Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummers: 10-192800-25
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [plaatsnaam] ,
raadsman: mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 13 februari 2026.
2. Tenlastelegging
De verdachte staat terecht op de verdenking dat hij samen met anderen geprobeerd heeft een taxichauffeur te ontvoeren waarbij met een vuurwapen op het slachtoffer is geschoten. Dat is ten laste gelegd als een poging moord/doodslag (feit 1) en een poging ontvoering (feit 2). De precieze tekst van de beschuldiging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J.B. Uiterwijk heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht de poging doodslag en de poging ontvoering wettig en overtuigend bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met de medeverdachten het slachtoffer middels een GPS-tracker heeft achtervolgd met als doel hem te ontvoeren. De verdachte was de bijrijder, droeg een helm en had een vuurwapen bij zich. Het slachtoffer is eerst klemgereden op de oprit van een tankstation. Daar stapte in elk geval de verdachte uit de auto, met een helm op, en daar is een wapen gezien. Daarna is het slachtoffer aangereden op de snelweg. Daar heeft de verdachte de autoruit van het slachtoffer kapot geslagen en is een worsteling tussen de verdachten en het slachtoffer ontstaan. Het slachtoffer is op zijn hoofd geslagen met een vuurwapen. Daarbij is door de verdachte in ieder geval twee keer gericht en van een korte afstand op het slachtoffer geschoten. Daarom is er sprake van opzet op de dood van het slachtoffer. De officier van justitie ziet geen bewijs dat er sprake is van voorbedachte rade, en concludeert daarom tot vrijspraak van de poging moord.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten.
De verdediging voert daartoe aan dat niet blijkt dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Uit het dossier blijkt onvoldoende wat de rol was van de verdachte in beide feiten. Zo kan niet worden vastgesteld wie de persoon is geweest die het wapen heeft bediend en wie waar heeft gezeten in de auto. De verklaringen van [medeverdachte 1] moeten op deze punten met voorzichtigheid worden gelezen en worden gebruikt. Hij verklaart bovendien niet specifiek dat de verdachte zou hebben geschoten. Ook de getuigen verklaren niet dat het de verdachte is die een wapen had. Het staat vast dat de verdachte bij het incident was, maar hij wist niet beter dan dat het slachtoffer vrijwillig zou meegaan. Hij had dus geen opzet op de ontvoering, laat staan dat zijn opzet erop gericht was dat op het slachtoffer zou worden geschoten. Indien de rechtbank van oordeel is dat de verdachte wetenschap had van een wapen, dan is er nog geen sprake van medeplegen van de poging doodslag. De verdediging verwijst daarbij naar de uitspraken: ECLI:NL:PHR:2012:BY0267 en ECLI:NL:HR:2011:BO6365.
Beoordeling
Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen zoals die in bijlage II zijn uitgewerkt, stelt de rechtbank vast dat op 10 juni 2025 geprobeerd is om het slachtoffer te ontvoeren. Het slachtoffer is door de verdachte en de drie medeverdachten, allen met gezichtsbedekking, middels een GPS-tracker onder zijn auto achtervolgd en hij is door hen bij een tankstation klemgereden. Het slachtoffer kon door hard achteruit te rijden wegkomen en is vervolgens op de A13 na een achtervolging met een hoge snelheid bewust aangereden door de auto met daarin de verdachten. De auto van het slachtoffer raakte in een spin en kwam uiteindelijk in de vangrail tot stilstand. De verdachten zijn uitgestapt en in de richting van de auto van het slachtoffer gelopen. Er is toen met geweld geprobeerd om het slachtoffer uit de auto te trekken. Daarbij is het slachtoffer met een vuurwapen tegen zijn hoofd geslagen. Daarnaast is hij door een van de verdachten van een korte afstand beschoten. Het slachtoffer is daarbij geraakt in zijn arm en een van de kogels heeft zijn pet doorboord. Toen het slachtoffer zich hevig bleef verzetten zijn de verdachten uiteindelijk onverrichterzake in de auto weggevlucht en hebben de auto in Den Haag achter gelaten. Deze gang van zaken staat in de kern genomen niet ter discussie.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen ook worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op 10 juni 2025 meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting van het slachtoffer. De rechtbank baseert dit oordeel op de verklaringen van [medeverdachte 1] , die (meermaals) verklaart dat de bijrijder een helm op had, hij in de auto heeft gezien dat deze bijrijder een vuurwapen bij zich droeg en dat hij de schutter was. De verdachte wordt op een foto door [medeverdachte 1] aangewezen als de bijrijder. [medeverdachte 1] verklaart daarnaast dat hij na het incident samen met de bijrijder en de tas met daarin het vuurwapen met een taxi is weggekomen. Het vertrek met deze taxi wordt ook bevestigd door de beelden van het tankstation in Den Haag. De taxi blijkt geboekt via het e-mailadres van de verdachte en het eindadres is de straat waar hij woont. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] geloofwaardig en bruikbaar als bewijs. Zijn verklaringen komen op belangrijke punten overeen met verklaringen van het slachtoffer en overige bewijsmiddelen, zoals hierboven uiteen gezet. Daarbij spreekt hij belastend over zichzelf, niet alleen bij de politie en tijdens zijn zitting afgelegde verklaringen, maar ook in een getapt telefoongesprek met zijn broer.
Steun voor de verklaring van [medeverdachte 1] vindt de rechtbank bovendien in het volgende. Er kan worden vastgesteld dat de sfeer in de auto na het incident gespannen was. De personen die voorin de auto hebben gezeten waren gefrustreerd dat de anderen op de achterbank de opdracht niet naar behoren hebben uitgevoerd. Dit blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , waarbij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , ieder voor zich, ook verklaren dat zij op de achterbank zaten. Dit maakt dat de notitie van 12 juni 2025 die op de telefoon van de verdachte is gevonden, om een uitleg vraagt. Die notitie van twee dagen na de gepoogde ontvoering heeft de vorm van een bericht aan iemand die als [naam 1] wordt aangeduid. Er staat in dat hij (degene die het bericht schrijft) zijn taak als enige heeft uitgevoerd, maar dat de actie is mislukt door de anderen en dat hij hoopt alsnog betaald te worden. Voor dit bericht geeft de verdachte geen bevredigende uitleg, hij beriep zich op zitting op zijn zwijgrecht.
De verdachte heeft verder geen bevredigende uitleg gegeven voor het volgende. Uit de bemonstering van een bloedspoor ter hoogte van de manchet aan de binnenzijde van een zwarte nitril handschoen die in het middenconsole van de auto van de verdachten lag, is een DNA-mengprofiel aangetroffen met DNA dat afkomstig kan zijn van de verdachte en het slachtoffer. De bewijskracht ten aanzien van zowel de verdachte als het slachtoffer betreft meer dan 1 miljard. Dit bewijsmiddel maakt de lezing van de verdachte dat hij niet in de buurt van het slachtoffer is geweest, onaannemelijk.
De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien zijn naar het oordeel van de rechtbank redengevend voor het bewijs en deze redengevende feiten en omstandigheden vragen om een verklaring van de verdachte om het belastende daarvan te ontzenuwen. De verdachte heeft zich ten aanzien van essentiële punten echter veelal op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank gaat gelet op al het voorgenoemde ook voorbij aan de lezing van de verdachte dat hij achterin de auto heeft gezeten, slechts is uitgestapt om te proberen de tracker onder de auto van het slachtoffer vandaan te halen maar niet in de buurt van die auto en het slachtoffer is geweest. Dat vindt geen ondersteuning in het dossier.
De rechtbank komt tot de conclusie dat dat de verdachte zich samen met een/de medeverdachte(n) schuldig heeft gemaakt poging tot doodslag van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat hij door van korte afstand meerdere kogels op het lichaam van het slachtoffer af te vuren (ten minste voorwaardelijke) opzet heeft gehad op het dood te schieten van het slachtoffer. De poging doodslag is daarom bewezen. De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, niet bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Van de poging moord wordt de verdachte dus vrijgesproken.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op de het ontvoeren van het slachtoffer met gebruik van geweld. Met zijn handelen, zoals hiervoor beschreven, heeft hij een zeer significante bijdrage geleverd aan de poging tot ontvoering.
Conclusie
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de poging tot moord. De rechtbank acht de poging doodslag en de poging ontvoering wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het (impliciet subsidiair) onder 1 ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk en
al dan niet met voorbedachten rade
van het leven te beroven
(van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in
de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten,
waardoor voornoemde [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, op/aan zijn
hoofd en/of in zijn arm, althans in/aan zijn lichaam, is geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn/hun gezicht(en) had(den) bedekt
met een helm en/of bivakmuts danwel gezichtsbedekkende kleding,
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond heeft/hebben gevolgd/achtervolgd (via GPS tracker) en/of
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond (van achteren) heeft/hebben
aangereden en/of tot stilstand gedwongen en/of (vervolgens) naar de personenauto
van die [slachtoffer] is/zijn gelopen en/of
- de ruit van het bestuurdersportier heeft/hebben ingeslagen en/of het
bestuurdersportier heeft/hebben geopend en/of
- aan de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of
- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: “open, open, open” en/of
“uitstappen, meekomen, uitstappen meekomen. Vandaag ga je dood vriend.
Uitstappen, meekomen.” en/of "schiet hem, schiet hem, schiet hem gewoon",
althans woorden van gelijke aard en strekking, en/of
- (van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in
de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) (met een vuurwapen) op/tegen
het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of
gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Feit 1
medeplegen van een poging doodslag
Feit 2
medeplegen van een poging tot het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De destijds zestienjarige verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot ontvoering door het slachtoffer te (achter)volgen, zijn auto op de snelweg met hoge snelheid bewust aan te rijden en daarmee tot stilstand te dwingen en hem met geweld en met gezichtsbedekking op uit zijn auto proberen mee te nemen. De verdachte heeft zich daarbij ook schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door van een korte afstand met een vuurwapen meerdere kogels op het slachtoffer af te vuren. Dat zijn twee zeer ernstige strafbare feiten. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Het slachtoffer is enorm geschrokken. Een van de kogels is door de arm van het slachtoffer gegaan. Het dient de verdachte duidelijk te zijn dat het voor het slachtoffer heel anders had kunnen aflopen. De rechtbank overweegt voorts dat de strafbare feiten hebben plaatsgevonden op de openbare weg, dat met zeer hoge snelheid de achtervolging is ingezet, het slachtoffer roekeloos is aangereden op de snelweg en dat er veel geweld is toegepast. Dit heeft gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders en in de samenleving in het algemeen veroorzaakt. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan. De rechtbank vindt het ook zorgelijk dat de nog jonge verdachte een dergelijk ernstig misdrijf heeft gepleegd, enkel voor financieel gewin.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
GZ-psycholoog, [naam 2], heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 19 december 2025.
Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
De verdachte heeft een normoverschrijdende gedragsstoornis, een posttraumatische stressstoornis, een somatische aandoening en een stoornis in vroege remissie in het gebruik van cannabis. Hiervan was ook tijdens het ten laste gelegde sprake en deze problematiek beperkte zijn gedragskeuzes en gedragingen.
Het risico op recidive wordt matig-hoog ingeschat. Risico verhogend is voor de verdachte een gebrek aan structuur, begeleiding en toezicht en het (blijven) voortzetten van de contacten met deviante personen. De vaardigheden van de verdachte die zien op emotieregulatie, probleemoplossend vermogen, gewetensontwikkeling en coping zijn bovendien nog onvoldoende ontwikkeld. De verdachte laat zich veelal leiden door egocentrische motieven en komt tamelijk ongrijpbaar over. Hij bagatelliseert problemen en lijkt emoties te verdringen. Tevens zijn er zorgen over de sociale contacten die de verdachte heeft.
Het advies is om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd en bijzondere voorwaarden. Het is nodig dat de verdachte een vorm van intensieve begeleiding, behandeling, toezicht en ondersteuning in een strak kader wordt geboden. Het advies is daarom om het toezicht en de begeleiding van de (jeugd)reclassering met (incidentele) controle van middelengebruik en monitoring van zijn omgang met leeftijdsgenoten voort te zetten. De verdachte heeft ook baat bij het voortzetten van de begeleiding vanuit IFA-coaching. Verder is het van belang dat binnen een combinatie van individuele en systeemgerichte behandeling wordt gewerkt aan de individuele risicofactoren en het verder uitbouwen van beschermende factoren. De individuele behandeling dient zich daarbij te richten op zijn agressieregulatie en traumatherapie. De systeemtherapie kan in de vorm van RGT worden ingezet. Het is daarnaast belangrijk dat een delictanalyse wordt uitgevoerd en een terugvalpreventieplan wordt opgesteld en dat er aandacht is voor de schoolgang en het bouwen van een pro-sociaalnetwerk.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 februari 2026.
Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Het algemeen recidiverisico wordt hoog ingeschat. De risicofactoren zijn gelegen in de domeinen geestelijke gezondheid, school, relaties, houding en agressie. Daarnaast zijn er zorgen over het (criminele) netwerk van de verdachte en zijn schoolgang.
De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie met de volgende bijzondere voorwaarden: meewerken aan Ettacoaching, meewerken aan RGT, het volgen van passend onderwijs, het houden aan een avondklok en ter monitoring hiervan een enkelband, meewerken aan IFA-coach, contactverboden met slachtoffer en medeverdachten en meewerken aan andere hulpverlening als dat nodig wordt geacht. De verdachte is reeds gestart met een hulpverleningstraject en het is niet wenselijk dat deze wordt onderbroken door een jeugddetentie. De verdachte laat op dit moment zien dat hij met een stevig kader in staat is om zich aan de voorwaarden te houden. Tegelijkertijd is dit een prille ontwikkeling. Het is daarom belangrijk dat de jeugdreclassering zicht houdt op (een verruiming van) de voorwaarden.
De jeugdreclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 februari 2026.
Dit rapport houdt onder meer het volgende in. De verdachte heeft in de afgelopen periode goed meegewerkt aan het toezicht en de begeleiding. De coaches voeren gesprekken over de persoon van de verdachte, zijn ontwikkeling, voorgeschiedenis, netwerk, keuzes, toekomstperspectief en richten zich op delictanalyse en delictpreventie. De verdachte is op alle afspraken met de hulpverlening verschenen en neemt actief deel aan de overleggen. Hij heeft zich daarnaast goed gehouden aan de avondklok, het elektronische toezicht en er zijn geen nieuwe meldingen vanuit de politie of gemeente binnengekomen. De verdachte heeft een goed toekomstplan en hij werkt. In maart van dit jaar zal de gezinstherapie starten. De gezinstherapie zal zich richten op de gezinspatronen, het versterken van de moeder in haar gezag, ordening en verwerking van de belaste gezinsgeschiedenis. Tevens zal nader onderzocht en besproken worden of de verdachte gebaat is bij een traject van begeleid wonen.
R. Swint, werkzaam bij de jeugdreclassering, heeft in aanvulling op het bovengenoemde rapport ter zitting het volgende toegelicht. De verdachte is gemotiveerd, getalenteerd en verbaal intelligent. De verdachte kan goed aangeven wat hij nodig heeft. De huidige zorgen zijn gelegen in school, middelengebruik en spanningen in de thuissituatie. Het is belangrijk dat de verdachte hulp krijgt bij het verwerken van zijn belaste verleden en dat de gezinstherapie start. Het is daarnaast van belang dat als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat hij begeleid moet wonen, indien dit wenselijk wordt geacht. Elektronische monitoring is niet langer noodzakelijk voor de verdachte. De verdachte en de moeder zijn nog wel gebaat bij het voortduren van de avondklok.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de aard en de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie, ondanks het feit dat de verdachte een first offender is. De ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een (voor jeugdstrafrecht) forse vrijheidsstraf. De strafbare feiten hebben een blijvende impact op het leven van het slachtoffer en schokken de maatschappij. En de verdachte heeft daar geen verantwoordelijkheid voor genomen. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij onvoldoende heeft nagedacht over (de gevolgen van) zijn handelen en deze ernstige feiten heeft begaan voor financieel gewin. Een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gelijk aan de duur van het voorarrest volstaat daarom niet. Alhoewel de pedagogische beïnvloeding en maatwerk, zoals die in de adviezen centraal staat, het belangrijkste strafdoel in het jeugdstrafrecht is, kunnen de overige strafdoelen, zoals vergelding en preventie, niet uit het oog worden verloren en dient de rechtbank ook rekening te houden met straffen die in soortgelijke feiten worden opgelegd. Dit betekent dat de verdachte terug zal moeten naar een justitiële jeugdinrichting voor de tenuitvoerlegging van het nog niet ondergane deel van de op te leggen jeugddetentie. Wel wordt een deel van de straf voorwaardelijk opgelegd met de voorwaarden die hierna worden genoemd, overeenkomstig het advies van de deskundigen.
Ten aanzien van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank het volgende. De officier van justitie heeft niet gevraagd om een opheffing van de schorsing. De rechtbank ziet op dit moment ook geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis ambtshalve op te heffen. De schorsing blijft daarom voor nu in stand.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
7. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij]. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 51.383,68 aan materiële schade en een bedrag van € 100.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijkheid en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ter terechtzitting is het deel van de vordering dat ziet op de schade aan de auto ingetrokken.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. De vordering is goed onderbouwd en het staat vast dat de schade rechtstreeks is ontstaan door de ten laste gelegde strafbare feiten. Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het te vergoeden bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat het slachtoffer voor de gevorderde gederfde inkomsten niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat deze post – ook na de antwoorden van de raadsvrouw van het slachtoffer ter zitting – niet voldoende is onderbouwd. Nader onderzoek levert een te grote belasting van het strafgeding op. Daarnaast zijn de posten met betrekking tot de littekenverbetering en het eigen risico van 2026 onvoldoende onderbouwd, omdat de medische informatie van het slachtoffer nu summier is en het gaat om eventuele toekomstige kosten. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag te hoog is. Hoewel vaststaat dat het slachtoffer letsel heeft, is het nog onduidelijk hoe het herstel van het slachtoffer gaat verlopen. Het is nu niet mogelijk om een schadebedrag vast te stellen en onderzoek daarnaar levert een te grote belasting van het strafgeding op. Daarom wordt verzocht om de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren. Indien de rechtbank dat niet van oordeel is, wenst de verdediging een deskundige te horen en vragen te stellen over het verdere verloop van het herstel van slachtoffer. Dit betekent dat een beslissing op de vordering dan moet worden aangehouden.
Beoordeling
Horen deskundige
Het verzoek van de verdediging om een (medische) deskundige te horen over de medische (eind)toestand is op zitting al afgewezen. De rechtbank wijst erop dat de benadeelde partij op grond van artikel 334 Wetboek van Strafvordering (Sv) geen getuigen of deskundigen mag voorbrengen ter onderbouwing van haar vordering. Het is gelet op de eisen van een eerlijk proces daarom voor de verdachte eveneens niet mogelijk om getuigen of deskundigen aan te brengen in verband met de schadevergoeding. De rechtbank ziet geen aanleiding op deze beslissing terug te komen. Daarbij ziet de rechtbank op dit moment geen belang bij het horen van deskundigen. De omstandigheid dat de medische eindtoestand van het slachtoffer op dit moment niet duidelijk is, wordt verdisconteerd in het nader te noemen toegewezen immateriële schadebedrag.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden
als gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
Ten aanzien van de beschadigde kleding van het slachtoffer merkt de rechtbank allereerst op dat de hoogte van de schade niet is onderbouwd. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van de vordering dat de benadeelde partij beoogd heeft € 500,00 te vorderen voor deze post. Nu het aannemelijk is dat zijn kleding onbruikbaar is geworden door de bewezen verklaarde feiten en de verdediging de vordering op dit punt niet heeft betwist zal de rechtbank een deel van de vordering toewijzen, te weten € 250,00, en voor het overige afwijzen. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van het eigen risico van dit jaar (€ 385,00) eveneens niet betwist. De voor die post gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig voor en de rechtbank wijst dat deel van de vordering toe.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op het toekomstige eigen risico, de behandelingen van het litteken en de gederfde inkomsten heeft de verdediging betwist. De rechtbank oordeelt dat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Om deze posten goed te kunnen beoordelen zou de strafzaak moeten worden aangehouden. Dat zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft het deel van de vordering dat ziet op de schade aan de auto ter terechtzitting ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom op dat deel van de vordering geen beslissing te nemen.
Dit betekent dat de verdachte € 635,00 als vergoeding van materiële schade aan de
benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Dit deel van de vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
De rechtbank kan zich goed voorstellen dat de bewezen verklaarde strafbare feiten bij het slachtoffer heeft gezorgd voor veel angst en een onveilig gevoel. Het slachtoffer heeft daarvoor blijkens de onderbouwing van de vordering psychische hulp nodig. Er is een behandelplan opgesteld en het slachtoffer staat op de wachtlijst voor EMDR. Het slachtoffer heeft daarnaast letsel aan zijn arm en hoofd opgelopen en hij heeft hierdoor pijn ondervonden. Echter, de ernst van het letsel en de verwachting van (de mate en termijn van) herstel is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, ook met de (kennelijk) aanvullende producties ten opzichte van de procedure tegen [medeverdachte 1] . Ook kan de rechtbank het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en het knieletsel niet met voldoende zekerheid vaststellen. De immateriële schade als gevolg van de bewezenverklaarde feiten zal daarom op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 15.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 15.000,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
Nu de verdachte de bewezenverklaarde strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij moet ten aanzien van de immateriële schadevergoeding een uitsplitsing gemaakt worden tussen de aansprakelijkheid van de verdachten die alleen zijn veroordeeld voor de poging tot ontvoering ( [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) en de verdachten die ook zijn veroordeeld voor de poging doodslag ( [medeverdachte 1] en de verdachte). [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn ieder veroordeeld tot betaling van een immateriële schade van € 7.500,00, [medeverdachte 1] en de verdachte tot betaling van € 15.000,00. De verdachte is met alle drie de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk voor de eerste € 7.500,00 en met alleen [medeverdachte 1] voor het totale bedrag van € 15.000,00. Indien en voor zover (een van) de mededaders de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met
wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt
met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2025. Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte op de pleegdatum zal geen gijzeling worden toegepast.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 282 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair onder 1 ten laste gelegde en onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 14 (veertien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
• [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2001;
• [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2007;
• [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2009;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer:
• [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 5] 1995.
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
veroordeelt de veroordeelde hoofdelijk met zijn mededaders om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 15.635,00 (zegge: vijftienduizend zeshonderdvijfendertig euro), bestaande uit € 635,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is ten aanzien van immateriële schade met alle mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor de eerste € 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd) en met mededader [medeverdachte 1] voor het totale bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend);
bepaalt dat de veroordeelde bij gehele of gedeeltelijke betaling door (een van) de mededaders van de verdachte aan de [benadeelde partij], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag (met inachtneming van voorgaande uitsplitsing van de hoofdelijkheid);
wijst de vordering van de benadeelde partij voor zover dat ziet op de beschadigde kleding
voor het overige af;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de [benadeelde partij] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de veroordeelde hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen € 15.635,00 (hoofdsom, zegge: vijftienduizend zeshonderdvijfendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.. De verdachte is ten aanzien van de immateriële schade met alle mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor de eerste € 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd) en met mededader [medeverdachte 1] voor het totale bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend);
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd (met inachtneming van voorgaande uitsplitsing van de hoofdelijkheid).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. J.C.M. Persoon en C.C. Peterse, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf om[slachtoffer]opzettelijk enal dan niet met voorbedachten radevan het leven te beroven(van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of inde richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten,waardoor voornoemde [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, op/aan zijnhoofd en/of in zijn arm, althans in/aan zijn lichaam, is geraakt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf omopzettelijk [slachtoffer]wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn/hun gezicht(en) had(den) bedektmet een helm en/of bivakmuts danwel gezichtsbedekkende kleding,- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond heeft/hebbengevolgd/achtervolgd (via GPS tracker) en/of- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond (van achteren) heeft/hebbenaangereden en/of tot stilstand gedwongen en/of (vervolgens) naar de personenautovan die [slachtoffer] is/zijn gelopen en/of- de ruit van het bestuurdersportier heeft/hebben ingeslagen en/of hetbestuurdersportier heeft/hebben geopend en/of- aan de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: “open, open, open” en/of“uitstappen, meekomen, uitstappen meekomen. Vandaag ga je dood vriend.Uitstappen, meekomen.” en/of "schiet hem, schiet hem, schiet hem gewoon",althans woorden van gelijke aard en strekking, en/of- (van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of inde richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten en/of- meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) (met een vuurwapen) op/tegenhet hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/ofgestompt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.