Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-109170-23
Datum uitspraak: 16 februari 2026
Datum zitting: 16 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] .
Officier van justitie: mr. N.J. Jacobs
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. T.J.J. Gallee
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich op 11 april 2022 schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld, gericht tegen [aangeefster] en [aangever] . Zij wordt daarom veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur, met aftrek van de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – op 11 april 2022 openlijk en samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen twee personen, [aangeefster] en [aangever] .
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat zij, op of omstreeks 11 april 2022, te Rotterdam, openlijk te weten, op/aan/bij de Gooilandsingel te Rotterdam, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft/hebben gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten [aangeefster]
en/of [aangever] , welk geweld bestond uit het (meermalen):
- opzettelijk met een (gebalde) vuist en/of een hamer, althans een voorwerp, op/tegen het hoofd en/of de schouder en/of de rug, in ieder geval het lichaam te slaan en/of stompen en/of
- met (gebalde) vuist in het gezicht te slaan/stompen en/of
- tegen het lichaam te schoppen/trappen.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het feit wordt veroordeeld.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich op 11 april 2022 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging gericht tegen [aangeefster] en [aangever] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.2.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster]Plaats delict: Gooilandsingel, Rotterdam
Pleegdatum: 11 april 2022
Ik zag [verdachte] , zijn vader en moeder en nog een andere man, naar ons toe komen rennen. De vader van [verdachte] heet [medeverdachte] . Opeens voelde ik dat ik met veel kracht met een voorwerp boven op mijn achterhoofd werd geslagen. Ik zag dat [medeverdachte] met een hamer bovenop het hoofd van [aangever] sloeg en dat [verdachte] , [medeverdachte] en de andere man op [aangever] begonnen in te slaan. Ik zag dat [medeverdachte] meerdere keren met in zijn rechterhand de hamer op [aangever] 's hoofd en rug sloeg. Inmiddels voelde ik pijn aan mijn hoofd op de plek waar ik was geslagen. Ik hield mijn handen boven op mijn hoofd en ik zag dat er behoorlijk wat bloed aan mijn handen zat.
Ik zag en voelde dat [medeverdachte] mij tegen mijn gezicht begon te slaan. Ik zag en voelde dat [medeverdachte] dit met zijn rechterhand tot een vuist gebald deed. Ik voelde dat de klappen tegen de voorkant van mijn gezicht kwamen. Ik voelde een vuistslag op mijn neus en mond. Ik voelde meteen pijn aan mijn gezicht.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster]
Ik herkende de moeder van [verdachte] aan haar stem en hoe ze eruit zag. Ik had haar vaker gezien bij [verdachte] thuis.
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever]
Ik stond samen met [aangeefster] . Ik voelde en zag dat één van de mannen op mij sprong. Ik zag dat deze man een hamer in zijn rechterhand droeg. Ik noem hem in mijn verdere verklaring dader 1. Ik voelde dat dader 2 en dader 3 mijn beide handen vastpakten en uit elkaar hielden. Ik kon geen kant op. Ik voelde dat dader 1 kennelijk opzettelijk en met kracht met de hamer op mijn hoofd sloeg. Daarna sloeg dader 1 mij met de hamer op mijn rechterschouder. Ik voelde dat dader 1 mij kennelijk opzettelijk en met kracht op mijn rug sloeg. Ik zag dat één van de daders [aangeefster] op haar neus sloeg. Ik zag en voelde dat dader 2 en dader 3 mij kennelijk opzettelijk en met kracht met gebalde vuisten overal op mijn lichaam sloegen.
4. Proces-verbaal van de politie
Op de Gooilandsingel te Rotterdam zag ik dat er veel personeel van de RET en de Handhaving ter plaatse was. Ik hoorde van één van hen dat de slachtoffers met een hamer waren geslagen en dat deze hamer in een prullenbak lag. Ik liep naar deze prullenbak en ik zag hier een hamer in liggen. Ik heb deze hamer in beslag genomen.
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 1]
Ik zag dat een meisje en een jongen wegrenden met twee gasten, een man en een vrouw achter hen aan. Ik zag dat ze gingen slaan op de jongen, en ook op dat meisje. Ik zag dat die vrouw de hamer eerst in haar binnenzak stopte. En later zag ik dat zij die hamer in de prullenbak had gegooid.
6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 2]
Ik zag dat de twee mannen het echtpaar aanvielen. Het meisje werd aan de haren getrokken, door alle drie de mannen. Ze werden beiden geslagen. Het meisje werd vooral geslagen met het wapen op haar hoofd. Ik zag dat de man een slaande beweging maakte met een voorwerp in zijn hand. Je hoorde twee keer ofzo echt een klap, dat zag ik. Het viertal ging na het gevecht weer verder.
7. Schriftelijk stuk
Betreffende: [aangeefster]
Vermelde gegevens:Informatie ontvangen van Ikazia ziekenhuis, afdeling neurologie, betreffende bezoek aldaar op 11 april 2022.
Objectieve bevindingen:
- Op de bovenzijde van het hoofd een wond van 5 cm, door de arts beschreven als snijwond
- Op de bovenzijde van het hoofd een wond, door de arts beschreven als snijwond
- Aan de binnenzijde van de lip enkele puntbloedingen
Bijkomende gegevens:
Betrokkene benoemde hoofdpijn. De wonden werden gehecht.
Geschatte genezingsduur:
Bij een ongecompliceerd beloop bedraagt de verwachte genezingsduur circa 2 weken.
8. Schriftelijk stuk
Betreffende: [aangever]
Vermelde gegevens:
Informatie ontvangen van Ikazia Ziekenhuis Spoedeisende Hulp betreffende bezoek aldaar op 11 april 2022.
Objectieve bevindingen:
- Wond van circa 4 cm rechts op het hoofd, door de arts beschreven als snijwond
- Wond rechtsachter op het hoofd, door de arts beschreven als snijwond
- Op de rug meerdere oppervlakkige huidbeschadigingen
- Op de rug meerdere huidafwijkingen die door de arts aldaar beschreven werden als afdrukken van een hamer
Bijkomende gegevens:
- Op de voorzijde van de rechterschouder een oppervlakkige huidbeschadigingen
Betrokkene benoemde pijn aan de schouder en de rug. De twee wonden op het hoofd werden gehecht.
Geschatte genezingsduur:
Bij een ongecompliceerd beloop bedraagt de verwachte genezingsduur circa 3 weken.
Bewijsmotivering
De verdachte en de medeverdachte, haar echtgenoot, hebben ontkend dat zij aanwezig waren bij het tegen de aangevers gebruikte geweld. De rechtbank acht deze verklaringen niet geloofwaardig. De verdachte en haar echtgenoot hebben bij de politie meermalen wisselend verklaard over waar zij die dag waren en wanneer. Hun verklaringen zijn bovendien op bepaalde punten tegenstrijdig met elkaar en worden weerlegd door de bewijsmiddelen, waaruit volgt dat [aangeefster] de vader en moeder van haar ex-vriend heeft herkend. De rechtbank gaat daarom aan die verklaringen voorbij.
De tenlastegelegde openlijke geweldpleging is wettig en overtuigend bewezen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte op 11 april 2022, te Rotterdam, openlijk te weten, op de Gooilandsingel te Rotterdam, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen, te weten [aangeefster] en [aangever] , welk geweld bestond uit het (meermalen):
- opzettelijk met een (gebalde) vuist en een hamer op het hoofd en de schouder en de rug, in ieder geval het lichaam, te slaan en te stompen en
- met (gebalde) vuist in het gezicht te stompen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf en maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren met aftrek van de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
Op 11 april 2022 heeft de verdachte zich samen met haar echtgenoot en zoon bij Zuidplein schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging gericht tegen de ex-vriendin van de zoon (aangeefster) en haar collega (aangever). Aangevers zijn hierbij beiden meermalen met een hamer op het hoofd geslagen. Aangeefster is ook meermalen in het gezicht gestompt en aangever is op het lichaam gestompt. Vervolgens zijn de aangevers gewond achtergelaten. Als gevolg van het geweld is bij de aangevers onder meer hoofdletsel ontstaan.Door deze geweldshandelingen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers. Slachtoffers van dergelijke misdrijven ondervinden vaak nog geruime tijd last van de impact daarvan. Dat dit ook in dit geval zo is geweest, blijkt uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding van aangeefster, waarin zij verklaart nog steeds last te hebben van stress, angst en verdriet, waarvoor zij psychologische hulp heeft gezocht. Het geweld vond plaats op een openbare plek in Rotterdam. Dergelijke feiten leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 22 januari 2026 blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte woont samen met haar echtgenoot en zoon en werkt vier dagen per week voor het uitzendbureau Carrière als aardappelsorteerder.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 7 juni 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 3 jaar en 8 maanden verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank houdt er in het nadeel van de verdachte rekening mee dat er fors geweld tegen twee personen is gebruikt, waarbij beide personen met een hamer op het hoofd zijn geslagen. De rechtbank heeft in strafverhogende zin rekening gehouden met het feit dat beide slachtoffers flink letsel hebben opgelopen en dat de verdachte geen verantwoordelijkheid voor haar gedrag heeft genomen. Daarom wordt een taakstraf van 150 uur opgelegd.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij € 1.011,95 als vergoeding voor materiële schade en € 1.210,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 1.511,95, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op het trainingspak van € 200,- is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het deel van de vordering dat ziet op het eigen risico van de zorgverzekering van € 627,- en op airpods van € 184,95 is voldoende onderbouwd en door de verdachte niet weersproken. Dat gedeelte van de gevorderde schadevergoeding wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte
€ 811,95 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en de verdachte had het oogmerk om immaterieel nadeel toe te brengen aan de benadeelde partij.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting over het herstel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 11 april 2022.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 18 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 146 (honderdzesenveertig) uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 73 dagen;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met haar mededaders, aan de [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 1.811,95, bestaande uit € 811,95 als vergoeding van materiële schade en € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 11 april 2022 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 1.811,95 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 11 april 2022 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 18 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij of haar mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.C. Tuinenburg, voorzitter,
en mrs. S. Zuidwijk en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Nagtegaal, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 februari 2026.
Mrs. S. Zuidwijk en M.S. Polet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.