Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 5 maart 2026
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 20 november 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een aantal schuldeisers, te weten:
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Centraal Beheer Achmea heeft voorafgaande aan de zitting, bij e-mailbericht van 9 januari 2026, aan de rechtbank te kennen gegeven dat zij reeds eerder hebben ingestemd met het voorstel.
LAVG Gerechtsdeurwaarders heeft namens Engie Energie op 23 februari 2026, voorafgaand aan de zitting, de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 26 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
De Engie Energie is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zestien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 17.568,10 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 3 juni 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Door een kennelijke fout van schuldhulpverlening in de berekening van de afloscapaciteit van verzoekster, heeft verzoekster op 13 oktober 2025 een nieuw aanbod aangeboden aan haar schuldeisers. Het nieuwe aanbod houdt in dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden. De schuldenlast betrof toen € 17.872,53. De schuldenlast is lager geworden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting vanuit de Gemeente Rotterdam voor de periode 30 januari 2025 tot en met 29 januari 2026 overgelegd. Ook heeft zij een ontheffing van de sollicitatieverplichting vanuit de Gemeente Rotterdam overgelegd over de periode 23 februari 2026 tot en met 23 augustus 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij niet verwacht dat de afloscapaciteit van verzoekster binnen afzienbare tijd zal toenemen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Veertien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Engie Energie en Herbel stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van € 5.150,41 op verzoekster, welke 29,4% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
Engie Energie
In haar verweerschrift stelt Engie Energie zich op het standpunt dat verzoekster onvoldoende heeft gemotiveerd, waarom Engie Energie niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Ook biedt de wettelijke schuldsaneringsregeling betere vooruitzichten voor de schuldeisers. In dat kader heeft Engie Energie geen enkel belang om in te stemmen met het aangeboden akkoord zonder afloscapaciteit. Dit zou anders zijn wanneer bij het aangeboden akkoord een doorlooptijd van 18 maanden wordt aangehouden. Daarnaast heeft verzoekster onvoldoende gemotiveerd waarom zij niet in staat zou zijn om fulltime te kunnen werken. Engie Energie stelt zich dan ook op het standpunt dat het aangeboden akkoord niet het maximaal haalbare is. Engie Energie verzoekt het verzoek af te wijzen. Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Engie Energie geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
Herbel
Ter zitting heeft Herbel zich op het standpunt gesteld dat de vordering een huurachterstand betreft. In 2025 zijn verschillende betalingsregelingen door verzoekster niet nagekomen. Herbel heeft altijd meegewerkt aan een oplossing voor de schuldensituatie van verzoekster, maar krijgt geen tijdige reactie vanuit verzoekster of schuldhulpverlening. Ook heeft verzoekster aangegeven mogelijk gedupeerde te zijn van de toeslagenaffaire. Hebel heeft verschillende keren naar de stand van zaken gevraagd bij verzoekster, maar geen reactie gekregen. Herbel verzoekt het verzoek af te wijzen.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Engie Energie en Herbel bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Engie Energie en Herbel in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van Engie Energie een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 29,4%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk veertien van de zestien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster inkomsten ontvangt uit een Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting vanuit de Gemeente Rotterdam voor de periode 30 januari 2025 tot en met 29 januari 2026 overgelegd. Ook heeft zij een ontheffing van de sollicitatieverplichting vanuit de Gemeente Rotterdam overgelegd over de periode 23 februari 2026 tot en met 23 augustus 2026. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd, waaruit blijkt dat verzoekster onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende jaren geen afloscapaciteit zal verkrijgen. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster over vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoekster van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoekster in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van Engie Energie en Hebel.
Het verzoek om Engie Energie en Hebel te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Engie Energie en Hebel zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt Engie Energie en Hebel om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Engie Energie en Hebel in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.