RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/705108 / HA ZA 25-682
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[persoon A] , H.O.D.N. [bedrijf A],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [persoon A] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. J.P.M. Bakker,
tegen
FOOD ART B.V.,
te Gorinchem,
hierna te noemen: Food Art,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. E. Hoogendam.
1. De zaak in het kort
[persoon A] heeft haar horecazaak “ [naam horecagelegenheid] ” verkocht aan Food Art. Food Art heeft slechts een deel van de koopprijs voldaan. [persoon A] vordert daarom betaling van het restant van de koopsom. Volgens Food Art hoeft zij niets meer te betalen omdat de kooprijs verlaagd moet worden onder andere omdat [persoon A] de afgegeven garanties heeft geschonden. De financiële cijfers zouden onjuist zijn, de keukenapparatuur voldeed niet en er moesten al snel na de overname (reparatie)kosten worden gemaakt. De rechtbank verwerpt de verweren van Food Art en veroordeelt haar tot betaling van de restant koopsom. Haar tegenvordering tot opheffing van de door [persoon A] gelegde beslagen wordt afgewezen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025,
- de conclusie van antwoord in conventie en tevens (voorwaardelijk) van eis in reconventie met producties,
- de oproepingsbrief van de rechtbank van 24 november 2025 voor de mondelinge behandeling,
- de email van de rechtbank van 6 januari 2026 met een zittingsagenda met daarin een aantal vragen voor partijen,
- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie met producties,
- de akte overlegging producties 10 tot en met 20 van Food Art met productieoverzicht,
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026 met de door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
In het tussenvonnis van 1 oktober 2025 is de gevorderde voorlopige voorziening van [persoon A] tot betaling van een voorschot van € 62.500,00 afgewezen. In de hoofdzaak is voort geprocedeerd. Ten slotte is vonnis bepaald in de hoofdzaak.
3. De feiten
[persoon A] heeft bij overeenkomst van 18 december 2024 haar eenmanszaak “ [naam horecagelegenheid] ” verkocht aan Food Art. Het betrof een lunch/eetcafe & theater in het hart van [plaats] . [persoon A] heeft de zaak in 2021 overgenomen van [V.O.F. X] (‘ [V.O.F. X] ’), maar als gevolg van een moeilijke start vanwege corona en latere problemen in haar privésituatie, heeft zij medio 2024 besloten [naam horecagelegenheid] te verkopen.
In het kader van de verkoop heeft [persoon A] in maart 2024 een verkoopbrochure opgesteld, “Gezocht Horeca-ondernemer”, met daarin informatie over [naam horecagelegenheid] (de ‘brochure’). De brochure bevat ook financiële cijfers over 2023 en prognoses over de omzet en winst voor 2024 en 2025.
Via-via is [persoon A] in contact gekomen met de heer [persoon B] , bestuurder van Food Art. Food Art toonde interesse om [naam horecagelegenheid] over te nemen en [persoon B] heeft daartoe in augustus 2024 van [persoon A] de brochure ontvangen. [persoon B] is in die periode ook een aantal keer bij [naam horecagelegenheid] langs geweest om de zaak te bekijken. De heer [persoon C] is de financiële man van Food Art.
Van de overeengekomen koopprijs heeft Food Art € 50.000,00 betaald. De overige € 125.000,00 had op grond van de koopovereenkomst op 19 december 2024 betaald moeten worden.
Partijen hebben onderling contact gehad over de betaling van het restant, maar betaling heeft niet plaatsgevonden, ook niet na de sommatiebrief van (de advocaat van) [persoon A] van 16 juni 2025.
Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 juli 2025 heeft [persoon A] conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Food Art.
4. Het geschil
in conventie
[persoon A] vordert - zakelijk weergegeven - in de hoofdzaak om bij vonnis, uitvoerbaar bij
voorraad:
1. Food Art te veroordelen om aan [persoon A] binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, te betalen:
a. de hoofdsom ad € 125.000,00 ter voldoening van het onbetaald gelaten deel van de
overeengekomen koopsom;
b. als vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 2.025,00;
c. vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de vordering onder a. vanaf 19december 2024, althans vanaf 30 juni 2024, althans vanaf de dag der dagvaarding, zulks tot
aan de dag der algehele voldoening.
2. Food Art te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten en de kosten van
beslaglegging, onder bepaling dat Food Art de wettelijke rente over deze (proces)kosten
moet betalen als zij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis heeft betaald.
3. Food Art te veroordelen in de kosten van de dagvaarding.
Food Art concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] , dan wel tot afwijzing van
haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in
de kosten van het geding.
in (voorwaardelijke) reconventie
Food Art vordert – zakelijk weergegeven en na vermindering van eis ter zitting – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de overeenkomst tussen Food Art en [persoon A] partieel te ontbinden, althans de koopprijs te verminderen tot € 23.207,50, althans zoveel meer of minder als de rechtbank juist acht,
[persoon A] te bevelen om binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, de beslagen op te heffen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij in gebreke blijft om aan dat bevel te voldoen,
[persoon A] te veroordelen in de kosten van het geding.
Ter zitting heeft Food Art haar eis verminderd en vordert zij niet langer dat het [persoon A] verboden is de handelsnaam “ [naam horecagelegenheid] ” te voeren en dat [persoon A] de website “ [naam horecagelegenheid] ” dient uit te schrijven bij de Kamer van Koophandel. [persoon A] had hieraan inmiddels al voldaan.
[persoon A] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Food Art, althans om bij toewijzing hieraan geen uitvoerbaar bij voorraad te verbinden en om Food Art, in de proceskosten te veroordelen, te vermeerderen met rente en nakosten, en om die veroordeling (wel) uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,
5. De beoordeling in conventie en reconventie
De rechtbank zal de vorderingen in conventie en reconventie hierna samen behandelen vanwege hun onderlinge samenhang.
Tussen partijen is niet in geschil dat Food Art op grond van de koopovereenkomst nog € 125.000,00 verschuldigd is aan [persoon A] en dat dit bedrag op 19 december 2024 betaald had moeten zijn. Volgens Food Art is zij hiermee echter niet in verzuim omdat [persoon A] jegens haar toerekenbaar is tekortgeschoten door schending van afgegeven garanties. De schending bestaat volgens Food Art samengevat uit (i) de verstrekking van onjuiste financiële gegevens van [naam horecagelegenheid] en (ii) de slechte staat van keukenapparatuur en het elektra- en leidingwerk. Ter afwering van de vordering van [persoon A] beroept Food Art zich, zo begrijpt de rechtbank, op partiele ontbinding van de koopovereenkomst met vermindering van de koopprijs tot € 23.207,50, althans doet zij een beroep op dwaling (onjuiste mededeling door [persoon A] ) en wil zij ongedaanmaking van het door haar geleden nadeel, ook in de vorm van een vermindering van de koopprijs tot € 23.207,50. Omdat dit bedrag al is voldaan, moet dit verweer leiden tot afwijzing van de vorderingen in conventie. Voor het geval dit verweer in conventie niet slaagt, heeft Food Art in reconventie voorwaardelijke vorderingen ingesteld om hetzelfde doel te bereiken. Zij vordert in reconventie (onvoorwaardelijk) de opheffing van de ten laste van haar gelegde beslagen.
Het verweer van Food Art slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat Food Art in verzuim is en dat zij de koopprijs, met rente, moet betalen. Haar vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen. De rechtbank licht dit toe.
Ad (i) Geen schending garantie voor wat betreft de verstrekte financiële gegevens
Volgens Food Art heeft [persoon A] in artikel 4 van de koopovereenkomst de garantie gegeven dat de in de brochure opgenomen financiële gegevens, waaronder omzet en winstprognoses, juist zijn. Volgens Food Art zijn de verstrekte cijfers over 2023 en de prognoses over 2024 onjuist, namelijk te rooskleurig. [persoon A] is daarom toerekenbaar tekortgeschoten onder de koopovereenkomst.
De rechtbank oordeelt dat de in de brochure opgenomen financiële gegevens niet onder de garantie vallen en dat ook los hiervan geen sprake is van een tekortkoming door [persoon A] .
Garantie ziet niet op financiële gegevens
Volgens artikel 2 is het voorwerp van de overeenkomst de verkoop van ‘de activiteiten betrekking hebbende op het lunch en eetcafé, alsmede theater en bijbehorende activa. Het concept omvat de bedrijfsnaam [bedrijfsnaam] , Activa worden vermeld onder 3’. Artikel 3 (overdrachtsvoorwaarden) bepaalt dat de overdracht van de activiteiten plaatsvindt per 1 december 2024 op het adres van [naam horecagelegenheid] en dat koper (rechtbank: bedoeld zal zijn: verkoper) ervoor zorgt dat de ‘activa correct worden overgedragen, specificatie activa, zie bijlage’. Ter zitting is met partijen vastgesteld dat de bedoelde bijlage, de bijlage ‘Inventaris [bedrijfsnaam] ’ is, behorend bij de brochure.
De garantie waarop Food Art zich beroep, staat in artikel 4 (garantie) en luidt:
‘De verkoper verklaart en garandeert dat zij het recht heeft om de activa van [naam horecagelegenheid] te verkopen en dat alle informatie die aan de koper is verstrekt met betrekking tot de activa juist en volledig is. De verkoper geeft geen andere garanties met betrekking tot de activa van [naam horecagelegenheid] ’. Op grond van artikel 4 staat [persoon A] dus in voor de juistheid van de verstrekte informatie over de ‘activa’. De activa is opgenomen in de bijlage bij de brochure (vgl. artikelen 2 en 3). Daarop staan alleen roerende zaken (keukenapparatuur en -gerei). De garantie heeft daarom alleen betrekking op de daarin vermelde roerende zaken. Deze uitleg strookt ook met de in artikel 4 opgenomen passage dat [persoon A] - kort gezegd - bevoegd is om de activa te verkopen. Artikel 4 bepaalt niet dat de garantie ook betrekking heeft op de in de brochure opgenomen financiële cijfers, waaronder financiële gegevens over 2023 en de prognoses voor 2024 en 2025.
Dat de in de brochure verstrekte financiële gegevens door [persoon A] met artikel 4 van de koopovereenkomst inhoudelijk zouden zijn gegarandeerd, is ook niet aannemelijk. De brochure is door [persoon A] opgesteld in maart 2024 en bevat voorlopige cijfers over 2023 en prognoses (toekomstverwachtingen) voor 2024 en 2025. Met name prognoses worden in de regel niet gegarandeerd, het betreffen immers toekomstverwachtingen. Dit geldt temeer in een situatie dat de onderneming wordt overgedragen omdat de verkoper (in dit geval [persoon A] ) daarna (in de regel) geen invloed meer zal hebben op het behalen van de prognoses. Als het wel de bedoeling van partijen was om de prognoses inhoudelijk te garanderen, zoals Food Art aanvoert, dan had het voor de hand gelegen dat dit expliciet in de koopovereenkomst was bepaald. Dat geldt te meer nu Food Art ter zitting verklaarde dat de prognoses voor haar van groot belang waren. Food Art erkende, na enig doorvragen ter zitting, ook dat zij de koopovereenkomst had opgesteld, maar de garantie voor de financiële gegevens niet expliciet had opgenomen. Dat komt dan voor haar risico. Hierbij speelt ook mee dat Food Art, zoals zij zelf aanvoert, geregeld grote(re) overnames doet, terwijl [persoon A] , hiermee geen enkele ervaring had en handelende in de uitoefening van haar eenmanszaak.
Verstrekte financiële gegevens ook niet anderszins onjuist
Niet in geschil is dat de verstrekte cijfers over 2023 voorlopige cijfers waren en er nog geen jaarstukken waren opgemaakt. Voor de conclusie dat [persoon A] in dit kader onzorgvuldig heeft gehandeld en jegens Food Art aansprakelijk zou zijn, is onvoldoende gesteld. Het enkele feit dat de definitieve jaarcijfers over 2023 - volgens Food Art - afwijken van de voorlopige jaarcijfers, is hiervoor onvoldoende. Uit haar stukken en het verhandelde ter zitting, blijkt dat het Food Art ook vooral te doen is om de, volgens haar, onjuiste prognoses over 2024 en 2025. Wat betreft 2024 en 2025 heeft Food Art aangevoerd dat die prognoses onjuist, althans misleidend zijn, omdat die mede gebaseerd zijn op financiële gegevens over 2021 toen [V.O.F. X] de locatie nog exploiteerde en ruimere openingstijden hanteerde. Dit argument kan Food Art niet baten omdat Verbaten ter zitting verklaarde dat hij voorafgaand aan de tekening van de koopovereenkomst wel heeft gezien dat gebruik is gemaakt van cijfers van [V.O.F. X] (hetgeen ook op de betreffende pagina staat), maar dat hij het toen ‘te druk’ had om hierover nadere vragen te stellen. In de brochure staat ook duidelijk dat [persoon A] zelf (vanwege privéomstandigheden) geen gebruik maakte van de mogelijkheid van het hanteren van ruimere openingstijden en dat dit dus mogelijkheden bood voor de nieuwe uitbater. Food Art was met dit alles bekend voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst en kan zich er daarom achteraf niet op beroepen dat dit (toch) onduidelijk was voor haar. Als dat zo was, had zij vragen moeten stellen en dat heeft zij niet gedaan.
In dit kader is ook relevant dat [persoon C] ter zitting heeft verklaard dat ook hij op de hoogte was van de vermelding en het gebruik door [persoon A] van de cijfers van [V.O.F. X] en dat dit voor hem reden was om, vóór de koop, [persoon A] om de actuele omzetcijfers van [naam horecagelegenheid] over 2024 te vragen. Hoewel Food Art aanvankelijk ontkende die cijfers toen te hebben ontvangen, bleek ter zitting, na enig zoeken door [persoon C] in zijn e-mails op zijn telefoon, dat [persoon A] wel aan zijn informatieverzoek had voldaan en dat zij nog voor de totstandkoming van de koopovereenkomst de actuele omzetcijfers 2024 heeft verstrekt. Ter zitting zijn die omzetcijfers vervolgens bekeken en die bleken lager dan in de brochure vermeld. Dat tempert dan ook de winstverwachting over 2024. Daarmee was Food Art voorafgaand aan het tekenen van de koopovereenkomst dus (ook) bekend.
Tot slot zou volgens Food Art in 2025, bij het opmaken van de cijfers over 2024, zijn gebleken dat er minder geld in kas was dan uit een in februari 2025 door [persoon A] verstrekte kolommenbalans over 2024 zou blijken. [persoon A] heeft de juistheid van deze stelling betwist. De rechtbank kan de juistheid van de stelling van Food Art niet afleiden uit de op dit onderdeel door haar overgelegde stukken, met name niet uit een betaalverzoekje van [persoon A] uit mei 2025 voor € 112,90 voor kasgeld. Dit is ook onvoldoende nader toegelicht door Food Art.
Uit het voorgaande volgt dat Food Art voor de totstandkoming van de koopovereenkomst in december 2024 inzicht heeft gehad in de actuele (lees: lagere) omzetcijfers van [naam horecagelegenheid] over 2024 en dat zij ook op de hoogte was van het feit dat de prognoses voor 2024 en 2025 mede waren gebaseerd op eerdere omzetten in 2021 van [V.O.F. X] die ruimere openingstijden hanteerde. Hierin heeft Food Art toen geen aanleiding gezien om nader onderzoek te doen, om verder te onderhandelen over de koopprijs of voorwaarden, of om van de koop af te zien. Dat zij, zoals zij aanvoert, gezien de gunstige prognoses en hoge goodwill, bereid was de koopprijs van € 150.000,00 te betalen, is daarom haar eigen keuze geweest. [persoon A] heeft haar niet op het verkeerde been gezet. Nu de gerealiseerde omzetten en winst klaarblijkelijk tegenvallen, kan zij hierop niet terugkomen bij [persoon A] .
Ad (ii) Garantie activa (keukenapparatuur) niet geschonden
Bij akte van 3 februari 2026 voor de mondelinge behandeling heeft Food Art haar stelling, dat een deel van de activa (keukenapparatuur) niet naar behoren zou functioneren, voor het eerst onderbouwd. Zij voert verder aan dat zij al binnen een jaar kosten heeft moeten maken voor leidingen, elektra en voor de ontstopping van de afvoer, terwijl volgens [persoon A] voorafgaand aan de verkoop nog een verbouwing van vijf maanden heeft plaatsgevonden. Food Art verwijst hierbij naar de brochure waarin ter toelichting op de koopprijs staat: ‘(…) voor de gehele verbouwing van theater en lunchroom inclusief hele styling, interieurbouw en inventaris inclusief nieuw aangeschafte apparatuur (…)’ en ‘Alle apparatuur werkt naar behoren en wordt goed onderhouden’. Kort na de overdracht heeft Food Art nieuwe leidingen, elektra en een afvoer moeten aanbrengen. Inclusief de vervangen keukenapparatuur heeft dit tot een schade van € 30.695,17 geleid, aldus Food Art.
Los van het feit de rechtbank niet inziet hoe deze stellingen ertoe leiden dat Food Art de openstaande vordering van [persoon A] van € 125.000,00 in zijn geheel niet zou hoeven te voldoen, geldt dat Food Art voor wat betreft de gestelde tekortkomingen met betrekking tot de keukenapparatuur, niet aan haar klachtplicht heeft voldaan met als gevolg dat haar verweer niet slaagt (art. 6:89 BW). Los hiervan geldt dat in rechte niet vaststaat dat de verstrekte informatie over de activa onjuist of onvolledig was. Hierbij is mede van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat niet alle activa op de lijst bij de koopovereenkomst nieuw is aangeschaft in het kader van de verbouwing. Evenmin staat vast dat onjuiste informatie is verschaft over leidingen, elektra en de afvoer. De rechtbank licht dit toe.
Volgens Food Art heeft zij voor € 27.499,80 aan apparatuur vervangen omdat die niet goed was onderhouden en niet naar behoren functioneerde. Zij heeft hiervoor facturen overgelegd. [persoon A] heeft dit gemotiveerd betwist en aangevoerd dat uit de overgelegde facturen niet kan worden afgeleid dat vervanging noodzakelijk was. Ook heeft zij onbetwist aangevoerd dat Food Art tot vervanging is overgegaan zonder haar hierover vooraf te informeren. De facturen waarnaar Food Art verwijst, heeft Food Art ook pas bij akte van 3 februari 2026, ten behoeve van de mondelinge behandeling, in het geding gebracht. [persoon A] stelt dat zij zich - mede door dit tijdsverloop - niet meer goed kan verweren tegen het verwijt dat de door haar verkochte zaken destijds niet aan de koopovereenkomst zouden hebben beantwoord.
De rechtbank kwalificeert dit verweer van [persoon A] als een beroep op schending van de klachtplicht door Food Art. Door pas ná vervanging van de betreffende apparatuur bij [persoon A] te klagen over de kwaliteit ervan ten tijde van de levering, is [persoon A] niet meer in staat nog onderzoek te doen naar de vermeende gebrekkigheid van de vervangen apparatuur en naar haar eventuele aansprakelijkheid. Niet gesteld of gebleken is dat dit onderzoek nu nog wel zinvol kan plaatsvinden. Food Art heeft ook niet toegelicht waarom zij bij het bemerken van de klachten, althans in ieder geval voorafgaand aan de vervanging van de apparatuur, geen contact met [persoon A] heeft gezocht om de vermeende gebreken te bespreken en om haar reactie te vragen. Dit alles leidt ertoe dat het beroep van Food Art op de gestelde gebrekkige kwaliteit van de geleverde keukenapparatuur niet slaagt en dit niet aan haar betalingsplicht in de weg staat.
Hier komt nog bij dat Food Art haar stelling alleen voor de vaatwasser (vervangingskosten € 12.772,80) in haar akte enigszins heeft toegelicht. Uit een door haar overgelegd servicerapport van Winterhalter van begin 2025 volgt volgens Food Art dat de vaatwasser al 26 jaar oud was, in zeer gebruikte staat verkeerde, niet onderhouden was en reparatie ervan te duur. [persoon A] heeft betwist dat de vaatwasser niet zou zijn onderhouden. Dat is wel gebeurd, maar niet door Winterhalter . Winterhalter heeft begin januari 2025, toen [persoon A] in het kader van de overdracht nog in de zaak aanwezig was, op haar verzoek de vaatwasser onderzocht. Uit het servicerapport blijkt volgens [persoon A] dat de vaatwasser nog functioneerde en dat het advies was deze ‘op te draaien’. Hierop is door Food Art niet meer nader gereageerd zodat haar stelling dat hier sprake is van een schending van de garantie in rechte niet vaststaat.
Leidingen, elektra en afvoer
Volgens Food Art heeft zij binnen één jaar na de overdracht € 3.245,37 aan kosten gemaakt voor ‘vervanging deel van de elektra, ontstopping afvoer, inwendige reiniging keukenafzuiging’. Dit zou in strijd zijn met de mededeling in de brochure dat de zaak geheel is verbouwd omdat ook is vermeld dat er nieuwe leidingen en afvoer onder het buffet zou zijn aangelegd.
[persoon A] betwist de verschuldigdheid van deze kosten. Wat betreft de kosten voor elektra heeft zij onbetwist aangevoerd dat Food Art die kosten heeft gemaakt voor de aansluiting van een steamer. Omdat door [persoon A] geen steamer is verkocht (als onderdeel van de overgedragen keukenapparatuur), valt niet in te zien waarom [persoon A] voor de aansluitkosten aansprakelijk zou zijn. Wat betreft de kosten voor ontstopping van de afvoer, geldt dat de afvoer kennelijk een half jaar na de overdracht verstopt is geraakt en toen is schoon gemaakt. Waarom [persoon A] hiervoor aansprakelijk is, is niet duidelijk gemaakt. Dat geldt ook voor de aanspraak op vergoeding van de kosten voor reiniging van de keukenafzuiging. Dit is, zoals [persoon A] aanvoert, regulier onderhoud. Zonder onderbouwing die ook hier ontbreekt is niet in te zien waarom [persoon A] hiervoor aansprakelijk is.
Geen vermindering koopprijs vanwege partiële ontbinding of dwaling. Afwijzing (voorwaardelijke) reconventie
Omdat [persoon A] niet is tekortgeschoten onder de koopovereenkomst is er geen grond voor een partiële ontbinding door Food Art en vermindering van de koopprijs. Evenmin is sprake van het onjuist of onvolledig voorlichten van Food Art door [persoon A] , zodat er ook geen grond is voor een beroep op dwaling gevolgd door ongedaanmaking van het daardoor geleden nadeel. Het hierop gebaseerde verweer in conventie van Food Art slaagt dus niet. In navolging hiervan wordt ook de voorwaardelijke eis in reconventie afgewezen. Hiervoor geldt hetzelfde als wat hiervoor in conventie is overwogen. Food Art heeft in reconventie ook geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd voor haar beroep op ontbinding en dwaling.
De (onvoorwaardelijke) reconventionele vordering van Food Art tot opheffing van de gelegde beslagen wordt afgewezen. Geen van de in artikel 705 Rv genoemde opheffingsgronden doen zich voor.
Hoofdvordering en wettelijke handelsrente
De vordering van [persoon A] op Food Art bedraagt €125.000,00 en is opeisbaar vanaf 19 december 2024. [persoon A] vordert hierover de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente is op grond van artikel 6:119a lid 1 BW alleen verschuldigd als sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van die bepaling. Artikel 6:119a lid 1 BW definieert een handelsovereenkomst als een overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen. Naar het oordeel van de rechtbank handelde [persoon A] bij de verkoop van haar bedrijf ook in de uitoefening van haar bedrijf. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 6:119a BW van toepassing is. De wettelijke handelsrente is daarom toewijsbaar vanaf 19 december 2024.
Buitengerechtelijke incassokosten
[persoon A] vordert betaling van € 2.025,00 aan buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel BIK. Hiertegen is door Food Art geen verweer gevoerd. Nu de aansprakelijkheid vaststaat, voldoende is gesteld omtrent het maken van de kosten en dat deze voldoen aan de genoemde staffel, zal de rechtbank deze vordering toewijzen. Hierover zal de wettelijke rente van artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Proceskosten en beslagkosten
Food Art is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [persoon A] in conventie en reconventie betalen. De proceskosten in het incident (ex art. 223 Rv) worden gecompenseerd. Weliswaar is het gevorderde voorschot afgewezen, maar het daar gevoerde verweer door Food Art is in de hoofdprocedure grotendeels door haar herhaald. De proceskosten van [persoon A] in conventie (inclusief beslagkosten) worden begroot op:
- dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 2.723,00
- beslagexploten € 752,80
- salaris advocaat € 4.511,00
- nakosten € 189,00
Totaal € 8.295,20
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De proceskosten van [persoon A] in reconventie worden begroot op € 1.071,50 (0,5 punt × € 1.929,00 + € 107,00 nakosten).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Dit vonnis wordt, voor zover het zich daarvoor leent, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de daartoe strekkende vordering van [persoon A] op de wet is gegrond en daartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.
6. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt Food Art om aan [persoon A] h.o.d.n. [bedrijf A] , te betalen een bedrag van € 125.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW hierover, met ingang van 19 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Food Art om aan [persoon A] h.o.d.n. [bedrijf A] te betalen een bedrag van € 2.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover, met ingang van 9 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Food Art in de proces- en beslagkosten van [persoon A] h.o.d.n. [bedrijf A] , begroot op € 8.295,20 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Food Art niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Food Art in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proces-en beslagkosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van Food Art af,
veroordeelt Food Art in de proceskosten van [persoon A] h.o.d.n. [bedrijf A] , begroot op € 1.071,50, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Food Art niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en reconventie
verklaart dit vonnis onder 6.1 tot en met 6.4 en onder 6.7 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
3455/1918