zijn (delict)gedrag. Een beschermende factor van de verdachte is zijn werk. Daar heeft hij het naar zijn zin en het biedt hem structuur. De verdachte is bovendien behandeltrouw gebleken. De verdachte komt zijn afspraken bij de Waag na en hij maakt op dit moment een sociaal-emotionele ontwikkeling door.
De Raad adviseert een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen vanwege het duidelijke kader in combinatie met de pedagogische consequenties die daaraan ten grondslag liggen.
De jeugdreclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 februari 2026.
Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De verdachte kent een belast verleden. De verdachte kwam veelvuldig in aanraking met politie en justitie en er waren zorgen over de thuissituatie. De verdachte heeft verschillende vormen van hulp ontvangen en is eind 2023 vrijwillig bij Vittaa geplaatst. De eerdere begeleiding en opgelegde maatregelen hebben niet kunnen voorkomen dat de verdachte betrokken is geraakt bij het ten laste gelegde.
De schorsingsperiode is wisselend verlopen. De dagbesteding bij R&B heeft niet tot het gewenste resultaat geleid en de verdachte kwam zijn afspraken niet voldoende na. De verdachte heeft daarnaast zijn taakstraf die hij eerder heeft opgelegd kregen niet goed uitgevoerd waardoor hij negatief is teruggemeld.
De situatie is sinds kort verbeterd. De behandelaar vanuit de Waag geeft aan dat de verdachte op dit moment behandeltrouw is en meer openheid van zaken geeft. De verdachte wordt inmiddels ook begeleid door een coach en dat verloopt goed. Bij Vittaa krijgt de verdachte de duidelijkheid en structuur die hij nodig heeft. De verdachte wil ook weer basketballen en hij heeft werk. De verdachte is inmiddels achttien jaar en van hem mag een serieuze houding verwacht worden.
Het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel is passend, zodat de mogelijkheid bestaat om een time out te vragen en bij een eventuele misstap direct aan de bel te kunnen trekken.
I. Clarkson, werkzaam bij de jeugdreclassering, heeft in aanvulling op het bovengenoemde rapport ter zitting het volgende toegelicht. De verdachte maakt positieve stappen. Hij werkt en is behandeltrouw. Het is belangrijk dat de behandeling wordt voortgezet, zodat er zicht komt op wat er in het hoofd van de verdachte omgaat.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het begane misdrijf en de voorafgegane veroordelingen wegens misdrijven aanleiding geven tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige. Deze maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel en bij de vaststelling van de duur in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Het bewezen verklaarde poging tot ontvoering betreft een ernstig (gewelds)delict. De verdachte is eerder onherroepelijk veroordeeld voor (onder meer) geweldsdelicten (zie hiervoor onder 6.3.1). Ook liep de verdachte in een proeftijd van twee eerder opgelegde voorwaardelijke veroordelingen. Dit heeft hem er kennelijk niet van kunnen weerhouden het bewezenverklaarde feit te plegen. Het recidiverisico op geweldsincidenten, zonder behandeling of begeleiding, wordt door de deskundigen als (heel) hoog geschat. Gebleken is dat eerder ingezette interventies in het strafrechtelijk kader niet het beoogde resultaat hebben opgeleverd. De rechtbank is gelet op de inschatting van de deskundigen van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte voor de maximale duur van een jaar onder toezicht te stellen in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel noodzakelijk is om een situatie te creëren waarin hij zich positief kan ontwikkelen en het recidivegevaar kan worden verminderd. De gedragsbeïnvloedende maatregel biedt de jeugdreclassering gedurende die periode nog de mogelijkheid tot het inzetten van voornoemde time-out om de verdachte, als hij de fout in gaat, alsnog te bewegen mee te werken aan de voorwaarden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard achter de gedragsbeïnvloedende maatregel te staan en dat hij zelf ook vindt dat toezicht duidelijkheid biedt.
Dit alles overwegende betekent dat de rechtbank een gedragsbeïnvloedende maatregel oplegt, bestaande uit het door de Raad geadviseerde programma. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarde die ziet op het houden aan de regels bij de moeder op te leggen, omdat de verdachte inmiddels meerderjarig is.
De rechtbank zal verder bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Op basis van hetgeen in de hierboven genoemde rapporten is geschreven over het verhoogde recidiverisico moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. Bovendien is de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de jeugdige.
De rechtbank legt voor het geval de verdachte niet meewerkt aan de voorwaarden van het programma vervangende jeugddetentie op. De duur van de vervangende jeugddetentie wordt vastgesteld op 6 maanden.
7. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij]. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 51.383,68 aan materiële schade en een bedrag van € 100.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijkheid en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ter terechtzitting is het deel van de vordering dat ziet op de schade aan de auto ingetrokken.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. De vordering is goed onderbouwd en het staat vast dat de schade rechtstreeks is ontstaan door de ten laste gelegde strafbare feiten. Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het te vergoeden bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn toekomstige schade niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard en de kosten van de kleding niet hoger kunnen worden geschat dan op € 250,00, conform het vonnis van mededader [medeverdachte 1]. Daarnaast verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren ten aanzien van de kosten van een littekenbehandeling en de gederfde inkomsten, omdat het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de strafbare feiten ontbreken en de posten onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht om een forse matiging van het bedrag. De verdediging heeft daarbij aangevoerd dat een causaal verband tussen het letsel en de gedragingen van de verdachte onvoldoende duidelijk is en dat het (blijvende) letsel onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden
als gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
Ten aanzien van de beschadigde kleding van het slachtoffer merkt de rechtbank allereerst op dat de hoogte van de schade niet is onderbouwd. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van de vordering dat de benadeelde partij beoogd heeft € 500,00 te vorderen voor deze post. Nu het aannemelijk is dat zijn kleding onbruikbaar is geworden door het bewezen verklaarde feit en de verdediging de vordering op dit punt niet heeft betwist zal de rechtbank een deel van de vordering toewijzen, te weten € 250,00, en voor het overige afwijzen. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van het eigen risico van dit jaar (€ 385,00) eveneens niet betwist. De voor die post gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig voor en de rechtbank wijst dat deel van de vordering toe.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op het toekomstige eigen risico, de behandelingen van het litteken en de gederfde inkomsten heeft de verdediging betwist. De rechtbank oordeelt dat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Om deze posten goed te kunnen beoordelen zou de strafzaak moeten worden aangehouden om nadere onderbouwing te verkrijgen en onderzoek te doen. Dat zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft het deel van de vordering dat ziet op de schade aan de auto ter terechtzitting ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom op dat deel van de vordering geen beslissing te nemen.
Dit betekent dat de verdachte € 635,00 als vergoeding van materiële schade aan de
benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Dit deel van de vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
De rechtbank kan zich goed voorstellen dat het bewezen verklaarde strafbare feit (poging tot ontvoering) bij het slachtoffer heeft gezorgd voor veel angst en een onveilig gevoel. Uit de onderbouwing van de vordering benadeelde partij blijkt ook dat het slachtoffer hiervoor hulp heeft gezocht. Er is een behandelplan opgesteld en het slachtoffer staat op de wachtlijst voor EMDR. Het slachtoffer heeft daarnaast letsel aan zijn arm en hoofd opgelopen en hij heeft hierdoor pijn ondervonden. De schade waarvan vergoeding wordt gevorderd is echter niet alleen het rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde. De verdachte zal immers worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en dat deel van het onder 2 ten laste gelegde dat ziet op het schieten met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer. Daarnaast is de ernst van het letsel en de verwachting van (de mate en termijn van) herstel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, ook met de (kennelijk) aanvullende producties ten opzichte van de procedure tegen [medeverdachte 1]. Ook kan de rechtbank in deze het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en het knieletsel niet met voldoende zekerheid vaststellen.
De immateriële schade als gevolg van het bewezenverklaarde feit zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 7500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 7500,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
Nu de verdachte het bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding moet er een uitsplitsing gemaakt worden, omdat de verdachte en [medeverdachte 3] zijn veroordeeld voor de poging tot ontvoering, terwijl de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook zijn veroordeeld voor de poging doodslag. De verdachte is met alle drie de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk voor de eerste € 7.500,00. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het totale bedrag van € 15.000,00. Indien en voor zover (een van) de mededaders de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met
wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt
met wettelijke rente vanaf 10 juni 2025. Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte op de pleegdatum zal geen gijzeling worden toegepast.
8. Vordering tenuitvoerlegging
Vonnis en arrest waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2023 (13-076887-23) is de verdachte ter zake van diefstal met bedreiging van geweld meermalen gepleegd, een vernieling en wapenbezit veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 150 dagen, waarvan een gedeelte groot 78 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 24 november 2023.
Daarnaast is de verdachte bij arrest van het hof Amsterdam van 30 januari 2025 (23-001600-24) ter zake van een diefstal met geweld en bedreiging van geweld en bedreigingen (van een ambtenaar), meermalen gepleegd, veroordeeld en voor zover van belang tot een jeugddetentie van 84 dagen, waarvan een gedeelte groot 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 14 februari 2025.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moet worden toegewezen. De verdediging heeft verzocht om de opgelegde voorwaardelijke jeugddetenties om te zetten in een taakstraf, zodat het traject van de verdachte niet wordt verstoord.
Beoordeling
Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van zowel het vonnis als het arrest en voor het einde van de proeftijden gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis en aan het arrest verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden in de zaak met parketnummer: 13-076887-23 redenen gezien die last niet te geven, maar in plaats daarvan een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 56 uren, subsidiair 28 dagen vervangende jeugddetentie, te gelasten. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om in de zaak met parketnummer: 23-001600-24 de last niet te geven, zodat het toezicht van de jeugdreclassering (en de overige voorwaarden) kan doorlopen, ook na de afloop van de gedragsbeïnvloedende maatregel.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77i, 77g, 77w, 77wa, 77wc, 77gg en 282 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden,
die bestaat uit:
daar geldende regels en meewerken aan het zoeken naar een passende vervolgplek;
• [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum 2] 2001;
• [medeverdachte 2], geboren op [geboortedatum 3] 2008;
• [medeverdachte 3], geboren op [geboortedatum 4] 2007;
- het op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer:
• [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 5] 1995;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden en ondersteunen;
beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is;
beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie in mindering gebracht zal worden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de veroordeelde hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 8135,00 (zegge: achtduizend honderdvijfendertig euro), bestaande uit € 635,00 aan materiële schade en € 7500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is ten aanzien van immateriële schade met alle mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor de eerste € 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd) en mededaders [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het totale bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend);
bepaalt dat de veroordeelde bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de [benadeelde partij], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag (met inachtneming van voorgaande uitsplitsing van de hoofdelijkheid);
wijst de vordering van de benadeelde partij voor zover dat ziet op de beschadigde kleding
voor het overige af;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de [benadeelde partij] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de veroordeelde hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen € 8135,00 (hoofdsom, zegge: achtduizend honderdvijfendertig), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen. De verdachte is ten aanzien van de immateriële schade met alle mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor de eerste € 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd). Mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn voor het totale bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend) hoofdelijk aansprakelijk;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd (met inachtneming van voorgaande uitsplitsing van de hoofdelijkheid);
legt - in plaats van de gevorderde last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam (13-076887-23) aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie - aan de veroordeelde een taakstraf, bestaande uit een werkstraf op voor de duur van 56 uren, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 28 dagen;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij het arrest van het Hof Amsterdam (23-001600-24) aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. J.C.M. Persoon en C.C. Peterse, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf om[slachtoffer]opzettelijk enal dan niet met voorbedachten radevan het leven te beroven(van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of inde richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten,waardoor voornoemde [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, op/aan zijnhoofd en/of in zijn arm, althans in/aan zijn lichaam, is geraakt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf omopzettelijk [slachtoffer]wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn/hun gezicht(en) had(den) bedektmet een helm en/of bivakmuts danwel gezichtsbedekkende kleding,- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond heeft/hebbengevolgd/achtervolgd (via GPS tracker) en/of- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond (van achteren) heeft/hebbenaangereden en/of tot stilstand gedwongen en/of (vervolgens) naar de personenautovan die [slachtoffer] is/zijn gelopen en/of- de ruit van het bestuurdersportier heeft/hebben ingeslagen en/of hetbestuurdersportier heeft/hebben geopend en/of- aan de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: “open, open, open” en/of“uitstappen, meekomen, uitstappen meekomen. Vandaag ga je dood vriend.Uitstappen, meekomen.” en/of "schiet hem, schiet hem, schiet hem gewoon",althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of- (van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of inde richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten en/of- meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) (met een vuurwapen) op/tegenhet hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/ofgestompt en/of- tyraps heeft/hebben meegenomen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bijlage II
Opgave van bewijsmiddelen
1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 13 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van politie documentcode: [documentcode 1] (pagina 18 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende de verklaring van het [slachtoffer];
3. Het proces-verbaal van politie documentcode: [documentcode 2] (pagina 27 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van het zaaksdossier), inhoudende de verklaring van het [slachtoffer].
Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.