[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit Rotterdam, verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(gemachtigden: mr. R. Weggemans en mr. S.B.H. Fijneman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: gemeente Rotterdam (vergunninghoudster).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen nabij [adres 1].
Met het primaire besluit van 24 maart 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het kappen van 31 populieren. De te kappen populieren staan in de openbare buitenruimte in het gebied Zevenkamp tussen de Cole Porterstraat en de Wollefoppenweg in Rotterdam.
Met de bestreden besluiten van 27 januari 2026 heeft het college de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 februari 2026 op zitting behandeld samen met de zaken ROT 26/911 en ROT 26/1305. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, vergezeld door [naam 1] en [naam 2], en de gemachtigden van het college, vergezeld door ecoloog [naam 3] en boomdeskundige [naam 4].
Totstandkoming van de bestreden besluiten
2. Vergunninghoudster heeft op 12 februari 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de kap van 31 populieren nabij [adres 1] (het projectgebied). Het project betreft het laatste onderdeel van de boom vervanging in Zevenkamp. In 2008 is er een onderzoek uitgevoerd door Boomtechnisch Onderzoek & Advies voor het vervangen van de populieren op de Zevenkampse dijkjes (het vervangingsplan). De aanleiding van het vervangingsplan was het treffen van een duurzame oplossing om de overlast en het risico van vallende takken van de populieren op de dijkjes weg te nemen. Het doel was een planmatige vervanging in fasen zonder kaalslag te bewerkstellingen. Het planmatige bestond uit een eerste dunning in de rijen die verspringt tussen beide rijen. Op de vrijgekomen groeiplaatsen zijn nieuwe iepen aangeplant. De uitvoering van het verwijderen van de overige populieren is voor alle zuidelijk gelegen dijkjes in Zevenkamp uitgevoerd. Op het noordelijk deel van de dijkjes, tussen de Cole Porterstraat en de Wollefoppenweg, is het verwijderen van de laatste populieren na het aanplanten van de iepen nog niet uitgevoerd. De uitgroeiende iepen zijn nu zo groot geworden dat door concurrentie om ruimte de iepen stagneren in groei. Met de kap van de 31 populieren krijgen de iepen ruimte en kunnen ze verder uitgroeien tot volwaardige bomen.
Met het primaire besluit heeft het college voor de kap een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit kappen (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow)). Met de bestreden besluiten heeft het college de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard.
Verzoekers wonen aan het [adres 2].
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekers, als volgt af.
De voorzieningenrechter zal niet onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de beroepstermijn tegen de omgevingsvergunning nog loopt.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (de Ow) is het verboden zonder een omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Op grond van artikel 22.8 van de Ow geldt, voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Ow, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod om zonder een omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow.
Op grond van artikel 4:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (de APV) is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een boom te vellen of te doen vellen indien de stamomtrek, of bij meerstammigheid de omtrek van de dikste stam, minimaal 50 centimeter is op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld of een overige houtopstand te vellen of te doen vellen. De vergunning kan op grond van artikel 4:11b, vierde lid, van de APV worden geweigerd op grond van:
natuur- en milieuwaarden;
landschappelijke waarden;
cultuurhistorische waarden;
waarde van stads- en dorpsschoon;
waarden voor recreatie en leefbaarheid.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit ‘het vellen van een boom’ (een kapvergunning). Vergunninghoudster heeft alleen voor deze omgevingsplanactiviteit een vergunning gevraagd en gekregen. Gelet op hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, begrijpt de voorzieningenrechter het zo dat verzoekers menen dat voor het kappen van de populieren óók een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is omdat de essentiële vliegroute van de vleermuizen wordt aangetast en uit het ecologisch werkprotocol niet blijkt hoe deze vliegroute wordt gecompenseerd. Onder de Omgevingswet is de zogeheten onlosmakelijke samenhang zoals die gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) komen te vervallen. Onder de Wabo moest kortgezegd in één keer voor alle activiteiten die onlosmakelijk samenhangen een omgevingsvergunning worden aangevraagd en verleend. Het systeem van de Omgevingswet is zo dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Dit heeft tot gevolg dat voor de voorzieningenrechter in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (de kapvergunning) zoals die nu is verleend ter beoordeling voor ligt. Voor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de voorliggende kapvergunning is dus alleen het stelsel van weigeringsgronden uit artikel 4:11b van de APV relevant en niet of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de flora- en fauna-activiteit uit artikel 5.1, tweede lid, onder g van de Ow, noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend.
Weigeringsgronden uit artikel 4:11b van de APV
6. Verzoekers zijn het niet eens met de kap van de 31 populieren. Zij wijzen erop dat er vleermuizen in het projectgebied zijn aangetroffen en dat door de kap de essentiële vliegroute en de voedselvoorziening van de vleermuizen wordt aangetast. Uit het ecologisch werkprotocol van 27 maart 2025 blijkt niet hoe de essentiële vliegroute wordt gecompenseerd tijdens de kap. Volgens verzoekers is het ecologisch werkprotocol bovendien niet toereikend omdat er geen onderzoek is gedaan naar de meer- en watervleermuis op basis van het geactualiseerde Vleermuisprotocol 2021. Ook houdt het college zich niet aan het ecologisch werkprotocol. Het college wilde namelijk midden in het broedseizoen beginnen met de kap. Verder voeren verzoekers aan dat de populieren een grotere waarde hebben voor de biodiversiteit dan iepen.
Niet ter discussie staat dat de 31 populieren gezonde bomen zijn van circa veertig jaar oud en dat de iepen in 2014 zijn aangeplant.
Het college heeft toegelicht dat tijdens de Cole Porterstraat Quickscan Ecologie van 8 april 2024 is vastgesteld dat de boomvalk, grote vos, iepenpage en vleermuis het projectgebied kunnen gebruiken. Om de daadwerkelijke functionaliteit van het projectgebied voor deze soorten aan te tonen dan wel uit te sluiten, heeft van mei tot september 2024 nader onderzoek plaatsgevonden door Habitus, een advies- en onderzoeksbureau voor biodiversiteit en natuur. Binnen het plangebied is een essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft het college op 27 maart 2025 een ecologisch werkprotocol opgesteld met daarin maatregelen om de negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. Het college heeft toegelicht dat dat de verwachting is dat de iepen (Ulmus New Horizon, een verbeterde, sterkere soort) zich op dezelfde manier zullen ontwikkelen als de iepen op de andere dijken waardoor de essentiële vliegroute van vleermuizen in stand blijft en ze van grotere waarde kunnen zijn voor de biodiversiteit dan nu het geval is. Door de gefaseerde uitvoering van de werkzaamheden zal er geen negatief effect zijn op de vliegroute van de vleermuizen en is er geen alternatieve vliegroute nodig. Ter zitting heeft de ecoloog toegelicht dat iepen van waarde zijn voor de biodiversiteit en dat ze ook een bijdrage leveren aan de voedselvoorziening van de vleermuizen.
De voorzieningenrechter begrijpt de aangevoerde gronden zo dat verzoekers zich beroepen op de natuur- en milieuwaarden van de populieren (artikel 4:11b, vierde lid, onder a, van de APV). Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat de natuur- en milieuwaarden niet zodanig worden aangetast dat de omgevingsvergunning om die reden niet geweigerd had moeten worden. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit het onderzoek van Habitus volgt dat er in het zuidelijke gedeelte van het plangebied een essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis is aangetroffen en dat er geen alternatieve vliegroutes op vergelijkbare afstand en van voldoende kwaliteit aanwezig zijn. De toelichting van het college dat de kapwerkzaamheden gefaseerd in twee jaar zullen worden uitgevoerd zodat de iepen tot volwaardige bomen kunnen uitgroeien waardoor de essentiële vliegroute wordt behouden, laat zich vooralsnog niet rijmen met het onderzoek van Habitus. In het onderzoek van Habitus worden de iepen niet genoemd. Niet valt af te leiden of de iepen als compensatie voor de populieren kunnen dienen in de essentiële vliegroute. Bovendien heeft de ecoloog ter zitting toegelicht dat de iepen op dit moment nog niet de functie in de vliegroute kunnen vervullen en dat dit pas mogelijk is wanneer de iepen zijn uitgegroeid. De ecoloog heeft toegelicht dat onduidelijk is hoe lang dit zal duren. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onvoldoende gemotiveerd hoe de essentiële vliegroute van de dwergvleermuis wordt gewaarborgd tijdens de kap.
Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek toe te wijzen en het bestreden besluit en het primaire besluit te schorsen. Het overige dat verzoekers hebben aangevoerd behoeft dan ook geen bespreking meer en kan in de bodemprocedure aan de orde komen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit en het primaire besluit zijn geschorst tot de uitspraak op het beroep.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoekt toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: